In flagranti

Een vriendje van heel vroeger had verkering met de dochter van een doodgraver. Het was een beeldschoon kind met een meisjeskamer die uitkeek op de dodenakker van haar vader. Ze hoorde dan ook goed `het ploffen van de kluiten', als haar vader voor haar dagelijks brood aan het graven was. Der Tod und das Mädchen.

In het begin was hun liefde platonisch, maar aangezien ik danig aan het opscheppen was over mijn geheel op de praktijk gerichte erotische avonturen en tot in de details kon uitleggen wat die voor zinsgenot opleverden, wilde hij nu eindelijk ook wel eens tot de daad overgaan.

Die mogelijkheid diende zich gelukkig maar al te gauw aan, want de doodgraver en zijn vrouw gingen voor drie dagen naar de Expo in Brussel en lieten hun enigst kind alleen achter.

Ouders weg en mijn vriend hun bed in, want zijn vriendin wilde na al dat hemelse gezever nu eindelijk wel eens flink aan de slag. O, gouden tijd van de jeugd waarin de liefde zoveel overdaad in de aanbieding heeft. Je kunt er niet genoeg van krijgen. Een precies daardoor ging er bij ons tweetal iets mis, want de ouders kwamen een dag eerder uit Brussel terug. Er bleek in Groningen een tehuis voor daklozen in brand te zijn gestoken en er was voor vader doodgraver werk aan de winkel.

Sleutel in het slot. Julia duwt mijn spiernaakte vriend een kast in. Kleren onder het bed. Ziezo, niets te zien. De ouders gaan eerst een kijkje nemen in haar kamer en vinden haar later in hun eigen bed. Ontroering, Begrijpelijk dat ze in hun bed lag, ze had hen immers danig gemist nietwaar? Moeders zien alles, vooral een paar stevige, bemodderde Groningse grote jongensmolières die midden in de slaapkamer staan. Ze loopt naar de klerenkast en daarin staat met toegeknepen ogen van: ik sta hier niet, mijn vriend zijn handen voor zijn, ondanks de schrik, nog niet helemaal tot bedaren gekomen manlijkheid. Moeder sluit vol afgrijzen de kast af, neemt de sleutel mee en de volgende dag wordt de vaste verkeringsdatum door de doodgraver vastgesteld. Ja, ja, zo komen de snoepers van pas.

Maar nu ik, met al mijn opschepperij. In diezelfde tijd was ik ernstig in de ban geraakt van een Gronings meisje. Dat ging zo ver, dat ik het liefst zo vaak en zo veel mogelijk in haar nabijheid was, dus deden we het waar zich ook maar een plek of plaatsje aandiende.

Tijdens een groot en deftig feest bij haar ouders komen er zoveel gasten, dat een zijkamertje als garderobe dienst moet doen. In een warboel van hoeden, sjaals en jassen vallen we neer. Even later, deur open. Tante en oom komen hun kleren zoeken. Mijn meisje duikt beschaamd weg en ik pak een hoed die ik, alsof hij er voor geschapen is, op dat deel van mijn lichaam zet, waardoor in hoge mate mijn leven werd beheerst. Koest in je mand! Terwijl oom tante in haar mantel helpt zoeken zijn ogen zijn hoed. En ja hoor, precies. Vliegensvlug verwissel ik hem voor een dameshoed: en die is dan van mij, zegt tante met een zoete glimlach.

Veel later, mijn verkering is dan al lang over, kom ik oom wel eens tegen en hij verzuimt nooit, met een onbewogen gezicht, zijn hoed voor mij af te nemen.

Vannacht droomde ik dat ik samen met Rudi van Dantzig een pas de deux uitvoerde in het Zwanenmeer. Bevallig liet ik me de ene lift na de andere welgevallen. Ik huppelde en zweefde als een sierlijke watervogel over het toneel van de Stadsschouwburg van Amsterdam. Een heerlijke droom waarbij ik me in het geheel niet gehinderd voelde door mijn honderd kilo netto schoon aan de haak. Dat verheerlijkte gezicht van Van Dantzig als hij me weer een zetje de lucht in gaf, terwijl Hans van Maanen jaloers vanuit de manteau toekeek.

Toch heb ik ooit balletles genoten. Ik was weliswaar geen ballettype maar nog wel jong, lenig en slank. Die lessen volgde ik op een Musikhochschule in Duitsland waar ik voor operaregisseur leerde en die een onderdeel vormden van de opleiding. Zo kreeg ik ook schermles maar daar werd ik al gauw van vrijgesteld, omdat ik zo op de lachspieren van mijn medeleerlingen werkte dat ze geen floret meer konden uitsteken en ook de Fechtmeister de slappe lach kreeg. Toch gooi ik er tot op de dag van vandaag zonder probleem een attaque, een arret of een lekkere riposte tegenaan.

De lerares waar ik dadelijk verliefd op werd heette miss Handley. Beeldschoon en een paar jaar ouder dan ik. Ze zag natuurlijk wel dat die magere hark, die tweemaal per week in een tricot voor haar moest verschijnen, geen geboren Nijinsky was, maar omdat ze ook hartstikke gek op mij werd maakte de liefde haar blind en vertrouwde ze mij met grote stelligheid toe dat ik talent had. Ik droomde zo hardop van haar dat ik er wakker van werd. Reikhalzend keek ik naar iedere les uit en voor miss Handley bestonden de andere leerlingen, allemaal sufferds, absoluut niet. Engels als ze was werd elke les door Frau Knapstein van de mensa onderbroken met een grote kan thee, want voor miss Handley gold: geen thee, geen les.

Wat een enig mens, die Handley. Maillol-figuur. Wollig, zacht en behoorlijk uit de kluiten gewassen. Wat kon dat mens lachen, heus niet zo'n balletmeesteres bij wie in Petersburg bij het oversteken het licht van rood ogenblikkelijk op groen springt.

Ik sta aan de bar in de balletstudio. Miss Handley achter me. Wij kijken in de spiegel naar elkaar. Ik voel haar warme adem. Met beide handen omvat ze mijn middel. Ik moet me ontspannen zegt ze. Mijn houding is niet in orde. Het ligt aan mijn rug, daar zit een kuil in en mijn buik staat te ver naar voren. Mijn buik? Ik heb helemaal nog geen buik. Dit kan miss Handley niet tijdens de algemene lessen oplossen. Ik moet nablijven voor bijles. Bijles, bijles, daar ben ik al weken aan toe en zo te zien miss Handley ook. We huiveren alle twee in de benauwde balletstudio.

Iedereen weg en ogenblikkelijk het licht uit. Geen getreuzel meer, haastig aan het werk met de fanatieke ritssluitingen van onze tricots. Lieve deugd miss Handley, wat heb je daar al die tijd voor me verborgen gehouden.

Deur open. Licht aan. Daar staat ze met haar theekan Frau Knapstein van de mensa. Möchten sie noch eine Tasse Tee Fräulein Handley?