Liberale gasmarkt kost kapitalen

Liberalisering van de gassector levert de consument wellicht voordelen op, maar de staatskas lijdt. De Rekenkamer becijfert een derving van misschien wel meer dan 2 miljard gulden per jaar.

Nederland kent geen honger en armoede meer sinds de vondst van aardgas, zo zei neo-politicus Willem van Kooten van Leefbaar Nederland deze week nog in Vrij Nederland. En gisteren werd de ontdekking van de gasbel onder Slochteren in 1959 in deze krant geëerd als een van de Mijlpalen van de Twintigste Eeuw. Het zorgvuldig opgebouwde `gasgebouw', waarin twee grote oliemaatschappijen (Shell en Esso) en de Nederlandse staat elkaar decennialang vonden in gezamenlijk eigenbelang, is in de volksmond synoniem voor welvaart.

Maar met de door het kabinet voorgenomen liberalisering van de gasmarkt staat dat Nederlandse `gasgebouw' onder druk. Wat betekent dat voor onze welvaart? De Algemene Rekenkamer onderzocht de afgelopen maanden welke gevolgen de liberalisering van de gassector voor de schatkist heeft.

Zeker is dat bijna-monopolist Gasunie (Esso, Shell en de Staat) – distributeur van het gas en eigenaar van de meeste pijpleidingen – marktaandeel zal verliezen en maar moet afwachten hoeveel omzetcompensatie zij krijgt door hogere export. De staat zal hoogstwaarschijnlijk minder inkomsten krijgen.

Het is niet alleen de marktpositie van de Gasunie die onder druk staat. Ook de groei van het internationale gasaanbod en de daaruit volgende lagere prijzen zullen vermoedelijk negatief uitpakken voor de schatkist. De Rekenkamer verwacht dan ook dat de liberalisering ,,aanzienlijke negatieve financiële gevolgen zal hebben voor de Rijksbegroting''.

Hoe negatief – dat heeft de Rekenkamer proberen te becijferen met behulp van eigen rekenmodellen. Als meest reële scenario gaat de Rekenkamer uit van een verlies van binnenlands marktaandeel voor Gasunie van 20 procent, terwijl de prijzen met 10 procent zullen dalen. Het verlies voor de staat zal dan volgens onderzoeksleider drs J. van Dam, uitgaande van het huidige jaargemiddelde van ongeveer 9 miljard gulden, uitkomen op ,,enkele honderden miljoenen tot anderhalf miljard gulden''. Die marge hangt af van de vraag of de Gasunie een deel van het binnenlandse verlies kan compenseren met export. Ook is het afhankelijk van de vraag of het binnenlandse marktverlies geleden wordt bij grootverbruikers of bij de kleine consumenten.

Het kan volgens de Rekenkamer nog erger. Bij prijsdalingen van 20 procent verliest de Staat 2,2 miljard gulden, als tenminste sprake is van compensatie door exportgroei. Is dat ook niet het geval, dan derft de Staat in ,,een ruwe schatting'' van Van Dam 3 tot 3,5 miljard gulden. Dit heeft te maken met het feit dat de aardgasbaten in Nederland vooral gebaseerd zijn op heffingen op de productie van aardgas in eigen land. Geïmporteerd gas wordt veel minder belast.

Minister Jorritsma van Economische Zaken lijkt vooralsnog niet gevoelig voor de argumenten van de Rekenkamer. In een in het rapport opgenomen reactie acht de minister een stelselwijziging ,,niet wenselijk en ook niet mogelijk'', omdat dit niet past bij een liberale markt en omdat Nederland alleen het gas uit de eigen grond extra kan belasten. Ze ondersteunt dat argument met een verwijzing naar een studie van Gaffney, Cline & Associates. Daaruit blijkt dat Nederland ,,met zijn mijnbouwklimaat en afdrachtregime tot de aantrekkelijkste landen behoort''.

Ja, zegt de Rekenkamer fijntjes: die aantrekkelijkheid heeft betrekking op de ,,de producenten en niet op de (baten voor) de staat''.

De discussie tussen minister en Rekenkamer levert nog andere interessante zaken op: zo verdedigt Jorritsma zich met het argument dat het verlies aan inkomsten ,,voornamelijk een exogeen karakter'' heeft als gevolg van Europese richtlijnen die Nederland dwingen tot liberalisering. Dat is maar ten dele waar, stelt de Rekenkamer. Jorritsma heeft immers zelf gekozen voor een volledige vrijmaking van de gasmarkt in 2007, terwijl volgens de richtlijn kan worden volstaan met 33 procent van de markt.

Een andere grote bedreiging voor het Nederlandse `gasgebouw' door de liberalisering heeft de Rekenkamer niet doorgerekend, zo geeft Van Dam toe. Het in Nederland gebruikte aardgas is van `Slochteren-kwaliteit', lange tijd een internationale standaard. Maar volgens marktpartijen komt daar verandering in. Zeker grote afnemers hebben de laatste jaren behoefte aan hoogwaardiger highcal-gas. Bij het daadwerkelijk opengooien van de markten zou die ontwikkeling tot een veel groter marktverlies voor Gasunie kunnen leiden dan de nu geraamde 20 procent. ,,Het hoort bij de risico's van liberalisering'', zegt Van Dam: ,,Het geeft maar weer aan hoe groot de risico's voor de Staat zijn als Gasunie instort.''