Modernisering met een menselijk gezicht

Op de jaarvergadering van het Internationaal Monetair Fonds stond Afrika in het bijzonder in de belangstelling omdat dit werelddeel bij uitstek kan pro- fiteren van de schuldkwijtschel- ding aan ontwikkelingslanden. Afrikanen en hulpgevers waren het er echter over eens dat dit op zichzelf nog geen Afri- kaanse renaissance betekent. Er moet meer gebeuren.

Wanneer Afrika zich wil ontwikkelen kan het volgens schrijver en Nobelprijswinnaar Wole Soyinka veel hoop putten uit de `renaissance' van Sicilië, waar de mafia zware klappen zijn toegebracht. In een door de Wereldbank georganiseerde lezing over `Cultuur, democratie en ontwikkeling' wees hij zijn gehoor van financiële en ontwikkelingsdeskundigen op zijn eigen land Nigeria. Daar heeft de militaire dictatuur na jaren het veld moeten ruimen. En op Oeganda, waar na dictators als Idi Amin democratie en economie opbloeien.

Met de zich uitbreidende aidsramp en de op sommige plaatsen nog oplaaiende gewapende conflicten zal niemand bij Afrika nog het woord `renaissance' in de mond durven nemen, zoals begin jaren negentig na de omwenteling in Zuid-Afrika. Maar te midden van de negatieve ontwikkelingen klonken tijdens de jaarvergadering van Internationaal Monetair Fonds en Wereldbank ook opmerkelijk positieve geluiden. Afrika ten zuiden van de Sahara kreeg de afgelopen dagen in Washington veel aandacht, omdat vooral deze regio zal profiteren van de uitbreiding van de schuldkwijtschelding voor de armste ontwikkelingslanden.

De Oegandese minister van Financiën en Economie, Gerald Ssendaula, onderstreepte dat in zijn land door hervormingen niet alleen de economische groei sterk is toegenomen, maar dat de absolute armoede in nauwelijks vijf jaar met meer dan tien procent is gedaald.

,,Ik denk dat het voor Afrika mogelijk is snel te groeien en investeringen aan te trekken'', meent ook James Emery. Hij is bij International Finance Corporation (IFC), het onderdeel van de Wereldbank dat met deelnemingen en kredieten particuliere investeringen stimuleert, verantwoordelijk voor Afrika ten zuiden van de Sahara. ,,Ik zal niet zeggen dat de dageraad voor Afrika is aangebroken, maar alle tekenen wijzen erop dat er nu een meer stabiele basis is'', zegt hij. ,,De particuliere sector speelt nu in meer landen een belangrijke rol, waardoor de economie meer open is.'' In het midden van de jaren tachtig verdwenen de voordelen van hoge grondstoffenprijzen vooral naar de overheidsbureaucratieën. Nu is dat volgens Emery door beter economisch management veel minder mogelijk.

Economen plegen vooral naar de economische groeicijfers te kijken. De afgelopen jaren was de groei van de Afrikaanse economie met zo'n drie procent vrijwel gelijk aan de bevolkingsgroei, waardoor het inkomen per hoofd volledig stagneerde. Daar waren zelfs twee decennia van een vrijwel voortdurende daling van het inkomen per hoofd aan voorafgegaan.

Voor dit jaar verwacht het IMF voor `Subsahara-Afrika' een economische groei van vijf procent. De Wereldbank hanteert dit percentage als een absolute minimumdoelstelling voor het gebied. Er blijft dan nog twee procent over voor inkomensgroei per hoofd. Sommige landen presteren aanmerkelijk beter. Zo komt de groei in Oeganda dit jaar op zeven procent uit, terwijl Ivoorkust de afgelopen jaren een groei van bijna zes procent kende. Ook Mozambique presteert bovengemiddeld. Het zijn de landen die door hun economische hervormingsbeleid als eerste van het initiatief voor schuldkwijtschelding hebben kunnen profiteren.

Door de kwijtschelding van schulden komt in de betrokken landen geld vrij voor sociale vangnetten, gezondheidszorg, onderwijs. Om te waarborgen dat de financiële middelen ook werkelijk hieraan worden besteed, moeten de overheden in samenwerking met de civil society – vakbonden, boeren, wijkcomités – controleerbare programma's opstellen. De Wereldbank en het IMF zullen hierbij advies verlenen. In het deze week bij de jaarvergadering van beide instellingen aanvaarde uitgebreide schuldenplan is de opstelling van een dergelijk Poverty Reduction Strategy Paper (PRSP) tot een voorwaarde voor schuldkwijtschelding gemaakt. Dit moet regeringen dwingen een controleerbaar beleid te voeren.

