Roodsestraat

Naar huis gereden via St. Joris-Weert, een bakstenen dorpje vlakbij Leuven, met een slaperig café, een agentschap van Het Nieuwsblad en een spoor dat dwars door de dorpsstraat loopt. ,,Als je de taalgrens wilt zien, moet je daar 's kijken'', had Geert van Istendael gezegd. De bakkersvrouw legt het me uit: hier is het Vlaams, voorbij het spoorviaduct, in Nethen, is het Frans, en bij de bakker is het mompelen en gebarentaal. In de Roodsestraat loopt de taalgrens zelfs over de weg. Ik ga kijken: de rode villa links spreekt dus Vlaams, de witte cottage aan de overkant Frans. De moestuin rechts is Vlaams, de wilgen aan de overkant lispelen Frans.

Aan die Roodsestraat is verder niets bijzonders te zien. Toch is het een onderdeel van de belangrijkste demarcatielijn tussen Noordwest- en Zuid-Europa.

`De taalgrens is hier eeuwenoud, messcherp en absoluut', schreef Van Istendael in `Het Belgisch labyrint'. Aan de Vlaamse kant staan Nederlandse boeken op de plank, men kent Van Kooten en De Bie, men kijkt naar Vlaamse en Nederlandse journaals, films en politieke discussies. Hun overburen, elf passen verder, kijken naar Arte, lezen Le Monde, discussiëren over Franse literatuur, zijn aangesloten op een ander denksysteem.

De Roodsestraat van Nethen is iets waar Eurocraten liever niet te veel over nadenken. Taalverschillen zijn namelijk niet enkel technische kwesties. Iedere taal staat voor een wereld op zich, die werelden schuiven en kraken, gaan slechts moeizaam samen. Dat is de werkelijkheid van de Roodsestraat, en dit soort straten lopen overal door ons continent.

    • Geert Mak