China blijft een omstreden mogendheid

Aan de vooravond van de 50ste verjaardag van de Volksrepubliek China klinkt gejubel over de voortbrengselen van het socialisme. Maar de transformatie naar politiek pluralisme moet nog beginnen en voor een grote mogendheid heeft China weinig gedaan op het gebied van multilaterale diplomatie, vrede en veiligheid, vindt Willem van Kemenade.

China viert morgen de vijftigste verjaardag van de Volksrepubliek in een atmosfeer van zelfbewieroking en bejubeling over de grote voortbrengselen van 50 jaar socialisme. Een van de dagelijks herhaalde clichés is dat `het aanzien en de macht van ons land in de wereld met de dag groeien'. Het is een cliché dat in vele kringen in de wereld, in en buiten het Westen, een gemengde ontvangst ten deel valt.

Internationale organisaties en Westerse regeringen zijn verdeeld over de vraag of een vooralsnog onvoorspelbaar China zich zal consolideren tot een stabiliserende factor voor vrede en economische ontwikkeling en beschermer van het wereldmilieu of een bedreiging van de vrede en veiligheid in Oost-Azië plus een ontwrichtende factor in de wereldeconomie zal worden. Academische instellingen zijn niet minder verdeeld en de internationale media, kerken en mensenrechtenorganisaties zijn overwegend negatief. Overgebleven maoïsten en andere revolutionairen zijn volledig ontgoocheld over China's bekering tot de `socialistische markteconomie', het soort communisme dat een fellow traveller van Wall Street en de Fortune 500 is. Ondubbelzinnige vrienden van China vindt men nog voornamelijk in het grote internationale zakenleven. De grote banken, sinds begin dit jaar geschokt door de chaos in de Chinese financiële sector, nemen daarentegen een sceptische, afwachtende houding aan.

Het is even goed mogelijk om met redelijk, goed gedocumenteerde argumenten een uiteindelijk positief beeld van 50 jaar communisme in China te schetsen als een overwegend negatief, afhankelijk van breedheid van kennis, politieke oriëntatie, smaak en nuancegevoel van de waarnemer/analist.

Om één van de meer omstreden aspecten van China te nemen, mensenrechten: China is een klasse apart en niet een land om op dezelfde manier tegenaan te trappen als tegen andere Derde Wereld-landen waar de mensenrechten worden geschonden zoals Birma, Cuba of Indonesië. Wat sociale en economische rechten betreft is het er beter, en inzake politieke rechten niet slechter.

China's diplomatieke staat van dienst over de laatste vijftig jaar als geheel is noch als duidelijk positief, noch als negatief te beschouwen. Ondanks de ongebreidelde anti-imperialistische en revolutionaire retoriek tijdens het Mao-tijdperk (1949-1976) is China geen storende, destabiliserende factor in de wereld geweest. De praktische diplomatie was doorgaans reactief of zelfs passief. Alleen als de nationale veiligheid of het staatsbelang ernstig bedreigd werden nam China rigoureuze initiatieven, zoals de interventie in Korea (1950), de grensoorlog tegen India (1959-1962) en de opening naar de Verenigde Staten als garantie tegen Sovjet-agressie in 1972. Betrekkingen met het Westen waren minimaal en solidariteit met de Derde Wereld in de vorm van royale, ongebonden ontwikkelingshulp aan Tanzania en een paar andere linkse Afrikaanse landen moest China's (toekomstige) leidersrol propageren, maar na de dood van Mao erkenden de Chinezen snel dat zij zich dit niet konden permitteren. De al onder Mao begonnen strategische samenwerking met de Verenigde Staten werd tijdens het Deng-tijdperk (1978-1992) verder geconsolideerd en als zodanig heeft China een onontbeerlijke rol gespeeld in de Sovjet-debacles in Afghanistan en Vietnam. Ongewild hebben de Chinezen zo bijgedragen aan de complete ondergang van de Sovjet-Unie, iets wat zij nu niet meer willen weten en achteraf ook heel anders zien.

