De kleine lettertjes achter de globalisering

Volgens het World Investment Report van UNCTAD groeiden de buitenlandse directe investeringen vorig jaar met 40 procent tot 649 miljard dollar. Is de globalisering in een versnelling geraakt, of slaat de statistiek op hol?

Als grensoverschrijdende investeringen de maatstaf zijn, dan raasde de globalisering ook in het internationale crisisjaar 1998 voort. Vorig jaar pleegden bedrijven wereldwijd voor 649 miljard dollar aan buitenlandse directe investeringen, 39 procent meer dan de 475 miljard dollar in 1997. En voor het lopende jaar verwacht de handels- en ontwikkelingsorganisatie van de Verenigde Naties, UNCTAD, een bedrag dat de 800 miljard dollar zal overstijgen.

De UNCTAD publiceerde vandaag haar World Investment Report, waarin jaarlijks de stromen en de stand van directe investeringen wordt bijgehouden.

De internationale vervlechting neemt steeds verder toe, constateert UNCTAD: op dit moment zijn 60.000 transnationale ondernemingen actief, met 500.000 buitenlandse dochterondernemingen. De waarde van hun productie bedraagt 11.000 miljard dollar – een derde van wat wereldwijd in totaal jaarlijks wordt geproduceerd. Het volume van de internationale handel, dat jaarlijks 7.000 miljard dollar bedraagt, is door de plaatselijke productie van ondernemingen in buitenlandse handen al ver overstegen.

Dat geeft een fraai vergezicht: ondernemingen die, op zoek naar de beste productievoorwaarden, overal ter wereld fabrieken en kantoren opzetten en de werkgelegenheid en ontwikkeling bespoedigen. Maar zo mooi is het plaatje niet.

Directe investeringen vinden voor het overgrote deel plaats tussen de industrielanden onderling. 91 procent van de wereldwijde directe investeringen gaat naar de VS, de Europese Unie en Japan.

De telling van directe investeringen is een statistische nachtmerrie. Zij zijn via de betalingsbalans na te gaan, maar de kwaliteit van dergelijke gegevens wisselt sterk.

Bovendien telt bijvoorbeeld een niet uitgekeerde winst van een buitenlandse dochter ook als directe buitenlandse investering. Als een Amerikaanse dochter van Ahold haar winst niet of niet volledig aan Ahold uitkeert, dan is het bedrag dat in Amerika achterblijft een directe investering van Ahold. Zo'n twintig procent, schat UNCTAD, van de getelde investeringen betreft niet-terugvloeiende winsten.

En in hoeverre betreft het nu daadwerkelijk investeringen? Fusies en acquisities vallen onder de definitie. In 1998 hadden de overname van het Amerikaanse automobielconcern Chrysler door het Duitse Daimler-Benz, en de reuzenovername van het Amerikaanse olieconcern Amoco door British Petroleum – samen goed voor zo'n 95 miljard dollar – een enorme opwaartse invloed op de telling van de buitenlandse directe investeringen. Geschat wordt dat zeker 90 procent van alle `buitenlandse directe investeringen' in de Verenigde Staten fusies en overnames betreft.

Hoe harder de beurskoersen stijgen, hoe duurder buitenlandse overnames zijn. Had BP Amoco anderhalf jaar eerder overgenomen, dan was er maar de helft voor betaald. De sterk gestegen beurskoersen van de jaren negentig werken dus direct door in de waarde van grensoverschrijdende fusies en overnames, die op hun beurt de bulk uitmaken van de door UNCTAD getelde directe buitenlandse investeringen. En wie doet die investeringen nu eigenlijk?

Neem nogmaals Ahold. Dat kocht vorig jaar voor 5,4 miljard gulden het supermarktconcern Giant Landover in de VS, en betaalde die voor het grootste deel (3,7 miljard) in aandelen Ahold. Daartoe deed Ahold een aandelenemissie, die voor de helft door Amerikaanse beleggers werd opgenomen. Opgeteld is de directe investering vanuit Nederland in de VS dus voor een derde gefinancierd door de Amerikanen zelf. Maar die kapitaalstroom valt onder de noemer `portfolio'-investeringen en wordt niet met de directe investering verrekend. En dan is er nog de vertekening van de Europese Unie: 60 procent van alle `buitenlandse' directe investeringen van EU-landen (386 miljard dollar in 1998) blijft binnen de EU zelf.

Hoeveel van de geregistreerde buitenlandse directe investeringen van 649 miljard dollar wereldwijd nu daadwerkelijk investeringen in nieuwe productie betreffen in een écht buitenland – en niet een wisseling van eigendom van bestaande productie tegen opgeblazen acquisitieprijzen – is onmogelijk te gissen. De gegevens waarmee UNCTAD moet werken zijn boterzacht, en bijna onmogelijk te interpreteren. Toch heeft UNCTAD zich die taak gesteld – al was het maar omdat geen andere organisatie de gegevens zo consequent bijhoudt. Het World Investment Report wijst zelf herhaaldelijk op de moeilijkheiden bij het vergaren, verwerken en interpreteren van de cijfers. Met het volgen van het gedrag van multinationale ondernemingen en de internationale regelgeving inzake buitenlandse investeringen verricht UNCTAD degelijk werk.

Maar wat de stijging van de directe buitenlandse investeringen vorig jaar met 39 procent tot 649 miljard dollar nou precies te betekenen heeft, blijft voorlopig een raadsel.