Het onbehagen bij de vrouw

In november 1967 publiceerde De Gids een bijdrage van Joke Kool-Smit. Haar bijdrage bevatte niet alleen een analyse van de situatie waarin (getrouwde) vrouwen zich bevonden, maar ook voorstellen om te komen tot een betere man-vrouw verdeling, thuis en in de maatschappij. Deze grande dame van de tweede feministische golf in Nederland pleitte bijvoorbeeld voor werktijdverkorting.

Afgezien van het formele – kiesrecht – wilden de feministen drie dingen: dat de vrouw een vrij mens zou worden, dat ze haar potenties zoveel mogelijk zou verwerkelijken en dat ze een volwaardig lid zou worden van de maatschappij. Op geen van deze drie gebieden is het ideaal van de feministen bereikt, op geen van deze drie gebieden ook zijn vrouwen zover gekomen als theoretisch mogelijk was geweest. Ik spreek nu over vrouwen als groep.

Wat de meerderheid van de vrouwen betreft zou men kunnen zeggen dat de emancipatie in het passieve stadium is blijven steken: de mogelijkheden zijn binnen de horizon gekomen, maar daar is het dan ook bij gebleven: zij zijn net als vijftig jaar geleden huisvrouw en hebben geen verdere aspiraties. Als maatschappelijk wezen heeft de vrouw te maken met twee problemen, een probleem op de korte, en een probleem op de lange baan.

Het korte-baanprobleem is dat van de gelijke betaling en van de minimumhonorering. Ondanks vijftig jaar emancipatie, ondanks tien jaar Verdrag van Rome zijn er nog altijd bedrijfstakken waar vrouwen met gelijk of gelijkwaardig werk minder verdienen dan mannen en waar instelling van een minimumloon niet automatisch inhoudt dat dit ook voor vrouwen geldt. Maar ondanks gezucht en schijnargumenten van werkgevers en dankzij de welvaart en de hardnekkigheid van – veelal mannelijke – vakbondsonderhandelaars is dat een achterstelling die in Nederland binnen afzienbare tijd wel zal verdwijnen: het equal pay-principe is aanvaard en niemand kan het zich tegenwoordig permitteren voor reactionair te worden versleten.

Vrouwen hebben toegang gekregen tot de maatschappij, maar op een enkele uitzondering na zijn ze geconcentreerd in de lagere regionen daarvan. Nu kan ik op deze kwestie maar heel summier ingaan – evenals op vele andere –, maar men mag, geloof ik, wel stellen dat mannelijke achterdocht en vrouwelijke lusteloosheid elkaar op dit punt de hand reiken.

De werkgever beschikt over een solide argument om vrouwen uit hogere functies te weren. Hij heeft tegenover zich een werkneemster die getrouwd is of zou kunnen trouwen, en in onze maatschappij betekent dat: iemand die vandaag of morgen kan verdwijnen. Maar dat hiermee niet alles verklaard is, blijkt wel uit het feit dat ook oudere vrouwen vaak maatschappelijk in ondergeschikte posities blijven steken. Er moet zo iets zijn als een weerstand tegen vrouwen, die volgens een artikel in het Engelse weekblad The Economist in hetzelfde vlak ligt als de weerstand tegen negers. Vrouwen geven trouwens voedsel aan deze weerstand: ze lijken ongeïnteresseerd. Daarvan zijn vele voorbeelden te geven. Ik beperk mij tot de uitspraak van een charmant kantoormeisje. ,,Ik verdien goed', zei ze, ,,de mensen zijn aardig, wat wil je als vrouw nog meer?' Het frappante in deze uitspraak is dat ze haar werk buiten beschouwing laat. Datgene waar zij haar dagen mee vult laat haar kennelijk koud.