Deng Xiaoping had, anders dan Mao en de meeste Sovjet-leiders, begrepen dat om een wereldmacht te worden China eerst een brede, sterke economische basis van zowel landbouw, lichte als zware industrie moest opbouwen. De diplomatie van het Deng-tijdperk stond dan ook in het teken van terughoudendheid inzake internationale politieke verantwoordelijkheden en topprioriteit voor economische ontwikkeling. China had voor alles rust en stabiliteit in binnen- en buitenland nodig om zijn onder Mao opgelopen economische achterstand op de rest van Oost-Azie in te halen. Onder Mao werd uit ideologische trots en socialistische zelfopoffering ontwikkelingshulp gegeven. Deng maakte daar een eind aan en meldde China aan bij de Wereldbank en de Aziatische Ontwikkelingsbank en haalde buitenlandse investeerders binnen. Vanaf 1989 heeft China India overtroffen als grootste ontvanger van multilaterale hulp en is het de tweede grootste ontvanger van buitenlandse investeringen in de wereld geworden.

In de Verenigde Naties was China helemaal geen storende, negatieve factor geworden, zoals bij de tumultueuze toetreding ten koste van Taiwan in 1971 gevreesd werd. Ondanks hun permanente lidmaatschap van de Veiligheidsraad met vetorecht toonden de Chinezen weinig interesse in kwesties die niet direct met China te maken hadden. In de 28 jaar van hun lidmaatschap hebben zij 22 veto's uitgesproken. Zestien waren tegen een derde ambtstermijn voor Kurt Waldheim als secretaris-generaal in 1981, omdat China vond dat er een Derde Wereld-kandidaat moest komen. Dat is achteraf misschien goed geweest voor de VN, anders hadden die wellicht het schandaal over Waldheims oorlogsverleden in 1986 over zich heen gekregen terwijl hij nog in functie was. De laatste tien jaar praktiseert China voornamelijk onthouding in de Veiligheidsraad `om zijn principiële oppositie uit te drukken zonder in de weg van de meerderheid te staan'. Eerder dit jaar gebruikte China een zeldzaam veto, namelijk tegen de verlenging van het VN vredesmacht-mandaat in Macedonië omdat dit land diplomatieke betrekkingen met Taiwan had aangeknoopt. Waarin een groot land klein kan zijn.

China's bijdrage aan het VN-budget was evenredig aan de intensiteit van zijn participatie. In 1973, twee jaar na toetreding, verzocht China zelf om zijn bijdrage van 4 naar 5,5 procent te verhogen, maar nu is die nog slechts 0,77 procent tegen 6 procent voor Frankrijk, 6,7 procent voor Rusland, 5,02 procent voor Engeland en 25 procent voor de VS. ,,China is heden ten dage een financiële nemer in plaats van een (vorm-)gever, omdat wat het krijgt van de VN in de vorm van multilaterale financiële en technische hulp verreweg overtreft wat het bijdraagt aan de reguliere en vredeshandhavingsbudgetten van de VN'', schrijft Samuel Kim in een hoofdstuk over China en de VN in het pas verschenen boek China Joins The World: Progress and Prospects. China heeft dezelfde `mini-maxi' houding tegenover de internationale wapencontrole-regimes: minimale, aarzelende participatie, gebaseerd op een mengsel van ideologisch verzet en unilateraal nationaal belang, maar maximaal profijt in de vorm van technologie en imageverbetering. Onwillig om hun kernwapen-programma te bevriezen kwamen de Chinezen in 1996 met het idee om `vreedzame kernwapens' te ontwikkelen als verdediging van de aarde tegen rondvliegende meteorieten uit het heelal.

