De patentzucht heerst

Amerikaanse landbouw- en milieu-organisaties hebben een rechtszaak aangespannen tegen de grote producenten van genetisch gemodificeerde gewassen. De klacht is dat deze bedrijven met hun biotechnologie een steeds grotere greep krijgen op de internationale zaadhandel. Vooral de kleine boeren in ontwikkelingslanden zijn daarvan het slachtoffer.

`Belachelijk', zo noemde de Wall Street Journal vorige week dinsdag het initiatief van Amerikaanse bioactivisten en boeren om een rechtszaak aan te spannen tegen de grote producenten van genetisch gemanipuleerde gewassen. Ook het woord `publiciteitsstunt' viel. Die reacties volgden op een artikel dat een dag eerder was verschenen in de Financial Times. Daarin werd een ,,multi-billion dollar action' aangekondigd tegen grote life-science bedrijven, zoals Monsanto, DuPont, Novartis en Zeneca Group.

De rechtszaak, die volgens de planning op 1 december moet beginnen, is een initiatief van onder andere de Amerikaanse Foundation on Economic Trends, een organisatie die wordt geleid door bio-activist Jeremy Rifkin. Verder zijn bij deze actie betrokken de in Amerika gevestigde National Family Farm Coalition, en individuele boeren uit Latijns Amerika, Azië, Europa en Noord-Amerika. Ze vrezen dat de grote bedrijven een steeds strakkere greep krijgen op de internationale zaadhandel. Met name de boeren in ontwikkelingslanden zouden daar de dupe van worden. Zij worden steeds afhankelijker van de grote bedrijven, terwijl ze het geld missen om jaar in jaar uit nieuwe zaden te kopen.

,,Wij geloven niet dat er bewijzen zijn voor de aanklacht', zegt dr. Guido Boecken, persvoorlichter bij het in Brussel gevestigde kantoor van het Amerikaanse bedrijf Monsanto. ,,Volgens de aanklagers zouden er tien bedrijven zijn die 30 procent van de zaadmarkt in handen hebben. Maar alleen al in Europa zijn er honderden zaadbedrijven. Dus kun je moeilijk spreken van een mechanisme dat door een handvol bedrijven wordt gecontroleerd.' Ook EuropaBio, de koepelorganisatie waarbij 53 Europese biotechbedrijven zijn aangesloten, noemt de aanklacht ongegrond.

Toch is de angst van de bioactivisten niet helemaal uit de lucht gegrepen, meent ir. Huib Ghijsen. Hij is hoofd van de afdeling Registratie Kwekersrecht van het Centrum voor Plantenveredelings- en Reproduktieonderzoek (CPRO-DLO) in Wageningen. ,,Er hangt een spookbeeld dat boeren in ontwikkelingslanden op den duur hun eigen zaad niet meer mogen vermeerderen. En dat beeld heeft alles te maken met de stormachtige veranderingen in de landbouwsector', aldus Ghijsen.

Door de globalisering heeft de zaadhandel een steeds internationaler karakter gekregen. In 1990 kwam 90 procent van de wereldmarkt aan commercieel zaad (met een waarde van 28 miljard dollar) al uit OESO-landen, een verzameling van 29 geïndustrialiseerde landen. En dat percentage zal naar verwachting alleen maar toenemen. Bovendien heeft de landbouwcrisis in de jaren tachtig (met torenhoge subsidies, productoverschotten en een overmatig gebruik van bestrijdingsmiddelen) ervoor gezorgd dat steeds meer overheden zich langzaam zijn gaan terugtrekken uit de landbouwsector. Zo wordt er bezuinigd op bijvoorbeeld gewasontwikkeling.

Chemische en farmaceutische bedrijven zijn op die ontwikkelingen ingesprongen. Met in hun achterhoofd een groeiende wereldbevolking – dus een groeiende behoefte aan zaad en voedsel – en de snelle vooruitgang in de biotechnologie, zagen deze bedrijven mogelijkheden voor een nieuw product: het genetisch gemanipuleerde gewas. De afgelopen jaren hebben ze in sneltreinvaart allerlei bedrijven opgekocht. Zaadbedrijven, softwarefirma's, bedrijven die DNA-databanken beheren, voedselverwerkers. Zo zijn een aantal life science conglomeraten gevormd die miljarden steken in de ontwikkeling van onder andere genetisch gemanipuleerde gewassen. Ghijsen: ,,En die bedrijven willen hun duur betaalde kennis beschermen, dus vragen ze patenten aan op hun vindingen. Iedereen gaat nu als een idioot van alles beschermen. Niet alleen bedrijven, maar ook universiteiten. Er heerst een ongebreidelde patentzucht.'

