Euro-socialisme

PRECIES ÉÉN JAAR is de Europese Unie nu in socialistische handen. De overwinning van de SPD in Duitsland twaalf maanden geleden maakte de opmars compleet. Spanje is het enige grote land waar de socialisten buitenspel staan. Maar van een `rode oktober' is geen sprake geweest.

Drie namen zijn eigenlijk al voldoende om dat duidelijk te maken: Gerhard Schröder, Lionel Jospin en Tony Blair. Schröder is de afwachtende Macher in maatpak, die kijkt hoe de anderen elkaar afmaken en pas daarna ingrijpt. Jospin is de geduldige onderwijzer, die zijn tragere leerlingen continu moet begeleiden. En Blair is de patriot op de Olympus, die met zijn ongekend retorisch talent de massa kan verdoven.

Niet alleen hun stijl verschilt, ook hun beleid heeft minder gemeen dan ze doen voorkomen. Drie cruciale bijeenkomsten en toespraken deze week illustreren dat. In Berlijn vond een Koalitionsrunde plaats. Kanselier Schröder veegde daar, na een zomer vol intern gekrakeel en soms dramatische tussentijdse verkiezingen, de suggestie onder het tapijt dat hij de Grünen als coalitiepartner zou willen lozen om te kunnen overstappen naar een `grote coalitie' met CDU/CSU. In Straatsburg kwamen de Franse socialisten voor hun parlementaire jaardagen bijeen. Premier Jospin, door zijn linkse kameraden en communistische bondgenoten in het nauw gebracht wegens zijn aanvankelijk laconieke reactie op de aangekondigde massa-ontslagen bij de goed renderende bandenfabriek Michelin, proclameerde er een `nieuwe solidariteit' tussen hart en hersens. Op het traditionele najaarscongres van de Labour Party in Bournemouth eiste Blair ondertussen het exclusieve recht op `progressiviteit' en `moraliteit' op, twee begrippen waarmee hij zich zowel van `rechts' als van `links' wil onderscheiden.

DE OORZAAK van de verschillen schuilt natuurlijk ten dele in de geschiedenis. In Duitsland liet Helmut Kohl een erfenis na die niet louter bemoedigend was. In ruil voor zijn kostbare heldendaad (de hereniging) had hij de sociale structuur van Standort Deutschland ongemoeid moeten laten. Schröder dient nu te snijden in een vastgenagelde arbeidsmarkt. Zo niet, dan zet hij de concurrentiepositie van Europa's eerste industrienatie op het spel. Na het vertrek van tweede man Lafontaine kon hij eindelijk beginnen met bezuinigen. Maar dat is in een consensus-samenleving, zoals bekend, een lange weg. Bovendien is Duitsland rijkelijk laat. Frankrijk bijvoorbeeld is al veel verder. Zoals altijd kiest Parijs voor een etatistische aanpak. Jospin is economisch gezien – de Franse economie is ingrijpender geliberaliseerd dan de Duitse en groeit dit jaar anderhalf keer zo hard – niet onsuccesvol. Maar het politieke `discours' volgt hem niet. Blair ten slotte trof, na de revolutionaire Thatcher-era, een gevulde schatkist aan die hij nu kan aanwenden voor investeringen in armoedige sectoren als onderwijs, gezondheidszorg en transport. De afgelopen twee jaar is het hem echter niet gelukt om veel resulaat te tonen. Vandaar dat hij deze week alvast de verkiezingscampagne voor een tweede regeerperiode heeft geopend.

MAAR ER IS meer aan de hand dan historische diversiteit. De sociaal-democraten aller landen hebben amper een idee over de huidige maatschappij, die veel gecompliceerder is dan honderd, vijftig of zelfs vijfentwintig jaar geleden. De technologische omwenteling in de economie heeft niet alleen de `productiekrachten', maar ook de `productieverhoudingen' gekanteld. De zogeheten `baanloze groei' (het verschijnsel dat de economie groeit terwijl het aantal banen niet evenredig toeneemt) is daarvan een uiting. Het gevolg is dat zich een zandloper-samenleving aandient. De goed geschoolden zijn schaars, de slecht geschoolden zijn overbodig. De middengroepen op hun beurt moeten continu in beweging blijven om te voorkomen dat ze door de trechter naar beneden zakken, waaruit verheffing nagenoeg onmogelijk is.

Bovendien ontwikkelt zich, met name onder jongeren, een levensritme dat in veel opzichten haaks staat op de sociaal-democratische. Hun consumentisme is, niet uit ideologische motieven maar uit welbegrepen eigenbelang, sociaal van aard. Ze willen zichzelf redden, maar verlangen ook veiligheid. De klassieke sociaal-democratische recepten – beleefd moraliserende `klassenstrijd', uitmondend in herverdeling van inkomens, sociale arrangementen en andere vangnetten – bieden in dit `digitale kapitalisme' daarom geen soelaas meer.

HET IS TE SIMPEL daarover lacherig te doen. De sociaal-democratie heeft in Europa een electorale machtspositie die haar tot een factor maakt die men niet kan negeren. Juist daarom is het pijnlijk dat de programmatische meningsvorming in die kring geen gelijke tred houdt met haar verbale retoriek. De Europese sociaal-democratie is het slachtoffer van haar eigen historisch gegroeide spagaat. Haar economische wereldbeeld was geënt op de gemeenschap, haar culturele mensbeeld op het individu. De toenemende liberalisering van het maatschappelijk verkeer noopt de sociaal-democraten nu tot een heroriëntatie. Onderwijs en nog eens onderwijs is daar een van de trefwoorden. Zijn ze daartoe niet in staat, dan zullen ze ondanks hun formele machtspositie in Europa oplossen in het grote geheel en zal een volgende generatie niet eens meer weten dat ze ooit bestaan hebben.