Meisjesbillen

György Konrád bekeek Amsterdam voor ons. Van zijn hand verscheen zo'n kleine, lieflijke ode aan deze stad, dat al het andere even in het niet valt. Zijn Oost-Europese ogen zagen fietsende meisjesbillen, stevige blonde moeders en kinderen, `sterk en compact, als oude kazen'. Ze zagen een stad die opvalt `door haar vermogen overdag een mier, 's avonds een krekel te zijn'. En ze zagen vooral rustige, ongedwongen mensen. `Het begrip `nationale vloek' is hun onbekend. Vóór hen de zee, achter hen het twijfelachtige Europa. Duitsers? Russen? Op wie zouden ze vertrouwen, behalve op zichzelf?'

In Boedapest hadden we gemijmerd over het verre Amsterdam, en over wat ons er het eerste opvalt. `De orde, met dat dunne laagje anarchisme.' `Geen tegel zit er scheef.' `De bontheid, de talen.' `Ze zijn zo groot, vooral de jongeren!' `Die enorme welvarende lichamen die je overal ziet.' `En hun tanden, hun tanden, zo mooi en sterk!'

Laat een tafel Oost-Europeanen familiegeschiedenissen vertellen, en een tafel Nederlanders. Ekhardt, als kind meegedeporteerd naar een Russisch werkkamp. Inge, drie bombardementen overleefd. Veronica, twee kinderen, zeven abortussen. Iris, van ingenieur naar stalknecht. De Nederlanders: een aardgasbel in 1960, een vrije zaterdag in 1961, lonen die vanaf 1963 almaar omhoog schoten, auto's, wasautomaten, vakanties, iedere dag vlees, centraal verwarmde kinderen.

Ik sta bij de kaasboer en hoor een van die mooie meisjes van Konrád naast me zeggen: ,,Ik wil 's wild experimenteren met pastrami en pijnboompitten.''

We hebben veel bereikt.