Die patentzucht is mede in de hand gewerkt door een in 1994, binnen het kader van de Wereldhandelsorganisatie, afgekondigde regeling: de TRIPS (Trade-Related Aspects of Intellectual Property Rights). Volgens TRIPS zijn landen per 1 januari 2000 verplicht om een regeling te hebben voor de bescherming van intellectueel eigendom. Voor plantvariëteiten, zo stelt TRIPS, kan dat via patenten of een ander effectief systeem. In Amerika is voor het eerste gekozen. Het Patent and Trade Mark Office heeft inmiddels zo'n 160 patenten op plantenvariëteiten, al dan niet transgeen, verleend.

Een bedrijf als Monsanto heeft daarbovenop nog een extra regeling. Boeren moeten bij de aanschaf van zaad een contract tekenen waarin staat dat ze het spul niet voor eigen gebruik zullen vermeerderen. Sommige boeren doen dat toch. Monsanto heeft al talloze rechtszaken aangespannen tegen boeren die contractbreuk hebben gepleegd. Boecken, persvoorlichter van Monsanto, schat het aantal zaken op ,,tientallen'. Of zo'n systeem ook ooit in andere landen wordt geïntroduceerd betwijfelt Boecken. ,,Er is geen enkele garantie dat we voor bijvoorbeeld de Derde Wereld ook dergelijke contracten gaan opstellen.'

In Europa is gekozen voor een ander, al bestaand systeem: UPOV (Union Protection of New Varieties of Plants). ,,Het UPOV-verdrag gaat uit van het kwekersrecht', zegt Ghijsen. ,,Een kweker krijgt een vergoeding voor zijn vinding, maar een boer die zaad koopt mag dat wel gebruiken voor vermeerdering of voor het kweken van nieuwe rassen.'

Volgens het eerste UPOV-verdrag, opgesteld in de jaren zestig, mochten boeren het vermeerderde zaad ook ruilen. Maar het nieuwste UPOV-verdrag, opgesteld in 1991 en sinds vorig jaar van kracht in met name de Europese landen, verbiedt dat. ,,En daar zit 'm nou net de crux', zegt Ghijsen. ,,In veel ontwikkelingslanden zie je dat boeren nog ruilhandel bedrijven. Die mensen komen dus in de problemen. Er heerst op het moment een enorm spanningsveld. Nationale overheden moeten volgens het wereldhandelsverdrag wetten gaan opstellen die het intellectueel eigendomsrecht regelen. De uitkomst zal per land verschillen.'

Wat er kan gebeuren blijkt uit het onderzoek van dr. Robin Pistorius en dr. Jeroen van Wijk, waarop ze in juni promoveerden aan de Universiteit van Amsterdam. Ze interviewden allerlei mensen in Chili en Columbia. Uit hun onderzoek blijkt hoe ingrijpend de gevolgen zijn van de apertura, het openen van de nationale markt. Telers van bijvoorbeeld rijst, katoen, gerst en tarwe moesten ineens gaan concurreren tegen vaak goedkopere wereldmarktprijzen. Door die strijd zien veel boeren zich genoodzaakt steeds meer gebruik te gaan maken van variëteiten met een hoge opbrengst. En die kopen ze van de grote, internationale bedrijven. ,,Het duurt boeren te lang en het kost hun te veel om wilde plantensoorten tot commerciële variëteiten te ontwikkelen', aldus Pistorius. ,,Daarom kopen ze goedkope, buitenlandse variëteiten. Meestal komen die uit een van de OESO-landen.' Pistorius en Van Wijk constateren een groeiende afhankelijkheid van de grote internationale bedrijven. Bedroeg de import van maïs- en tarwezaden in Chili in 1990 respectievelijk nog 10 en 3 procent van het Chileense zadenverbruik, in 1996 was dat opgelopen tot 42 en 58 procent.

