Onherhaalbaar experiment

De afgetreden secretaris-generaal van het departement van Economische Zaken, Van Wijnbergen, was in de ambtelijke wereld wat ze in Engeland noemen een maverick, een onafhankelijk denker en een onorthodoxe eenling, met alle lastige kenmerken van de eigenzinnige ongemerkte kalveren die onder die naam in Texas over de prairie zwerven. Dat samenspel van eigenschappen van de oud-medewerker van de Wereldbank en hoogleraar in de economie aan de Universiteit van Amsterdam had de vorige minister van Economische Zaken Wijers welbewust aan de collectieve denkkracht van het departement toegevoegd om meer schwung in de tent te brengen. EZ was in de Europese ontwikkelingen wat weggezakt en Van Wijnbergen werd van buiten aangetrokken en kreeg de vrije hand om het departement in de politieke pikorde meer invloed te bezorgen. De niet-ambtelijk gewiegde, buitenmodel secretaris-generaal kreeg de vrije hand om het departement op te schudden en een meer naar buiten gerichte oriëntatie bij te brengen.

Van Wijnbergen hoefde zich niet het hoofd te breken over de maandelijkse aanvulling van de voorraad potloden en papier en andere huishoudelijke besognes, als hij de gang er maar weer in bracht, het elan herstelde, bezieling verbreidde en nieuwe lijnen uitzette. Hij kon zijn tijd indelen zoals hij wilde en, niet gehinderd door stramme ambtelijke tradities, zeggen wat hij wilde.

Met dat instrumentarium toog Van Wijnbergen timmerend aan de weg en creëerde hij een nieuwe ambtelijke stijl, die beloften inhield voor een cultuuromslag. Hij gaf meer interviews dan al zijn voorgangers tezamen ooit gegeven hadden en grossierde in politieke toespraken die soms meer direct gericht waren tot het kabinet dan tot zijn politieke chef, de minister van Economische Zaken. Maar ook elke oorspronkelijke gedachte die het collectieve departementale brein produceerde, kreeg de aandacht die ze verdiende.

Het deel van de collegialiteit dat hem aanvankelijk als een paard van Troje had beloerd, ontdooide gaandeweg en liep zelfs warm voor de uitdaging die van zijn creatief non-conformisme uitging. Hij was een nieuw fenomeen dat ze nog nooit op een departement waren tegengekomen: een SG die van hardop denken een dagtaak maakte, die zich niet in de eerste plaats zorgen maakte over de politieke haalbaarheid van ideeën en die gedurfde opvattingen had over de ontvoogding van de ambtelijke denkkracht. In elk geval stimuleerde zijn stijl het intellectuele klimaat aan de Bezuidenhoutse weg, bracht zij op de ministersetage leven in de brouwerij en moedigde zij elders in het gebouw jonge ambtenaren aan met nieuwe ideeën voor de dag te komen.

Het leek een interessant experiment: een vrije geest aan het hoofd van zo'n gelede organisatie die in de loop der jaren haar voorsprong als toonaangevend departement had verloren en de voortvarendheid miste om die neerwaartse spiraal op eigen kracht te doorbreken.

De benoeming van Van Wijnbergen was er niet een van het gangbare soort waarmee de minister een partijgenoot als rechterhand kiest, maar een die een politieke proclamatie was van de ambitie om de politieke wedergeboorte van het departement op te wekken. Als zodanig was het fenomeen Van Wijnbergen een persoonsgebonden creatie van Wijers die geen langer leven beschoren was dan de ambtsperiode van die minister.

Bij de wisseling van portefeuilles had de secretaris-generaal er beter aan gedaan gelijk met zijn minister te vertrekken, want een kind kon zien dat de nieuwe minister en de oude secretaris-generaal niet voor elkaar geboren waren. Ze spraken niet dezelfde taal, ze deelden nagenoeg geen vakkennis en van meet af aan was het duidelijk dat ze nooit op elkaar ingespeeld zouden raken.

De ongebonden betogen die Van Wijnbergen onder de politieke begunstiging van Wijers in het openbaar mocht afsteken veranderden onder minister Jorritsma niet zozeer van strekking als wel van toon. Zijn ongezouten kritiek op de economische voorspellingen in het tweede paarse regeerakkoord (verspreid via het PvdA-Vlugschrift) en op de aftrekbaarheid van pensioenen (in het economische vakblad ESB) werd al gauw niet meer gezien als speldenprikken van een vrijgestelde geleerde aan boord van het schip van staat maar als uitingen van afvalligheid en anarchistische demonstraties van een politieke dwarsligger.

De tegenstellingen tussen de minister en de secretaris-generaal bleven niet langer verborgen voor de Tweede Kamer en groeiden voor Jorritsma gaandeweg uit tot een `probleem-Van Wijnbergen'. Daar kwam nog bij dat Van Wijnbergens onbeteugelbaarheid spanningen veroorzaakte die niet meer binnen de muur van het ministerie bleven. De SG liet blijken dat hij zijn minister als een lichtgewicht beschouwde en ergerde zich aan haar niet door economische kennis gecompenseerde politieke manoeuvres.

Zijn recente kritiek op de belastingplannen van het kabinet, die moeilijk kon worden opgevat als een bijdrage tot de verbetering van de beladen verhoudingen, deed de ministeriële emmer van ongenoegen ten slotte overlopen. Verblind door frustraties of andere ongenoegens had Van Wijnbergen de loyaliteitsregel uit het oog verloren dat een dissidente ambtenaar of een politicus die onderdeel is van een interne consensus over de belastinghervorming zijn verlies moet nemen en in het openbaar zijn mond moet houden. De onmogelijk geworden SG was wel zo verstandig het niet op een gedwongen ontslag te laten aankomen en de eer aan zichzelf te houden.

Dat de hoogste ambtenaar van EZ vroeger of later tot dit besluit moest komen lag in de rede. Een conflict over de politieke richting van het beleid laat geen andere oplossing toe dan het vertrek van de ambtenaar. Van Wijnbergen had zich die breuk kunnen besparen als hij al bij het aantreden van Jorritsma zijn biezen had gepakt. Met het vertrek van de geestverwante en zeer liberale Wijers verdwenen immers de voorwaarden waaronder hij zijn rol van Tijl Uylenspiegel kon spelen. Onder diens opvolgster hadden frivole vingeroefeningen van de freischwebende Intelligenz niets meer aan het debat toe te voegen nu dit niet langer door Wijers werd beademd. EZ was in feite weer een traditionele hiërarchieke organisatie geworden en in zo'n keurslijf kon een intellectuele maverick zijn speciale missie nooit tot een goed einde brengen.

De les die Van Wijnbergen uit deze geschiedenis moet trekken is dat hijzelf maar minister moet worden. Of anders een eigen tijdschrift uitgeven, al dan niet voorzien van website en e-mailvlugschrift.

    • Harry van Wijnen