Bladeren

ARCHIVES EUROPÉENNES DE SOCIOLOGIE

De toepassing van het poldermodel is geen garantie voor het voortbestaan van de verzorgingsstaat in Europa. De bewondering voor het polderwonder betekent wel dat we afscheid hebbben genomen van pessimistische perspectieven als baanloze groei, welzijn zonder werk, en het eind van de werkgelegenheid. Ook toont het poldermodel aan dat de verzorgingsstaat in staat is zich aan te passen aan de nieuwe realiteit van leven en werken in de postindustriële samenleving. Want in dat opzicht is het model een breuk met het traditionele beeld van volledige werkgelegenheid op basis van voltijd werken. Het poldermodel toont aan dat hervorming van de verzorgingsstaat mogelijk is.

Anton Hemelrijck van de Erasmus Universiteit en Jelle Visser van de Universiteit van Amsterdam trekken die conclusies in Archives Européennes de Sociologie. Hun betoog poogt een antwoord te geven op de vraag in hoeverre het poldermodel de beste manier is om de politiek van de Derde Weg vorm te geven. Tenslotte is Nederland de enige lidstaat van de Europese Unie waar de werkloosheid in de afgelopen tien jaar meer dan gehalveerd is van ruim dertien procent in 1983 tot ruim vijf procent in 1998. De groei van het aantal banen met 1,6 procent is vier keer zo hoog als het Europese gemiddelde, van hetzelfde kaliber als de Amerikaanse banenmachine, maar zonder de scherpe kantjes daarvan. Toegegeven, ook in Nederland is de inkomensongelijkheid gegroeid, maar wat dat betreft neemt Nederland een middenpositie in tussen Duitsland en de Scandinavische landen enerzijds en anderzijds de Verenigde Staten en Engeland.

Een van de meest opvallende aspecten is de groei van deeltijdwerk, van minder dan vijftien procent in 1975 tot ruim vijfendertig procent. Dat is hoger dan het gemiddelde in de landen die lid zijn van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, OESO. Vrouwen bezetten driekwart van de deeltijdbanen; drieënzestig procent van alle vrouwelijke werknemers werkt in deeltijd. Het aandeel van de mannen in deeltijdwerk is zestien procent, het hoogste van alle OESO-landen. De auteurs noemen de groei van de deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt de meest revolutionaire ontwikkeling op de Nederlandse arbeidsmarkt.

Door de toename van deeltijdwerk, van tijdelijk werk, en van de arbeidsparticipatie door vrouwen is het gemiddelde aantal gewerkte uren per jaar gedaald sinds 1973. De arbeidsparticipatie is (gerekend naar volledige arbeidstijd) met vijftig procent nog steeds lager dan in de buurlanden. Daar komt bij dat het lage werkloosheidspercentage niets zegt over de structurele inactiviteit die met twintig procent van de werkende bevolking nog steeds hoog is. Het succes van de Nederlandse arbeidsmarkt is zo groot, omdat de prestaties in de andere Europese landen zo matig bleven. De auteurs schrijven het succes toe aan de loonmatiging van begin jaren tachtig, de hervorming van de sociale verzekering en de arbeidsmarktpolitiek. Maar de meeste veranderingen waren niet voorzien, en zijn voortgekomen uit de wijziging van het gedragspatroon van vrouwen, echtgenoten, werkgevers, vakbonden en uitzendbureaus, vaak in reactie op het gebrek aan of het falen van publiek beleid. Er is dan ook geen sprake van een recept dat zonder meer gebruikt kan worden in andere landen en situaties.

Archives Européennes de Sociologie verschijnt twee keer per jaar en is een uitgave van Cambridge University Press, The Edinburgh Building, Shaftesbury Road, Cambridge CB2 2RU, UK.

MANAGEMENT

JAPAN

Hoewel het onmiskenbaar is dat de Aziatische crisis het directe gevolg is van de in- en uitstroom van buitenlands kortetermijnkapitaal is het ook waar dat de Aziatische economie zelf nogal wat risicofactoren kent, zoals de tekorten op de lopende rekening in de meeste Aziatische landen, de toename van de overcapaciteit, en de zwakte van de financiële infrastructuur. Immers, de handel in obligaties is onderontwikkeld, de volatiliteit op de aandelenmarkten is extreem groot, en het bankwezen, gedereguleerd of niet, onttrekt zich aan de wetten van de markt, vaak beschermd door de overheid.

Jun Hirata, directeur van het Dai-ichi Kangyo Economic Research Institute, schrijft in Management Japan dat de binding van de Aziatische munten aan de dollar de oorzaak is van de financiële crisis. De spreiding van de crisis naar niet-Aziatische landen doet vermoeden dat de kern van het probleem niet typisch Aziatisch is. In ieder geval staat het vast dat de banken in Japan de Verenigde Staten en Europa veel boter op hun hoofd hebben, omdat ze niet in staat bleken de negatieve en positieve factoren te analyseren die de basis vormden van de Aziatische groei.

De manier waarop deze crisis wordt opgelost is bepalend voor de toekomst, in het bijzonder wat betreft het wegwerken van de slechte leningen. De slechte leningen in Japan zijn kinderspel vergeleken bij die in andere Aziatische landen. In Thailand staat 46 procent van de schulden als slecht bekend. In Indonesië is dat aandeel zelfs 67 procent. Zolang de schulden en slechte leningen boven de markt blijven hangen is economische herstel niet mogelijk, meent de auteur. Hij gelooft niet erg in de oplossingen van het Internationaal Monetair Fonds en wijst er op dat het functioneren van het IMF internationaal zo omstreden is dat de G7-landen besloten hebben de instelling te hervormen.

Management Japan verschijnt eens per jaar en is een uitgave van de International Management Association.

www.ijnet.or.jp/imaj

    • Herman Frijlink