Volgens minister Evelien Herfkens (Ontwikkelingssamenwerking) is de schuldkwijtschelding voor de landen ten zuiden van de Sahara van groot belang om ,,economische modernisering met een menselijk gezicht'' mogelijk te maken. Door privatiseringen, economische hervormingen en efficiencyverhoging kunnen immers in een overgangsperiode de sociale problemen, waaronder werkloosheid, sterk toenemen.

Herfkens legt een direct verband met haar reorganisatie van de Nederlandse bilaterale hulp, die wordt geconcentreerd op een beperkt aantal landen waar van good governance sprake is. ,,De economische aanpassingsprogramma's zijn ondergefinancierd'', legt ze uit. Ofwel: er is te weinig financiële hulp voor arme landen die hervormingsprogramma's uitvoeren. Herfkens: ,,Want de mate waarin je op een fatsoenlijke manier vangnetten kan creëren hangt af van de hoeveelheid hulp die op tafel ligt. En wat ik dus het meest tragische vind, en mede daarom ben ik de bilaterale hulp in Nederland gaan reorganiseren, is dat een aantal van die landen in Afrika die het goede doen, te weinig geld krijgen.''

De echte groei en ontwikkeling moeten niet van hulp komen, maar van particuliere investeringen en internationale handel. Hier blijft Afrika nog enorm achter bij de rest van de wereld. Volgens cijfers van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en de Wereldbank is het Afrikaanse aandeel in de wereldgoederenexport tussen 1980 en 1996 meer dan gehalveerd. En uit het deze week gepresenteerde World Investment Report van de VN-organisatie UNCTAD bleek dat vorig jaar slechts iets meer dan één procent van alle directe buitenlandse investeringen naar Afrika gaat. Hierbij moet nog in aanmerking worden genomen dat het grootste deel van deze investeringen naar Zuid-Afrika en Nigeria (olie) gaat.

Een van de oorzaken van het achterblijven van de Afrikaanse export zijn volgens een Wereldbankrapport uit 1997 ,,exorbitant hoge'' transportkosten. En bij het transport van grondstoffen – het grootste deel van de Afrikaanse export – gaat het altijd om grote volumes. Het is niet ongebruikelijk dat Afrikaanse landen zo'n 40 procent van hun exportopbrengst zien afvloeien naar internationale transportdiensten. Hierbij spelen de monopoliepraktijken in de zeescheepvaart een belangrijke rol. Door minister Herfkens getypeerd als ,,drijvende kartels op de oceaan''. Voor een niet aan zee gelegen land als Oeganda gaat volgens de Wereldbank zelfs 70 procent van de exportopbrengst naar transport. Hier drijven monopolies van verzekeraars – Afrika heeft nu eenmaal nauwelijks een geliberaliseerde financiële sector – de transportprijzen op.

Liberalisering van de zeescheepvaart is voor Afrika bij de WTO-ministersbijeenkomst eind november in Seattle over een nieuwe handelsronde van groot belang. De VS liggen op dit punt dwars, maar Herfkens zegt ,,enige beweging'' te zien. En er zijn nog meer handelsbelemmeringen voor de armste landen die op het conto van de industrielanden kunnen worden geschreven. Zo verloopt de afschaffing van textielquota, die in 2005 moeten zijn afgeschaft, tergend langzaam. Volgens gegevens van de Wereldbank hebben de VS slechts één procent en de EU slechts zeven procent van hun quota afgeschaft.

Een belangrijke exportbelemmering ligt echter ook bij het protectionistische beleid van veel Afrikaanse landen zelf. Volgens het eerder genoemde Wereldbankrapport hadden de arme landen in 1987 drie keer zoveel quota's en andere handelsbelemmeringen als middeninkomenslanden. Na de enkele jaren geleden afgesloten Uruguayronde over handelsliberalisering hadden nog maar weinig landen daar verandering in gebracht.

Volgens James Emery van IFC ligt hierin de reden dat regionale handelsovereenkomsten in Afrika niet erg goed hebben gewerkt, wat er weer toe heeft geleid dat lokale bedrijven niet de kans kregen op regionaal niveau een exportbasis op te bouwen. ,,Kleinere landen in Afrika zijn altijd bang dat ze door grotere landen worden overlopen'', aldus Jeremy.