Mannen hebben een duidelijke relatie tot de maatschappij, vrouwen een onduidelijke. De sleutel tot dit verschijnsel ligt in de huidige vorm van het huwelijk. Voor de man zijn huwelijk en vaderschap maatschappelijk gezien incidenten, voor de vrouw niet. Als een man trouwt kiest hij een levenspartner, een vrouw kiest in de meeste gevallen bovendien een levenswijze, het huisvrouwschap. Anders gezegd: een man die zijn brood gaat verdienen weet waar hij aan toe is. Normaliter zal hij minstens veertig jaar in de maatschappij doorbrengen, het heeft voor hem dus zin zijn toekomst te plannen en toe te werken naar een bepaald doel.

Voor een vrouw liggen de zaken anders. Zij weet dat haar beroepsbezigheden morgen of overmogen een eind kunnen nemen, het ligt dus voor de hand dat zij denkt ,,ik zie wel' in plaats van ,,daar wil ik naar toe'. De duidelijkste slachtoffers van deze afwachtende houding zijn de vrouwen die ongetrouwd blijven; als zij tot de conclusie komen dat zij van hun werk iets dienen te maken, is het vaak al te laat.

Maar daar komt nog iets bij. Voor mannen bestaat er een enkelvoudige sociale hiërarchie. Hoeveel prestige zij genieten hangt hoofdzakelijk af van het werk dat zij verrichten.

Voor vrouwen is er een dubbele hiërarchie. De eerste reeks wordt gevormd door de trits: ongehuwde staat – gehuwde staat – moederschap. Voor een man is het maatschappelijk irrelevant of hij getrouwd is, een oudere vrijgezel heeft zelfs iets voor: van hem wordt ongezien aangenomen dat hij een opwindend leven heeft. Van een vrouw in dezelfde positie wordt ongezien aangenomen dat ze haar bestemming heeft gemist. Het huwelijk geeft de vrouw dus extra status, hoewel ze in Nederland – derde stadium – pas helemaal gearriveerd is als ze achter de kinderwagen loopt.

Het significante is nu dat een vrouw om deze gezegende staat te bereiken maatschappelijk niets hoeft te presteren. Of je het werk van je leven zult doen, hangt goeddeels af van je eigen inspanningen; of je de man van je leven zult tegenkomen, hangt goeddeels af van de omstandigheden. Daarmee is het toeval in het leven van de vrouw geïntroduceerd. Maar dat werkt nog verder door en daarbij stuiten we op de tweede vorm van hiërarchie: behalve een levenswijze en een levenspartner kiest de vrouw ten stadhuize in de meeste gevallen ook een maatschappelijk niveau. Wat voor soort leven ze zal leiden, waar ze zal wonen, over hoeveel geld ze zal kunnen beschikken, in welke kringen ze zal verkeren, voor de meeste vrouwen hangt dat af van de man met wie ze toevallig getrouwd zijn. De sociale positie van vrouwen wordt dus dubbel door mannen geconditioneerd: in de eerste plaats doordat zij er een hebben, – of niet; in de tweede plaats doordat hun status rechtstreeks afhankelijk is van de positie van hun man.

Als men deze elementaire gegevens bekijkt, is het niet verbazingwekkend dat vrouwen in ons huidige cultuurpatroon weinig ambitie tonen. Het verbazingwekkende is eerder dat men zich daarover verbaast.

Wie over het onbehagen bij de vrouw schrijft, kan het chapiter `huwelijk' niet terzijde laten. Het huwelijk is een van die instituten die blijkbaar niet door een beter functionerend equivalent te vervangen zijn. We kunnen er niet mee leven, we kunnen er ook niet buiten.

Nu heeft dit probleem natuurlijk altijd bestaan, maar er zijn, geloof ik, twee redenen waarom het huwelijk meer onder spanning staat dan vroeger. De eerste is de erotische bewustwording, de tweede hangt samen met de woningnood.

Er wordt wel eens geklaagd dat in de literatuur van tegenwoordig seks zo'n centrale plaats inneemt. De taboes zijn geslecht, zegt men dan, kunnen we nu eindelijk niet eens ergens anders over praten? Dat lijkt een al te simpele voorstelling van zaken. Volgens de recente Libelle-enquête over het Nederlandse huwelijk wensen in vierenzeventig procent van de Nederlandse huwelijken beide partners of één van hen meer voorlichting op dit gebied – en literatuur is een vorm van voorlichting.

