De angstbijter mag blijven

Met een rigoureuze verandering van de werkwijze hoopt de redactie de dertiende Grote Van Dale consistenter te hebben gemaakt dan eerdere edities, inhoudelijk en kwalitatief beter.

ECODUCT, SPARRING PARTNER, spinoff, spuitgast, informatie-infarct. Het zijn enkele van de vele duizenden begrippen en uitdrukkingen die de afgelopen jaren de burelen van Van Dale Lexicografie bereikten. Een aantal inzenders beargumenteerde waarom het woord volgens hen in de dertiende editie van de Van Dale thuishoort: omdat het voldoende ingeburgerd is, omdat men tijdens een familiefeest tot die conclusie kwam of simpelweg omdat het mooi klinkt. Ook de vele vragen en opmerkingen van lezers zijn nauwelijks te tellen. Waarom staat de uitdrukking `hun hebben' in de Van Dale - het is toch geen Algemeen Beschaafd Nederlands? De woorden `jodenfooi' en `jodenstreek' zijn discriminatoir, dus schrappen die handel! Waarom staat de wieleruitdrukking `de dood of de gladiolen' niet in het woordenboek - houdt Van Dale soms niet van sport?

Kort na het verschijnen van de twaalfde editie, in september 1992, ging de zevenkoppige redactie – twee hoofdredacteuren, vier redacteuren en een bureauredacteur – alweer op zoek naar nieuwe begrippen. Een van de hoofdredacteuren kwam een nieuw woord in een boek tegen. Een redacteur hoorde een uitdrukking in de tram. Nu eens droeg een brievenschrijver een woord aan. Dan weer dook een onbekende term op in een tv-programma.

Bureauredacteur Elska Vos maakte een keuze uit de vele suggesties; hoofdredacteuren en redacteuren voorzagen de uitverkoren woorden van een definitie. In speciaal daarvoor bestemde commentaarvelden vuurde Vos de afgelopen jaren heel wat vragen per computer op de (hoofd)redacteuren af: klopte de definitie van een woord wel? Was de formulering niet te omslachtig? Had de redacteur het Groene Boekje wel voldoende geraadpleegd? Waarom had hij geen meervoudsaanduiding ingevuld?

Lang niet alle suggesties voor de dertiende druk werden gehonoreerd; sommige waren te obscuur, te regiogebonden of te trendgevoelig. Uiteindelijk bleven er 8.800 nieuwe betekenissen en uitdrukkingen over. Stelregel bij Van Dale: als een woord drie jaar lang `regelmatig' in een groter gebied wordt gebruikt, krijgt het een verblijfsvergunning. Bij twijfel wordt Internet of de Nederlandse Pers Databank - een groot digitaal tekstarchief - geraadpleegd. Een uitzondering vormen de van overheidswege ingevoerde woorden als `studiefinanciering' - die zijn verzekerd van een lange looptijd.

De dertiende druk van de Grote Van Dale verschilt in verscheidene opzichten van de twaalfde. Een van de meest in het oog springende wijzigingen betreft de opnoemers: woorden die op hun alfabetische plaats zonder behandeling worden vermeld. Werd een woord als `benedictijnenklooster' in de twaalfde druk nog ondergebracht bij de `b', nu is het bij de `k' van `klooster' terechtgekomen, net als evenknie `norbertijnenklooster'. In de nieuwe druk kan bovendien worden opgezocht wanneer een woord als `oedipuscomplex' voor het eerst in het Nederlands werd opgetekend en wat de geaccepteerde uitspraak is.

De grootste wijziging betreft de manier waarop de dertiende `dikke van Dale' werd samengesteld. Vos: ,,De eerste tot en met de twaalfde druk werden alfabetisch gemaakt, dat wil zeggen: `letter' voor `letter' bewerkt. Bij het maken van de dertiende druk gingen wij niet uit van letters, maar van verzamelingen - alle scheikundige termen bijvoorbeeld, of samenstellingen met `bedrag'.'' Een rigoureuze ingreep, verzekert zij.