Gebrek aan toegang tot kredieten en technologie spelen volgens het Wereldbankrapport ook een belangrijke rol. Dat onderstreept het belang van buitenlandse investeringen en de ontwikkeling van lokale kapitaalmarkten, die tot een veel betere aanwending van financiële middelen moet leiden.

Het Afrikaanse schuldenprobleem is juist ontstaan door de sinds de jaren zeventig op gang gekomen buitenlandse geldstroom – meest hulpgeld en slechts een kwart particulier kapitaal – die zo onproductief werd aangewend, dat de Afrikaanse landen niet meer tot afbetalen in staat zijn. Volgens gegevens van het IMF liep de buitenlandse schuld van Subsahara-Afrika op van 9 miljard dollar in 1971 (14 procent van het bbp) tot 220 miljard dollar in 1997 (68 procent van het bbp). Veelzeggend is dat de productiviteit van Afrika ten zuiden van de Sahara volgens een door het IMF aangehaald cijfer tussen 1973 en 1994 jaarlijks met gemiddeld 1,3 procent is gedaald. De deze week aangekondigde schuldkwijtschelding voor Afrikaanse landen zal in elk geval een belangrijk positief effect hebben op buitenlandse (en binnenlandse) investeerders. ,,Een grote schuldenlast schrikt particuliere investeerders af, omdat ze bang zijn dat de schuld door toekomstige belastingverhogingen moet worden afbetaald'', aldus de Oegandese minister Ssendaula. Bovendien kan het negatieve betalingsbalanseffect van een grote schuldenlast de hele economie destabiliseren.

De ontwikkeling van een lokale kapitaalmarkt staat in de meeste Afrikaanse landen nog in de kinderschoenen. Emery geeft het voorbeeld van Kenia, waar pas onlangs – met hulp van IFC – een geautomatiseerd systeem voor het kopen van aandelen werd geïnstalleerd. ,,Voordien kostte het zes maanden door alle procedures – het betalen en sturen van certificaten.'' In Oeganda begon de overheid onlangs met de verkoop van schatkistpapier.

Een opmerkelijk initiatief maakte IFC vorige week bekend met de oprichting van het African Infrastructure Fund, dat met 400 miljoen dollar van verschillende aandeelhouders meteen het grootste aandelenfonds in Afrika is. De Zuid-Afrikaanse ex-president Nelson Mandela is gestrikt als voorzitter van de adviesraad. Met het aandelenkapitaal moet via andere deelnemingen en ook leningen zo'n 2,5 miljard dollar voor projecten worden gegenereerd. Betrokkenen spraken over een behoorlijk hoog te verwachten rendement van 20 procent. Gedacht wordt aan investeringen in onder meer de telecomsector, elektriciteitsopwekking, watervoorziening en havenfaciliteiten. ,,Er is in Afrika een geweldig tekort aan dit soort infrastructuur. Door slecht overheidsmanagement zijn nutsvoorzieningen in elkaar gestort. Die kloof moet worden gevuld.''

Voor Afrikaanse landen staan globalisering en de noodzaak van economische hervormingen niet meer ter discussie. ,,Het is niet een kwestie van voor of tegen globalisering, want globalisering gaat door'', zei minister Ngoran Niamen uit Ivoorkust tegen verslaggevers. ,,Gegeven het feit dat onze landen geen andere optie hebben, moeten we absoluut deelnemen in de wereldhandel en moeten daartoe maatregelen worden genomen.'' En mogelijk biedt globalisering zelfs juist onvermoede mogelijkheden, zoals de Amerikaanse econoom Clyde Prestowicz, die voor een van de invloedrijke Washingtonse denktanks werkt, tijdens een Wereldbankbijeenkomst suggereerde. Volgens hem kunnen Afrikaanse bedrijven door de ontwikkeling van het Internet in één klap toegang tot de wereldmarkt krijgen via elektronische handel.

De Oegandese minister Ssendaula, die een achtergrond heeft als bankier bij Barclays Bank, onderstreept dat schuldkwijtschelding voor de Afrikaanse landen geen enkele garantie voor economische groei geeft. ,,Het sterkste instrument dat de ontvangers van schuldkwijtschelding hebben om duurzame groei te bereiken, is hun eigen economisch beleid.''