Johanna ter Steege

In een reeks profielen van gezichtsbepalende sterren deze week Johanna ter Steege, de actrice die op haar best is als complement van de Hollandse duinen en nu in `Een vrouw van het noorden' speelt.

Hoogblond haar, blauwe ogen, een neusje zo fijn als een opperdoes, een bleke huid waarop sproetjes en rode konen goed uitkomen: Nederlandser dan Johanna ter Steege kan een actrice niet zijn. En niet alleen uiterlijk is ze de Hollandse Maagd ten top: in ieder vraaggesprek memoreert Ter Steege (of de interviewster) hoe goed ze aan het maaiveld is aangepast. `Bescheiden' noemt ze zichzelf deze maand in het omslagartikel van Opzij, `nuchter' heette ze vier jaar geleden in de Volkskrant; en in 1997 formuleerde ze in Elle haar credo: `Werken voor de dingen die je wilt.'

Het ligt allemaal, zo verzekert ze, aan haar opvoeding. Geboren op 10 mei 1961 in een gereformeerde gemeenschap in Twente, als dochter van een keukenverkoper, kreeg ze de calvinistische nederigheid met de paplepel ingegoten. Maar haar roeping was het theater, hoezeer dat haar ouders ook tegen de borst stootte. Ze deed de toneelschool in Arnhem, stond op de planken bij De Trust, en werd in 1988 in één klap een beroemd gezicht toen George Sluizer haar uitkoos voor zijn verfilming van Het gouden ei van Tim Krabbé. Spoorloos, waarin Ter Steege als de verdwenen geliefde van de hoofdpersoon een ontwapenend naturel aan de dag legde, werd een groot succes en plaveide Ter Steeges weg naar de internationale cinema. In de jaren erna speelde ze onder beroemde regisseurs als Robert Altman (Vincent & Theo), Isztvan Szabo (Meeting Venus, Sweet Emma Dear Böbe) en Bruce Beresford (Paradise Road).

Sweet Emma, Dear Böbe had (Europees) succes, en J'entends plus la guitare van Philippe Garrel (1991) deed haar goed uitkomen als de Velvet Underground-zangeres Nico; maar de meeste films waarin Ter Steege speelde waren op de een of andere manier middelmatig. Zo ook de recente Rembrandt van Charles Matton, waarin Ter Steege verkeerd gecast is als de rubensiaanse Saskia Uylenburgh, en Frans Weisz' Couperus-verfilming Een vrouw van het Noorden, waarin ze nogal bloedeloos te zien is als een laaglandse maagd in Toscane. `Star quality' heeft Johanna ter Steege evenmin als sterallures – wat haar onderscheidt van collega's als Monique van de Ven, Famke Janssen en zelfs Willeke van Ammelrooy. Maar dat ze hartveroverend kan zijn en briljant kan acteren, bewees ze vier jaar geleden in Heddy Honigmanns overspeldrama Tot ziens, een film die net zo Hollands was als Ter Steege zelf. Want zo is ze op haar best: als complement van de blonde duinen, een weiland met holsteiners, een omafiets op een Amsterdamse brug, een koek-en-zopie op ijs. Ach, leefde Bert Haanstra nog maar.