Een week wereld

MET AAN ZELFGENOEGZAAMHEID grenzende tevredenheid hebben de financiële en monetaire kopstukken in de wereld elkaar deze week gefeliciteerd met de resultaten van hun inspanningen van het afgelopen jaar. Bankiers en autoriteiten, verzameld op de jaarmarkt in Washington van het Internationale Monetaire Fonds en de Wereldbank, waren het roerend met elkaar eens dat de wereldeconomie er aanmerkelijk beter voorstaat dan een jaar geleden. ,,We hebben de wind weer in de rug en ik zie heel wat vrolijker gezichten dan vorig jaar'', zei een Nederlandse topbankier en daarmee vatte hij de stemming treffend samen.

De jaarvergadering van het IMF en de Wereldbank was in 1998 in paniek. De Aziatische crisis was niet onder controle, besmetting naar andere landen dreigde. In de zomer had Rusland zijn binnenlandse en buitenlandse schulden waardeloos verklaard. Korte tijd later ging een groot Amerikaans beleggingsfonds bijna bankroet. Er werd gewaarschuwd voor het gevaar van vraaguitval en wereldwijde deflatie, een spiraal van dalende prijzen. Vooraanstaande bankiers verklaarden het einde van het kapitalisme nabij.

EEN SERIE maatregelen heeft de crisissfeer doen verdwijnen. De Amerikaanse centrale bank reageerde met een agressieve rentedaling, na enige aarzeling gevolgd door de Europese centrale banken. Op Amerikaans initiatief ontwierp het IMF nieuwe reddingsmechanismen, en hoewel begin dit jaar Brazilië in een financiële crisis belandde, bleven verdere schokken achterwege. De kracht van de Amerikaanse economie trok de wereld langs de rand van de afgrond. De Aziatische landen veerden op, Latijns Amerika viel minder diep dan werd gevreesd. In Europa trokken de meeste economieën aan – Duitsland en Italië uitgezonderd – of groeiden uitbundig verder met de hulp van een tijdelijk zwakke euro. Deflatie was een gepasseerd station, er klonken weer vertrouwde zorgen over inflatie.

In vrijwel alle opzichten zijn de vooruitzichten voor de wereldeconomie verbeterd. Ironisch genoeg wordt de internationale financiële stabiliteit niet langer in de eerste plaats bedreigd door wilde koersdalingen of door zinkende `opkomende landen', maar door wat er gebeurt op de Amerikaanse effectenbeurs. De feestkoersen van Wall Street hebben de consumentenbestedingen in Amerika opgejaagd en als de koersen plotseling drastisch dalen – meer dan de tien procent van de afgelopen twee weken – zal dat ontwrichtende effecten hebben. Niet alleen in de VS, maar ook elders in de wereld. De centrale bankiers letten met groeiende bezorgdheid op de koersontwikkeling op de effectenbeurzen. Het rentebeleid van de centrale banken is traditioneel toegesneden op de beheersing van de prijsinflatie van goederen en diensten, maar het zal in toenemende mate rekening moeten gaan houden met de effecten van `vermogensinflatie'.

DE VERGADERINGEN in het kader van het IMF en de Wereldbank hebben behalve een gevoel van tevredenheid ook drie concrete afspraken opgeleverd.

Ten eerste heeft de Groep van zeven belangrijkste industrielanden de centrale bank van Japan ervan weten te overtuigen dat een stijgende yen in dit stadium van kwetsbaar economisch herstel in Japan geen goed idee is.

Ten tweede heeft het IMF voor een precedent gezorgd door te onderhandelen over een steunprogramma voor een land dat formeel in gebreke is gebleven bij zijn rentebetalingen aan particuliere geldschieters. De bananenrepubliek Ecuador dient als test voor het streven om particuliere geldschieters die geld van een land te vorderen hebben, te laten meebetalen aan de sanering van een financiële crisis. Hoewel fel bestreden door de particuliere banken, is dit een juiste stap. Te vaak is het IMF opgetreden als de tolgaarder van de private sector. Dwarsliggende obligatiehouders konden onderhandelingen met een land in financiële crisis eindeloos blokkeren. Nu worden de kapitaalverstrekkers onder druk gezet om sneller concessies te doen. De keerzijde hiervan is een verhoogde prijs van landenleningen. Dat weerspiegelt de financiële risico's die, zoals bleek bij het uitbreken van de Azië-crisis in 1997, nogal waren veronachtzaamd.

Een substantiële schuldverlichting voor een groep arme ontwikkelingslanden is het derde element in de afspraken die deze week zijn gemaakt. Al jaren wordt over schuldvermindering voor de armste landen gesproken, maar eindelijk is hiervoor (bijna) genoeg geld beschikbaar gesteld om er serieus aan te beginnen. De begunstigde landen – vrijwel allemaal in Afrika bezuiden de Sahara – verplichten zich om het vrijkomende geld te gebruiken voor investeringen in onderwijs en gezondheidszorg en om een behoorlijk economisch beleid te voeren.

EEN SCHONE LEI voor de armste landen. Dat klinkt prachtig, maar de werkelijkheid is cynischer. Eén van de grondbeginselen van ontwikkelingshulp luidt dat arme landen kapitaal nodig hebben voor hun economische ontwikkeling waaruit na verloop van tijd de leningen kunnen worden terugbetaald. Die gedachte is niet uitgekomen. De schulden die in het verleden zijn aangegaan, hebben niet de gewenste capaciteit tot terugbetaling opgeleverd. In feite wordt de schuldverlichting gebruikt om de betalingsachterstanden van arme landen aan het IMF, de Wereldbank en regionale ontwikkelingsbanken weg te poetsen. Bovendien is er geen enkele garantie – alle mooie woorden over het Poverty Strategic Reduction Program ten spijt – dat landen in de toekomst zorgvuldiger met ontwikkelingsgeld zullen omgaan.

Misschien is het de naderende millenniumwende die het IMF en de Wereldbank moralistischer maakt. De Wereldbank beklemtoont haar armoedestrategieën, het IMF praat over de vermenselijking van het beleid. Maar de erkenning van de complexiteit van maatschappelijke vraagstukken moet niet ten koste gaan van de doelstellingen van deze twee instellingen. Economische ontwikkeling en monetaire stabiliteit blijven de beste basis voor daadwerkelijke armoedevermindering. Ook in de 21ste eeuw.