Mensenrechten waren in de jaren tachtig nauwelijks een punt in China's relaties met het Westen, terwijl de schendingen veel ernstiger waren dan nu. China was een partner in de Amerikaanse containment van de Sovjet-Unie en daarom waren er twee standaarden, een harde voor de Russen en een zachte voor de Chinezen. Na de bloedige gebeurtenissen van juni 1989 begon voor China de `harde standaard' te gelden en tegenoffensieven daartegen zijn een van de belangrijkste arena's van de Chinese diplomatie in de jaren negentig geworden. Beroep op totale soevereiniteit en verwerping van inmenging in de binnenlandse aangelegenheden waren de twee clichés waarmee Chinese diplomaten hun Westerse belagers uitputten. De Chinese tegenoffensieven zijn effectief geweest, want geen enkele keer is het de Westerse landen gelukt een meerderheid ter veroordeling van China te krijgen in de Mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties in Genève. Een aantal Derde Wereld-lidstaten van de commissie willen daar sowieso niet aan vanwege hun eigen mensenrechtenproblemen en volgens Samuel Kim heeft China een aantal twijfelaars aan zijn zijde gebracht met `hulp-projecten'.

De andere twee hoofd-arena's in China's strijdbare diplomatie van de jaren negentig zijn Taiwan en de Amerikaans-Chinese betrekkingen. China gebruikt de VN en al zijn multilaterale en bilaterale relaties om de resterende internationale positie van Taiwan als erkende staat te ondermijnen. Dat betekent de kleine landen in Centraal Amerika en Afrika en de reeks mini- en micro-staatjes in de Caraïbische Zee en de Stille Oceaan, in totaal 27, waarmee Taiwan tegen betaling nog diplomatieke betrekkingen onderhoudt door een combinatie van pressie, vleierij en dollar-diplomatie naar de Chinese kant van de Straat van Taiwan te halen. Dit is een van de topprioriteiten van de Chinese diplomatie, waarmee zich talrijke ambassadeurs en zelfs de hoogste echelons van de staatshiërarchie bezighouden. In de Straat van Taiwan bestaat een permanente (potentiële) crisissituatie, maar dat het ondanks dreigementen en manoeuvres tot een oorlog zal komen is zeer onwaarschijnlijk. China heeft zijn andere koloniale erfenissen, Hongkong en Macao, met groot geduld door middel van onderhandelingen geregeld. Portugal zal op 20 december na 442 jaar bestuur met een groot feest Macao overdragen. Vergeleken met Indonesië dat door eigen miskleunen onherstelbare schade aan de Portugese koloniale erfenis heeft opgelopen, is China zeer te benijden.

Een van de hoofdverantwoordelijken voor de eeuwige Taiwan-impasse zijn de Verenigde Staten, maar het is niet de kwestie-Taiwan – als element in de Chinees-Amerikaanse betrekkingen – die de Chinese leiders obsedeert. Het is de unipolaire wereld onder Amerikaanse hegemonie die de Chinezen het meest kwelt. De angst en frustratie over de Amerikaanse oppermacht hebben de Chinezen gemeen met Rusland en India en het gaat zover dat in de drie landen stemmen opgaan om een coalitie te vormen tegen Washingtons arrogante unilateralisme. `Als Rusland nog sterk was zouden de Amerikanen zich niet zo durven gedragen', is een veel gehoord geluid in China. Zij wijten de val van Rusland niet aan de decennialange militaire overstretch van het Sovjet-imperium of de mega-corruptie van de nieuwe oligarchen, maar aan de Amerikanen ,,die Gorbatsjov dwongen om Westerse mensenrechten en democratie in te voeren. Zij proberen dezelfde druk op ons uit te oefenen, maar wij zullen niet zwichten. China zal zich teweerstellen tegen de ondermijnende invloed van Westerse mensenrechten en democratie en sterk blijven'', vertelde een 35-jarige MBA-student mij dezer dagen, daarmee de communis opinio van het politieke establishment uitdrukkend.