De ingreep stond al vijftien jaar op het programma, maar kon pas worden uitgevoerd nadat de digitalisering van de Grote Van Dale een feit was. Dat was in 1992 het geval, bij de presentatie van de twaalfde druk. Toevalligerwijs - of juist niet - verscheen even daarvoor een uiterst kritische beschouwing van de Utrechtse taalwetenschapper Henk Verkuyl in De Nieuwe Taalgids. In het stuk veegde hij de vloer aan met de bewerkers van het woordenboek die er volgens hem een `hapsnap strategie' op hadden nagehouden. Vooral de schaaktermen moesten het ontgelden; ze werden volgens Verkuyl verschillend gedefinieerd en waren lang niet allemaal van een voorbeeld voorzien. Ook prefereerden de samenstellers verouderde terminologie soms boven moderne begrippen. De Grote Van Dale, zo oordeelde Verkuyl, lijdt aan ,,een structurele vorm van inconsistentie, onvolledigheid en een schrikbarend onjuiste informatieverstrekking''. Ruim een decennium eerder had W.F. Hermans De Dikke in Het Parool al beschimpt als `de Bijbel voor zeurkousen'. ,,Veel oudewijvenpraat, maar nuttige inlichtingen - nee'', aldus zijn eenduidige oordeel.

Volgens hoofdredacteur Ton den Boon, die Verkuyls kritiek ,,volledig onderschrijft'', is de nieuwe aanpak inhoudelijker en is dat de kwaliteit, de consistentie en het informatiegehalte van het woordenboek ten goede gekomen. Den Boon: ,,Bij de alfabetische bewerking had de redactie weinig bewegingsvrijheid. Stel, een redacteur `doet' de dagen van de week. Als hij bij de `z' van `zaterdag' een verandering wilde doorvoeren, lagen de `m', `d', `w' en 'v' al bij de zetter. Nu worden alle dagen van de week gelijktijdig door een redacteur bewerkt.'' De nieuwe aanpak vergt aanzienlijk meer coördinatie en concentratie van de medewerkers van Van Dale. Als hulpmiddel werd na de twaalfde druk een Redactieraad in het leven geroepen, die bepaalt wie welke categorie woorden voor zijn rekening neemt. Redacteuren krijgen sindsdien instructies hoe zij te werk moeten gaan, wat mogelijke knelpunten zijn en hoe die op te lossen. ,,In het begin was het even wennen'', zegt Vos. ,,Nu ziet iedereen er het nut van in.''

De `hapsnap strategie' van voormalige Van Dale-bewerkers is volgens uitgever Rik Schutz deels terug te voeren op de ontstaansgeschiedenis van het woordenboek; oprichter J.H. Van Dale was een bovenmeester, zijn opvolgers verdienden hun sporen in het literair-wetenschappelijke circuit. Zo stak ex-hoofdredacteur C. Kruyskamp, die de Grote Van Dale nog in zijn eentje bewerkte, niet onder stoelen of banken dat hij niet van volleybal en popmuziek hield. Popmuziek was volgens hem ,,bij jeugdige en onrijpe personen in de smaak vallende hedendaagse amusementsmuziek'' en volleybal ,,een door twee ploegen van zes spelers gespeeld balspel waarmee zelfs grote mensen zich wel vermaken, bestaande in het heen en weer slaan van een bal over een net''.

Dergelijke definities komen volgens Schutz niet meer in het woordenboek voor. Voor de dertiende druk werd een tiental specialisten ingehuurd, die definities behorende tot hun vakterrein onder de loep namen. Zo boog oud-kolonel L. Verhoeff zich over de militaire termen, emeritus-hoogleraar W. Drenth over de chemische vaktaal en - saillant detail - taalwetenschapper H.J. Verkuyl over de schaaktermen. Voor de veertiende druk wil Schutz met de nationale sportbonden rond de tafel gaan zitten. ,,Het is een continuüm. Je kunt achterstallig onderhoud nooit in een dag wegwerken.''

Is er wel eens onenigheid over welke categoriëen voorrang moeten krijgen? ,,Nee'', antwoordt Schutz ,,het enthousiasme over de vele mogelijkheden overheerst.'' Ook Vos en Den Boon ontkennen dat er wel eens een onvertogen woord valt. Den Boon: ,,We hebben een bepaald Van Dale-profiel voor ogen en daar proberen wij ons aan te houden.'' Vos: ,,Niemand berijdt zijn eigen stokpaardjes.''

Wel wordt er zo af en toe flink gediscussieerd over individuele woorden. Zo droeg Ton den Boon vorig jaar het woord `angstbijter' aan: een vriendelijke hond die bijt als hij in het nauw wordt gebracht. Het kwam aanvankelijk niet door de selectie. De hoofdredacteur: ,,Ik had het gelezen in een boek van Monica van Paemel. Vervolgens kwam ik het diverse keren tegen in de Pers Databank. Mijn collega's dachten dat Van Paemel het woord zelf had verzonnen. Ten onrechte, mijn vrouw is dierenarts, zij kende het ook.'' Toch een stokpaardje? Vos, schaterlachend: ,,Ja, maar wel een arbitrair stokpaardje. Stel je voor dat zijn vrouw econoom was geweest.''