Een paar minuten voor Europa

Morgen beleeft het Binnenhof een primeur. Leden van het Europees Parlement voeren het woord in de Tweede Kamer. Niet iedereen vindt dat een goed idee.

,,Ik beschouw dit als optreden met gebonden handen. We mogen geen rechtstreekse vragen stellen aan de minister, geen moties indienen. We mogen niet worden geïnterrumpeerd of zelf interrumperen. Maar wij voeren geen lege-stoelenpolitiek, dus ik doe mee. Hoewel ik niet geloof dat het veel zal helpen. Ik zie het in elk geval niet als een bijdrage om het democratische gat in Europa te verkleinen.''

Jan-Kees Wiebenga was afgelopen mei VVD-lijsttrekker bij de verkiezingen voor het Europees Parlement, waarvan hij sinds 1994 deel uitmaakt. Hij was lid van de Eerste Kamer van 1977 tot 1982, van de Tweede Kamer van 1982 tot 1994 en begon ooit, in Eelde ('73-'82), als jongste burgemeester van Nederland. Hij mag zich als 52-jarige dus al een parlementaire veteraan noemen.

Maar hij kan niet erg warmlopen voor de nieuwigheid die morgen aan het Binnenhof valt te beleven: spreekrecht voor Europarlementariërs in een plenaire vergadering van de Tweede Kamer. Dat is dan voor het eerst sinds in 1979, het jaar van de eerste rechtstreekse verkiezingen voor het Europarlement, het zogenoemde `dubbele mandaat' voor het Europarlement en de Staten-Generaal feitelijk werd afgeschaft. Al blijft dat dubbele mandaat, dat Italië en Denemarken nog wél kennen, op zichzelf wettelijk mogelijk.

Er kan morgen niet van een parlementaire aardverschuiving worden gesproken. Het gaat immers om een spreekrecht van slechts vijf minuten voor de Europese lijsttrekkers bij de behandeling van De Staat van de Europese Unie. Daarin geeft het kabinet dit jaar voor het eerst een inventarisatie van de Europese agenda 1999/2000 en van zijn Europese plannen.

Wiebenga en zijn collega-Europarlementariërs mogen aanschuiven in de bezoekersloge van Kamervoorzitter Van Nieuwenhoven, die minister Van Aartsen en staatssecretaris Benschop heeft verzocht iets te doen wat de bewindslieden van Buitenlandse Zaken grondwettelijk niet behoeven te doen: ingaan op het betoog van de Europarlementariërs en antwoord geven op hun vragen.

Bijna alle Tweede-Kamerfracties zien dit spreekrecht voor Europarlementariërs als een kleine stap vooruit om het veelbesproken `democratische gat' in de Europese Unie tussen het parlement in Straatsburg en de nationale parlementen iets te verkleinen. Er wordt immers al tientallen jaren geklaagd over het `weglekken' van parlementaire controle in de driehoek tussen de Europese ministerraad en de Europese Commissie in Brussel, de nationale parlementen en het nog niet compleet bevoegde Europarlement in Straatsburg, dat bijvoorbeeld budgetrecht mist voor het landbouwbeleid en geen wetgevende macht heeft op het terrein van justitie en vreemdelingenpolitiek. Dus elk stapje vooruit helpt, lijkt een meerderheid van de Kamer te vinden.

Maar Wiebenga en zijn VVD zijn sceptisch en willen dat weten ook. ,,Ik ben een Europese dualist. Het Europees Parlement is rechtstreeks gekozen, zijn bevoegdheden moeten natuurlijk worden vergroot. Maar wat morgen aan het Binnenhof gebeurt is een ongewenste verwarring van twee mandaten. Wij zijn als Europarlementariërs op andere verkiezingsprogramma's gekozen dan de collega's in de Tweede Kamer. Wij zijn wél voor een politieke samenwerking van de Kamer en het Europarlement. En voor meer organisatorische samenwerking, die waardevoller en praktischer is en ook makkelijker te verwerkelijken.

,,In de VVD-fractie aan het Binnenhof heb ik als gast natuurlijk wél stemrecht en kan ik de standpunten beïnvloeden of collega's tot vragen aan de regering bewegen. En ook op organisatorisch gebied valt er veel te doen. Zet een `Haagse' griffier in Brussel en de Kamer merkt dat de informatievoorziening over het Europese wetgevingsproces enorm verbetert. Dat bereik je ook als er tussen Den Haag en Brussel fractiestaven worden uitgewisseld. Of als er – daar is nu sprake van – een Europees elektronisch systeem zou komen voor gegevensuitwisseling over Europese wetgeving.

,,Geef Europarlementariërs een werkruimte in de Tweede Kamer, en dan liefst niet in een uithoek van het gebouw. Mijn medewerker zou dan betere contacten hebben met collega's over wat er in Brussel en Den Haag omgaat. Ander punt: de praktijk is nu dat de vaste Kamercommissie iedere donderdag spreekt met de minister die de week daarna in de Europese ministerraad zit. Dat overleg in Den Haag zou veel eerder kunnen en moeten worden gehouden, om nog tijdig invloed te kunnen krijgen. De Kamer moet dat alleen zelf zo willen.

,,Zo'n kwestie als het spreekrecht voor Europarlementariërs in de Kamer is ingewikkeld en veel minder vruchtbaar. Dat geldt ook voor andere institutioneel-staatkundige zaken waarop men zich veel te veel fixeert'', zegt Wiebenga. Hij herinnert er voor de zekerheid aan dat PvdA en CDA een jaar of vijf geleden ook nog tegen een spreekrecht in de Kamer voor Europarlementariërs waren. ,,Wij zijn niet van mening veranderd, zij wél.''

Zou een wedergeboorte van het dubbele mandaat kunnen helpen? Tegen het einde van haar tweede ministerschap (WVC, 1989-1994) heeft Hedy d'Ancona daarvoor als toenmalig PvdA-lijsttrekker in de Europese verkiezingen gepleit. De PvdA wilde daarvan niets weten en dwong haar tot een keuze. Zij koos destijds dan maar voor het Europees Parlement. Zou zoiets niet nog eens het proberen waard zijn?

Wiebenga is er niet principieel tegen. ,,Je zou er een proef mee kunnen nemen. Maar de combinatie van het Eurolijsttrekkerschap en de Tweede Kamer zou heel ongelukkig zijn. Je gaat dan hap-snap functioneren. En het is heel moeilijk om dat lichamelijk te overleven, of je moet een jonge vrijgezel zijn zonder kinderen of veel sociale verplichtingen. Een bezwaar is ook nog dat je dan in Straatsburg noch in je nationale parlement erg serieus wordt genomen. Dat kun je zien aan de Deense en Italiaanse collega's met zo'n dubbel mandaat.''