Behalve selectieve en terughoudende participatie in het internationale systeem is angst dus ook een inherent bestanddeel van China's buitenlandse – en binnenlandse – politiek. Angst, niet zozeer voor de ontzagwekkende militaire macht van de VS, maar voor de overweldigende attractie die het Amerikaanse sociaal-culturele model van coolness, ongebreidelde vrijheid, Internet, permanente innovatie, superieur ondernemerschap, flamboyante popcultuur, Wall Street, Fortune 500, Hollywood etcetera op de jongere generatie in China heeft. China's sociaal-economische transformatie is pas halverwege en de veel riskantere politieke transformatie naar politiek pluralisme, de rechtsstaat en wellicht op langere termijn democratie, moet nog beginnen.

Bestaat er een doortrapt Amerikaans plan om China tijdens deze monumentale overgang te destabiliseren en tot de Russische chaos te degraderen, vraagt de oudere generatie zich af. Die paranoïa bereikte haar hoogtepunt na het NAVO-bombardement op de Chinese ambassade in Belgrado, maar steekt telkens opnieuw de kop op. De vraag is dan ook of China's zelfbeeld van een vooralsnog tamelijk zwakke, maar snel opkomende grote mogendheid die meer respect verdient van de andere grote mogendheden, juist is. Een grote mogendheid is pro-actief, niet reactief en geeft leiding. Dat heeft China nog uiterst weinig gedaan, zeker op de gebieden van multilaterale diplomatie, vrede en veiligheid.

China's economische ontwikkeling van de laatste twintig jaar is een ander verhaal. China heeft de afgelopen twintig jaar de grootste boom in de wereldgeschiedenis beleefd. In 1979 waren de BNP's van China en India ongeveer gelijk en in 1997 bedroeg dat van China 1,055 miljard dollar en dat van India 357 miljard dollar, een derde, terwijl India 75 procent van de bevolking van China heeft. Niettemin doet Gerald Segal, een van de felste China-critici ter wereld in het huidige nummer van Foreign Affairs (Does China Matter?) een rigoureuze, maar misplaatste poging om China's economisch gewicht te denigreren en op één lijn te plaatsen met dat van India en Brazilië. Inderdaad, China is in dollar-termen de zevende grootste economie in de wereld, kleiner dan Italië en niemand ziet Italië als een huidige of toekomstige economische supermacht. Men moet echter ook naar trends kijken. In China kwam er van 1996 op 1997 bijna 150 miljard dollar bij en in Italië slechts 20 miljard. In Japan ging er daarentegen 300 miljard dollar vanaf. Strikt genomen moet men bij de economie van China die van Hong Kong tellen en dan is zij groter dan Engeland en Italië.

Segal zet uiteen dat de westerse exporten naar China laag zijn maar de totaal-cijfers van de buitenlandse handel laat hij weg want dat strookt niet met zijn stelling dat China er niet méér toe doet dan India. De Chinese buitenlandse handel in 1998 bedroeg 325 miljard dollar en die van India slechts 80 miljard dollar. Op de ranglijst van grote economieën staat India nummer 15, na Rusland. De gemiddelde economische groei van China in de jaren negentig was 10 procent, die van India 4,3 procent en die van Rusland min 7,9 procent. Toch slaat Segal aan het eind van zijn tirade helemaal door wanneer hij stelt dat China in de westerse verbeelding tot kleinere proporties moet worden teruggebracht en als een normale middelgrote macht zoals India en Brazilië moet worden behandeld. Er bestaat geen twijfel over dat China in kwantitatieve termen de komende decennia tot een economisch grote mogendheid zal uitgroeien en op langere termijn zal het vrijwel zeker de tweede supermacht na de Verenigde Staten worden.

Wat voor soort supermacht, een coöperatieve, interdependente, pro-actieve leider, een humeurige, onvoorspelbare hegemonie of een andere variant, dat zal een van de grote onzekere factoren van de 21e eeuw worden.

Willem van Kemenade is voormalig correspondent van NRC Handelsblad in Peking.