Handgemeen om `film noir'

De laatste speelfilm die tijdens het negentiende Nederlands Film Festival in première ging, was de enige van de negentien fictieproducties die strijden om het vrijdagavond uit te reiken Gouden Kalf voor beste speelfilm, die enig rumoer wist te bewerkstelligen. Maar dat was niet omdat Dorna X. van Rouveroys An Amsterdam Tale op grond van zijn artistieke kwaliteiten imponeerde. In tegendeel, de film werd onderwerp van het gesprek van de dag toen bleek dat er een handgemeen was ontstaan tussen producent Ruud den Drijver en GPD-journalist Pieter van Lierop. Den Drijver was niet geporteerd van de samenvatting van de film die Van Lierop in het Utrechts Nieuwsblad had gegeven: `een als onhandige `film noir' vermomde commercial voor Yab Yum.'

In haar eerste film sinds de mislukte poging om met Intensive Care (1992) een Nederlandse horrorfilm te maken, probeert De Rouveroy wederom de Nederlandse cinema met een genrefilm te verrijken. Een film noir inderdaad, dat moet de van pseudo-Raymond Chandler-wijsheden uitpuilende voice-over van hoofdpersoon Benny (Joe Maruzzo) in ieder geval suggereren. Maar noch zijn morele verval, noch de rol die de tegendraadse femme fatale Charley (Ellen ten Damme) daarin speelt, is overtuigend gedramatiseerd. De setting van een luxe bordeel in Amsterdam lijkt een goed excuus om veel blote meisjes in kwieke bh-tjes door het beeld te laten dartelen en de geheel Engels gesproken dialogen doen nogal potsierlijk aan.

De beste films van het competitieprogramma waren dit jaar niet bij de speelfilms te vinden. Het zondag terecht met een Gouden Kalf voor beste korte film bekroonde Metro van Eric Steegstra is een hartveroverend filmisch marionettentheater over vandalen en feestvierders na afloop van een voetbalwedstrijd. Steegstra, die zo'n beetje in zijn eentje verantwoordelijk was voor regie, scenario, camera, artdirection en montage creëerde een wereld van luciferdoosjes en ribbeltjeskarton die dankzij de technische beheersing van geluid, licht en compositie levensgroot en indrukwekkend werd. Maar ook de voor hetzelfde Gouden Kalf genomineerde Marc de Cloe bevestigde wederom zijn naam als een van de oorspronkelijkste Nederlandse filmtalenten van dit moment. Hij baseerde Moët and Chandon op het gedicht `may I feel said he' van e.e. cummings en maakte er een prachtige paringsdans van tussen een serveerster (Thekla Reuten) en een achtergebleven bruidegom (Jaap Spijkers) die de dichtregels uitspraken (in het Engels, en overtuigender dan enige andere collega die zich in een van de op het festival vertoonde films van die taal bediende) alsof de Cloe zelf ze improviserenderwijs voor zijn film had bedacht.

    • Dana Linssen