Boelsjit

De Vlaamse schrijver Herman Brusselmans is stilaan in de mode geraakt. De literatuurpausjes van Nederland zwegen hem jarenlang dood, voor literaire prijzen kwam hij niet in aanmerking, de media hadden hem nog niet ontdekt als recalcitrant orakel met Reviaanse inslag.

Inmiddels verkoopt zijn werk goed (30.000 exemplaren per jaar) en wordt hij in de literaire wereld gekoesterd als een enfant terrible dat enig leven in de brouwerij brengt. En het publiek draagt hem op handen. Het zaaltje van de Balie in Amsterdam, waar Brusselmans zich gisteravond door Max Pam liet interviewen, puilde uit. Het was hetzelfde zaaltje dat nog geen jaar geleden amper voor de helft gevuld was toen Harry Mulisch er een openbaar interview gaf.

Er werd veel gelachen, en meestal niet zonder reden, want als er iets is wat je Brusselmans niet kunt ontzeggen, dan is het gevoel voor humor. Net als in zijn boeken overschreed hij regelmatig de grens van de meligheid, maar dat hoort nu eenmaal bij Brusselmans

Hij kijkt er zelden vrolijk bij als hij zijn grimmige grappigheden debiteert. Zijn magere, bleke, door acne omgeploegde gezicht met de hoornen bril blijft onbewogen onder de lachgolven uit de zaal. Lach niet om jezelf, wissel ernst en luim af, en spaar de grote namen niet – Brusselmans kent de wetten van de cabareteske performance. De interviewer mag de aangever zijn, Brusselmans maakt de doelpunten.

Ze moesten er allemaal aan geloven, de schrijvers die in zijn ogen niet het grote talent hebben. Connie Palmen, Adriaan van Dis, Hugo Claus, ja zelfs Nescio, Elsschot, Céline, Joyce, Homerus en Kafka: ,,Ik schrijf tien keer beter dan die fuckin' Kafka! Citeer mij één leuke zin van Kafka!''

Kutboeken, boelsjit, absolute boelsjit, daar bestaat volgens Brusselmans een groot deel van de wereldliteratuur uit. Een boek moet veel humor bevatten, anders is het geen goed boek. ,,Goede literatuur is rock-`n-roll.'' Hij kijkt uitdagend de zaal in. Wie durft hem tegen te spreken? Niemand.

Zelf schat hij zijn plaats aan de `top van de eerste divisie': ,,Ik ben wel heel goed, maar ik behoor niet tot de allerbesten.'' Daartoe rekent hij in de Nederlandse literatuur in de eerste plaats Reve, met Hermans als goede tweede en – ietwat verrassend – Mulisch toch nog als derde. Zijn buitenlandse iconen zoekt hij vooral in Amerika: Heller, Salinger, Easton Ellis, Tom Wolfe. ,,Ik zou willen dat ik zo'n boek als A Man in Full van Wolfe kon schrijven, maar ik ken mijn beperkingen.''

,,Bent u niet een solipsist?'' vroeg Pam op zeker moment. ,,Absoluut'', zei Brusselmans, ,,maar ik zal straks even opzoeken wat dat betekent.''

Zo krijgt niemand vat op hem. Brusselmans speelt Brusselmans, de rebel en provocateur, wiens literaire bestaan ondenkbaar is zonder de invloeden van Reve en Jan Cremer. Hij wil meer erkenning dan hij tot dusver heeft gekregen, dat voel je aan alles. En hij wil die erkenning van dezelfde mandarijnen die hij beschimpt. Ook deze schrijver is niets menselijks vreemd.