Die afhankelijkheid blijkt ook bij veel andere gewassen, zoals de aardbei. De kust van Chili is zeer geschikt voor de teelt van dit gewas. Bovendien zijn er veel lokale rassen, een paradijs voor de aardbeienveredelaar. Maar de producenten blijken niet geïnteresseerd in die rijkdom. Hoewel de lokale rassen goed zijn van smaak en grootte, is hun opbrengst laag. De Katholieke Universiteit van Chili startte begin jaren negentig nog wel een programma om aardbeien te telen, maar dat werd al snel beëindigd toen de buitenlandse donaties opdroogden. Chileens exporteurs hebben liever variëteiten uit Amerika en Europa, die trouwens weer deels zijn gebaseerd op wilde soorten die langs de Chileense kustlijn zijn verzameld. Pistorius: ,,We hebben onder andere een gesprek gehad met de directeur van Viveros Requinoa, een associatie van Chileense fruitproducenten. Hij vertelde ons dat ze zulk mooi materiaal kunnen kopen van telers in Californië en Frankrijk. Volgens hem konden ze de prestaties van die telers, die soms wel 40 of 50 jaar ervaring hebben, niet verbeteren. Zelfs niet via grote investeringen in nationale onderzoeksprogramma's. Hij vroeg ons: waarom zullen we concurreren als we het kunnen kopen?'

Zowel Chili als Columbia heeft inmiddels een Plant Variety Protection regeling getroffen waarmee telers hun nieuwe variëteiten kunnen beschermen. Die regeling is er mede gekomen door een lobby van koffie- en aardappeltelers. Zij kunnen als een van de weinige nationale bedrijfstakken nog serieus concurreren op de internationale markt en onderhouden uitgebreide collecties en teeltprogramma's met wilde variëteiten uit eigen land. Ze willen hun inspanningen graag beschermd zien. Maar daarmee brengen ze allerlei andere boeren in eigen land in de problemen.

Pistorius: ,,De kleine boeren, de campesinos, merken niet veel van deze regeling. Zij hebben sowieso het geld niet om commerciële gewassen te kopen. Ze telen en vermeerderen alles zelf. Ook op de kapitaal-intensieve bedrijven heeft de nieuwe regeling weinig effect. Zij zijn al gewend om geld te betalen voor zaad en weten hoe ze het winstgevend moeten gebruiken. De grootste klap krijgen de boeren met een middelgroot bedrijf. Dat zijn veelal boeren die vechten om als commerciële onderneming te overleven. Vaak produceren zij op eigen land zaad en ze ruilen dat via informele kanelen. Maar met beschermd materiaal mogen ze dat niet meer. Dus zijn ze veel duurder uit.'

Hoeveel boeren hiervan te lijden hebben, weet Pistorius niet. Wel blijkt uit zijn onderzoek dat veel boeren zich nu nog niet veel aantrekken van het verbod om zaad op eigen land te vermeerderen. Uit het proefschrift van Pistorius en Van Wijk blijkt dat de tarwetelers in Chili massaal zondigen tegen de regels. Van het jaarlijks gebruikte tarwezaad is veertig procent afkomstig van zaad dat zonder toestemming is vermeerderd. In Columbia ontlopen met name telers van soja, rijst en maïs de strengere regels. Naar schatting twintig procent van het gebruikte materiaal is zonder toestemming van de kweker geproduceerd en verkocht. De overheid lijkt niet veel te doen aan deze misstand. Aan het eind van 1996 waren er slechts zes zaken voor het gerecht gekomen: vier in relatie met fruit, een in relatie met tarwe.

Hoe de situatie zich gaat ontwikkelen weet Pistorius niet. ,,Maar er verandert veel.' Ook Ghijsen, van het CPRO-DLO, denkt dat de landbouw een ander aanzien krijgt. ,,Het wereldhandelsverdrag is ontwikkeld voor computers, auto's, noem maar op. Opeens komt de landbouw daar in terecht. Er verandert ontzettend veel op het moment. Het wordt competitiever. Ontwikkelingslanden zullen zich aan die nieuwe situatie moeten aanpassen. Hoe ze dat doen, is nog niet duidelijk. We staan pas aan het begin.'

Monsanto

In het schema Monsanto's imperium bij het artikel De patentzucht heerst (in de krant van woensdag 29 september, pagina 18) is de bron niet juist vermeld. Het schema komt uit het proefschrift van R.J. Pistorius en J. van Wijk, The Exploration of Plant Genetic Information – Political Strategies in Crop Development, uitgegeven door CAB International, Oxon Wallingford. Bovendien stond abusievelijk vermeld dat de R&D-uitgaven van Monsanto 1,2 miljoen dollar bedragen. Dat moet 1,2 miljard dollar zijn.