Het andere punt betreft – indirect – de woningnood. Indirect omdat de rechtstreekse slachtoffers buiten beschouwing blijven. Het woonpatroon heeft zich sinds 1940 gewijzigd, in die zin dat bijna niemand meer zelf zijn domicilie kan bepalen. De meeste mensen krijgen op den duur een huis, maar zij hebben daarbij praktisch geen keuze: het is vrijwel onmogelijk zich te nestelen in de naaste omgeving van familie en vrienden. Dat maakt de privacy groter, maar het maakt ook dat wederzijdse hulpverlening en zo iets simpels als een geregeld praatje met een verwante ziel veel moeilijker bereikbaar zijn geworden. Gezinnen zijn dus meer op zichzelf aangewezen, en bijgevolg worden aan het contact tussen echtgenoten en aan hun onderlinge samenwerking hogere eisen gesteld dan vroeger.

Nu kan men natuurlijk zeggen dat mannen evenzeer met deze problemen te kampen hebben als vrouwen. Toch zijn er verschillen: de man trekt 's morgens de huisdeur achter zich dicht en bepaalt zijn aandacht bij andere zaken. Een vrouw heeft door de aard van haar werkzaamheden de ganse dag tijd erover te piekeren. Voor haar is het verdwijnen van de uitlaatklep van vroeger – een gewillig oor in de buurt – dus erger dan voor een man. Daarbij komt nog dat de meeste vrouwen als zij hun huwelijk niet geslaagd vinden geen alternatief hebben: als zij gaan scheiden stort hun materiële bestaan in elkaar en moeten zij al of niet gaan werken onder omstandigheden die veel ongunstiger zijn dan bij een gehuwde of ongehuwde vrouw. Zij zitten in de val: als het niet psychisch is dan toch financieel en sociaal.

Een vrouw die in de maatschappij wil blijven of daarin op den duur wenst terug te keren, moet de fatalistische lijn doorbreken en aan het plannen slaan. Want al voelt ze zichzelf nog zo fit, de maatschappij heeft weinig op met mensen die na hun veertigste helemaal opnieuw moeten beginnen. Dus is het nodig dat ze een gezinsplan maakt: zoveel kinderen en niet meer, ongeveer op die tijden geboren.

Nu heeft zij sinds kort een machtige bondgenoot: de pil. Als iemand er aanspraak op mag maken in het feministische pantheon te worden bijgezet dan is het professor Pinkus. Nu is de pil voorlopig helaas nog maar de helft van het liedje. Hij werd eind 1966 door driehonderdduizend vrouwen in Nederland gebruikt en op een totaal van achttienhonderdduizend gehuwde vrouwen in de vruchtbare leeftijd betekent dat niet zoveel. Nu zijn er natuurlijk vrouwen voor wie de pil niet relevant is, maar behalve uit deze cijfers blijkt ook uit de praktijk dat de dingen op dit gebied nog lang niet rond zijn.

Sterker: als wij ergens een ongenuanceerd feminisme nodig hebben dan is het hier. Want als er ergens sprake is van klassejustitie op grote schaal, van systematische discriminatie jegens een bepaalde bevolkingsgroep, als ergens de vrouw als een onmondig wezen wordt beschouwd, dan is het op het gebied van de abortuswetgeving.

Hiermee wil ik uiteraard niet zeggen dat naar mijn mening iedere vrouw abortus moet plegen, integendeel: deze ingreep dient een uitstervende uitwijkmogelijkheid te zijn en het aanleren van een doeltreffende anticonceptiementaliteit moet even vanzelfsprekend worden als het inpompen van de tafels van vermenigvuldiging; ik vind wel dat een vrouw de enige hoort te zijn die het recht heeft te beslissen of zij een zwangerschap wenst te onderbreken of niet. Zolang de vrouw degene is die kinderen draagt, baart en zoogt, verzorgt en grotendeels opvoedt, kortom degene die een flink stuk van haar leven in deze bezigheden investeert, hebben anderen niet het recht haar te maken tot de gevangene van hun moraal, levensbeschouwing en vooroordelen.

