KNMI: Nederlands weer wordt warmer en natter

Het weer verandert, maar niet noodzakelijkerwijs als gevolg van het zogenoemde `broeikaseffect'. El Niño doet zich hier wel voelen.

Het `jaargemiddelde' van het weer in Nederland is de laatste twee decennia ongewoon warm en nat. Het jaargemiddelde van de temperatuur lag de laatste twintig jaar 0,7 graad hoger dan bij het begin van de eeuw. De winters zijn ongeveer één graad warmer. Tegelijk werden ze een stuk natter. Alle winters in De Bilt met meer dan 500 millimeter regen kwamen na 1960 voor. Opmerkelijk is ook dat het steeds vaker in de winter onweert. Er is een logische samenhang tussen de verschijnselen.

Dat constateert het KNMI in zijn derde klimaatrapport dat vandaag is uitgebracht. Het rapport biedt in hoofdlijnen een bevestiging van de conclusies die ook al in het rapport van 1996 waren getrokken. Er is geen enkel bewijs dat de waargenomen klimaatverandering een gevolg is van het broeikaseffect. De kans is heel groot dat ze alleen maar een vorm van `gewone' natuurlijke variabiliteit is. Wel zijn de veranderingen in overeenstemming met wat doorgaans van het broeikaseffect voor Nederland wordt voorspeld.

De waargenomen trend is zowel aan de hand van waarnemingen in Nederland als die boven de Atlantische Oceaan terug te voeren op het vóórkomen van grotere en hardnekkiger aanhoudende luchtdrukverschillen tussen IJsland en de Azoren. De variaties in het drukverschil tussen de overwegend lage druk boven IJsland en hoge druk boven de Azoren (de zogenoemde Noord-Atlantische Oscillatie) zijn grillig. Sommige onderzoekers menen dat de afwijkend grote drukverschillen van de laatste tijd een gevolg zijn van het broeikaseffect. Het KNMI schrijft de afwijkingen vooralsnog liever toe aan natuurlijke variabiliteit.

In het laatste geval mag worden aangenomen dat de drukverschillen boven de oceaan binnen een paar jaar ook weer eens lange tijd geringer worden. Dan stijgt de kans op gewone koude winters. De kans op het optreden van hevige koudegolven is tegenwoordig overigens niet minder dan vroeger. Dat de grote rivieren nog snel dichtvriezen is niet waarschijnlijk. De jaargemiddelde temperatuur van de Rijn steeg de afgelopen eeuw met ongeveer 3,5 graad, voornamelijk als gevolg van industriële lozingen. Het aantal dagen per jaar dat er ijs ligt op de IJssel komt al bijna veertig jaar nooit meer boven de tien. Eind vorige eeuw was het nog geregeld meer dan vijftig. Het oppervlaktewater van de Noordzee is de laatste vijftien jaar gemiddeld ongeveer een graad warmer dan voorheen.

In een opmerkelijke paragraaf toont het KNMI ongerustheid over de consistentie in zijn lange meetreeksen aan temperatuur en neerslag. De temperatuurmetingen rond het instituut vonden de afgelopen eeuw vanaf nogal verschillende posities plaats. Ook veranderde de methode (meethoogte niet 2,2 maar 1,5 meter) en kwam het KNMI zowel tussen hoge bomen als een snel verstedelijkende omgeving te liggen. De waargenomen trends in de temperatuur kunnen daardoor voor een klein deel kunstmatig zijn. Overigens wordt door het Intergouvernementele Panel voor Klimaatverandering bij de bepaling van de gemiddelde oppervlaktetemperatuur van de gehele aarde voor deze effecten gecorrigeerd. Het KNMI schaart zich achter de conclusie van het IPCC dat de mondiale trend wél wijst op een broeikaseffect.

Voor het eerst is het afgelopen jaar ook een relatie gevonden tussen het weer in Nederland en het voorkomen van het klimatologisch fenomeen El Niño rond de Grote Oceaan.

El Niño's leiden in Nederland tot meer regenval in de lente.