Zelden leek marmer meer op vlees

In het nieuwe Kunstschrift wordt hij een `vormgever van katholieke propaganda' genoemd, een kunstbederver, een plaag en een schepper van barokke pathetiek. De negentiende eeuwse-kunstcriticus John Ruskin vond zelfs dat het `impossible for false taste and base feeling to sink lower' was dan in zijn werk. Met dergelijke kwalificaties op zak is het moeilijk voor te stellen dat Gianlorenzo Bernini (1598-1680) geldt als de grote meester van de Italiaanse barok, in statuur een gelijke van Raphael en Michelangelo.

Dat er meer dan driehonderd jaar na zijn dood toch een heel Kunstschrift-nummer aan Bernini wordt gewijd komt dan ook vooral doordat er lang niet altijd zo misnoegend over hem is gedacht. Zijn tijdgenoten beschouwden hem zelfs als een genie en vonden het dan ook logisch dat de ene na de andere grote opdracht in het Rome van het midden van de zeventiende eeuw door hem werd uitgevoerd. Zo ontwierp Bernini het plein voor de Sint Pieter in Rome, net als de majestueuze baldakijn en de troon van Petrus in diezelfde kerk, bouwde hij de Sant Andrea al Quirinale, de Vierstromenfontein op het Piazza Navona en talloze beelden en bustes. Om hem bij al die opdrachten bij te staan had Bernini de beschikking over een atelier, een soort `fabriek' volgens Mariette Haveman in deze Kunstschrift, met meer dan honderd werknemers, die allemaal een klein deel maakten van de door de meester uitgedachte werken. Bernini was daarbij degene met het totaaloverzicht, de man met de grote visie die zorgde voor `het fraaie geheel'.

Dat Bernini ook in zijn eigen tijd niet volledig ononomstreden was, blijkt uit zijn bijna vijf maanden durende verblijf aan het hof van de Franse koning Louis XIV, waar hij zich vooral bezig hield met het ontwerpen van een oostvleugel voor het Louvre. Hij werd daarbij stevig tegengewerkt door 's konings rechterhand Colbert die weinig van Bernini's Zuid-Europese bouwstijl moest hebben. De plannen van Bernini zouden dan ook plannen blijven – de oostvleugel werd uiteindelijk gebouwd door Le Vau, Le Brun en Perrault en van Bernini's plannen bleven alleen de schetsen over.

Het aardige aan dit Kunstschrift-nummer is dat ook de andere critici van Bernini uitgebreid de ruimte krijgen; vooral zijn beeldhouwwerken moeten het ontgelden. Zelf vind ik enkele van Bernini's beelden in de Galleria Borghese in Rome tot de mooiste behoren die ooit zijn gemaakt – Pluto en Prosperina bijvoorbeeld, een beeld dat Bernini maakte toen hij pas 24 was. We zien de God Pluto die in een wellustige bui Prosperina probeert te schaken. In het beeld van Bernini heeft hij haar al te pakken, zij duwt hem wanhopig van zich af. Alleen al door Prosperina, die wanhopig uit de goddelijke omstrengeling en daarmee uit het beeld lijkt te willen ontsnappen is het een prachtige sculptuur, maar nog mooier zijn de handen van Pluto, die zich diep in Prosperina's lichaam hebben geklauwd – zelden zal marmer meer op vlees hebben geleken. Zeker zo mooi is Bernini's David in hetzelfde museum. Deze David is geen bevallige poseur, zoals die van Donatello of Michelangelo: deze staat in opperste concentratie, zijn lippen naar binnen getrokken en tot de laatste vezel gespannen om Goliath de steen in zijn gezicht te mikken. Als toeschouwer ben je bang dat hij het op jou gemunt heeft, zo indringend staat hij erbij.

In het artikel van Arjan de Koomen wordt echter vooral de (achttiende- en negentiende-eeuwse) kritiek op deze en andere beelden uiteengezet. Pluto en Prosperina worden daarin bijvoorbeeld `operette-achtig' genoemd, de gebeeldhouwde tranen van Prosperina worden verkapt als kitsch omschreven. En ook Bernini's grafmonument van paus Urbanus VIII moet het ontgelden: volgens de neo-classisistische critici zou het leiden aan een gebrek aan `decorum' – het gaf geen pas, vonden ze, dat er een schreeuwend kind naast het graf staat en dat vrouwe Justitia verveeld naar de lucht staart terwijl ze met een elleboog achteloos op de tombe leunt.

Juist doordat de artikelen niet in machteloze adoratie blijven steken is dit een geslaagd Kunstschrift-nummer, dat aan het denken zet over de merites van de barok en tegelijk de vergankelijkheid van roem benadrukt.

Kunstschrift, nr.4 1999. Uitg. Waanders, Prijs ƒ17,25.