Het moederschap is taboe. Wie vindt dat de gangbare ideeën op dit gebied wel eens vanuit een andere gezichtshoek bekeken mogen worden, namelijk vanuit het belang van het kind, bedrijft weinig minder dan blasfemie en vindt een eensgezind en angstig front tegenover zich. Toch is er alle reden om dat te doen. Want moederschap kan positief inwerken op een vrouw, maar ook negatief. Het kan haar zelfbewuster en wijzer maken, het kan haar ook doen afglijden in gemakzucht. Een moeder staat bloot aan twee verleidingen. De verleiding haar taak gelijk te stellen met haar aspiraties, en – een stap verder – de verleiding op haar kinderen te mikken in plaats van op zichzelf.

Om opnieuw expliciet te zijn: uiteraard ben ik niet van mening dat vrouwen hun kinderen nu maar in de steek moeten laten. Ik geloof wel dat hier een probleem ligt waar vrouwen wel eens wat denkenergie aan mogen besteden. Ik geloof met name dat vrouwen wel eens bij zichzelf te rade mogen gaan en uitmaken waar hun vitale belangen liggen: in hun gezin of daarbuiten. Maar een vrouw die haar raison d'être buiten haar gezin zoekt, is verdacht. Sterker, men kan zich niet eens voorstellen dat ze bestaat. En daarmee komen we terecht bij een ander aspect van de kwestie.

In deze maatschappij nu vormen getrouwde vrouwen een dubbelzinnig soort leisure class. Want hoewel zij gemiddeld zestig uur per week bezig zijn, neemt niemand hun werken serieus. Als een grote groep vrouwen zich bewust wordt van haar rechten en plichten inzake zichzelf, dan is dat de eerste stap naar de vrijheid en naar de maatschappelijke integratie. Het enige perspectief dat ik zie is de werktijdverkorting. Als iedereen bijvoorbeeld een dertig-urige werkweek heeft, zal het voor echtparen gemakkelijker zijn kinderen te combineren met een volwaardige werkkring, dan wordt het voor vrouwen ook mogelijk een carrière op te bouwen zonder onderbrekingen.

Er zijn wel eens mensen die tegen mij zeggen: Geloof je nu heus dat vrouwen zich gelukkiger zullen voelen als ze werken en geëmancipeerd zijn? Mijn antwoord is: Daar weet ik niets van, en daar gaat het ook niet om. Men zou het werken van gehuwde vrouwen kunnen vergelijken met uitbreiding van het onderwijs. Beide stellen mensen in staat hun horizon te verbreden en meer geïnteresseerd te zijn in de wereld omdat ze over meer aanknopingspunten beschikken.

Maar dat is niet het enige. Wie geestelijk vrij is, hoeft zich niet te laten verlammen door taboes, door schuldgevoel en door materiële omstandigheden. Emancipatie en maatschappelijke integratie geven vrouwen dus de mogelijkheid ten langen leste de condition féminine te verlaten. En als vrouwen het zover brengen dat zij in de eerste plaats een mens zijn en pas in de tweede plaats een vrouw, zou dat positieve gevolgen kunnen hebben voor de relaties tussen moeders en hun kinderen. Vaders en kinderen kunnen van mening verschillen; met moeders valt over vele zaken niet te praten omdat ze geen notie hebben van de maatschappij. Zou het niet goed zijn als moeders hun kinderen meer te bieden hadden dan enkel zorgzaamheid?

Dit is de negende aflevering in een serie waarin uit alle decennia van deze eeuw een voor dat decennium bepalend artikel wordt gepubliceerd. Bovenstaande tekst is ingekort. ©Erven Joke Smit