Bijstandsmoeder moet vaste zorgvergoeding krijgen

Het kabinetsvoorstel om bijstandsmoeders met kinderen onder de vijf jaar te dwingen om maximaal 24 uur per week te gaan werken deugt niet en is onuitvoerbaar, vindt Trudie Knijn. Het kabinet zou de positie van bijstandsmoeders eerder kunnen verbeteren door hun een vaste vergoeding voor hun zorgtaken te geven.

Aanstaande donderdag vindt een spoeddebat plaats in de Tweede Kamer over het kabinetsvoorstel om een partiële arbeidsplicht van 24 uur per week in te voeren voor bijstandsmoeders met kinderen jonger dan vijf jaar. De volledige arbeidsplicht voor alleenstaande moeders met kinderen van vijf jaar en ouder zal, als het aan het kabinet ligt, gehandhaafd blijven. Lang niet alle politieke partijen ondersteunen deze voorstellen. Bovendien druisen ze in tegen de wensen van de uitvoerders van de bijstandswet: de gemeenten en de sociale diensten.

Het kabinetsvoorstel gaat voorbij aan de dubbele verantwoordelijkheid van alleenstaande moeders, is niet uitvoerbaar en scheept een kwetsbare groep ouders op met plichten zonder daar rechten tegenover te stellen. Staatssecretaris Verstand doet alsof bij de arbeidsverplichting voor alleenstaande moeders het belang van de vrouwen vooropstaan; door te gaan werken zouden zij uit de armoede kunnen ontsnappen. Ook zou het goed zijn voor hun zelfvertrouwen en zelfontplooiing.

Tenminste drie andere motieven liggen ten grondslag aan de arbeidsplicht voor alleenstaande moeders:

Het bevorderen van de economische zelfstandigheid van uitkeringsgerechtigden teneinde 500 miljoen te bezuinigen op de sociale uitkeringen.

Het bevorderen van de arbeidsparticipatie van vrouwen om arbeidsmarkt- en demografische problemen op te vangen.

Het verminderen van de armoede van eenoudergezinnen en alleenstaande vrouwen wier uitkering sinds het begin van de jaren tachtig dramatisch is achtergebleven in verhouding tot de rest van de bevolking.

Bij de invoering van de nieuwe Algemene Bijstands Wet (nABW) in januari 1996 had men nauwelijks oog voor de haalbaarheid ervan. De mogelijkheden om de wet te realiseren voor een belangrijke doelgroep van de ABW (60 procent van de bijstandsgerechtigden was alleenstaande moeder) zijn nauwelijks onderzocht. Achteraf lijkt het dat de Tweede Kamer zonder kennis van zaken en vooral op basis van politieke argumenten een fundamentele beslissing heeft genomen die nog steeds met lapmiddelen gerepareerd wordt. Zo is er te weinig stilgestaan bij het feit dat de positie op de arbeidsmarkt van de meeste bijstandsmoeders slecht is. Het gaat hier vooral om heel laagopgeleide moeders (75 procent heeft maximaal Mavo) die langdurig (gemiddeld 6 jaar) van de bijstand afhankelijk zijn. Zij zijn aangewezen op slecht betaalde banen. Met een deeltijdbaan komen zij niet boven het bijstandsniveau uit en met een fulltime baan komt de zorg voor hun kinderen in de knel. Het is dan ook tamelijk onbezonnen dat op nationaal niveau niet systematisch is nagedacht over de samenhang tussen arbeidsplicht, zorgtaken en inkomensverbetering. In de nABW is het principe van de zorg diffuus omschreven; gemeenten worden geacht rekening te houden met de zorg van alleenstaande ouders voor hun nog jonge kinderen, maar wat dat betekent mag iedere ambtenaar van de sociale dienst zelf invullen.

Het gevolg daarvan is dat terwijl 60 procent van deze moeders op termijn graag een (deeltijd)baan wil, gemiddeld niet meer dan 12 procent van de moeders de bijstand uitstroomt, minder dan op basis van een gemiddelde van 6 jaar bijstandsafhankelijkheid verwacht kan worden. Bovendien blijkt dat de gemeenten, rekening houdend met deze moeilijkheden, aan minder dan de helft van de moeders met kinderen van vijf jaar en ouder een volledige arbeidsplicht opleggen. Daarnaast maken de gemeenten wel gebruik van de Regeling Kinderopvang voor vooral parttime werkende alleenstaande ouders, maar is er nog altijd een groot tekort aan kinderopvang voor kinderen van 0 tot 12 jaar.

In plaats van het herstellen van de problemen in de nABW voor de groep alleenstaande moeders met kinderen van vijf jaar en ouder, wil het kabinet hun situatie ongewijzigd laten en een partiële arbeidsplicht opleggen aan alleenstaande moeders met jongere kinderen. En dat terwijl er toch voldoende redenen zijn om nu eerst maar eens werk te maken van het ontwikkelen van de randvoorwaarden waaronder ook alleenstaande ouders werk en zorg kunnen combineren.

Uit internationaal onderzoek blijkt dat het inkomen van alleenstaande ouders in bijna alle gevallen een samengesteld inkomen is, verdiend via betaalde arbeid en extra toeslagen. Een partiële arbeidsplicht van 24 uur per week totdat de kinderen 16 jaar zijn zou daarvan de basis kunnen vormen en sluit aan bij de adviezen van DIVOSA, de VNG en bij de wens van de meerderheid van de moeders. Om deze moeders daarnaast het perspectief te bieden op inkomensverbetering is een vaste vergoeding voor hun zorgtaken noodzakelijk, met een omvang van ongeveer 40 procent van het bijstandsniveau. Dat zou in de vorm van een extra kinderbijslag kunnen of via een belastingvrijstelling. Zo'n zorgvergoeding biedt deze moeders de keuze om twee dagen per week zelf te zorgen of het geld te gebruiken om twee dagen kinderopvang te betalen. Deze zorgvergoeding erkent de moeilijkheid werken en zorgen in je eentje te combineren en komt tegemoet aan de behoefte een vrije keuze te houden ten aanzien van een deel van de zorg voor de kinderen.

Een tweede belangrijke voorwaarde voor het toetreden van deze moeders tot de arbeidsmarkt is het recht op gratis kinderopvang voor kinderen tot 16 jaar. Dat betekent dat een plaats in de erkende kinderopvang een conditio sine qua non is voor het accepteren van een baan. Dit recht moet duidelijk zijn, maar kan gelimiteerd worden als de zorgvergoeding er is. De gratis kinderopvang geldt dan voor drie dagen per week en desnoods kan men een maximum inkomensgrens stellen, bijvoorbeeld 1,5 maal het bijstandsniveau, hetgeen aardig overeenkomt met het gemiddelde salaris van alleenstaande ouders die niet in de bijstand zitten. Dit uitgangspunt versterkt de balans tussen rechten en plichten, benadrukt het belang van goede zorg en stelt duidelijke spelregels vast.

Ten slotte moeten we ervoor waken dat de krappe arbeidsmarkt in de zorgsector en de winkelbedrijven er niet toe leidt dat de rechtspositie en de arbeidsvoorwaarden van de vrouwen aan de onderkant van de arbeidsmarkt verslechteren. De overheid moet ervoor oppassen dat zij niet zelf een circuit van roulerende vrouwen creëert die zonder vooruitzichten op verbetering van hun positie gedwongen worden dit werk te aanvaarden. Dit is kortzichtig. De-professionalisering van de zorg en de-kwalificering van het verzorgende beroep komen de samenleving niet ten goede. En uiteindelijk ging het toch ook om emancipatie.

Dr. Trudie Knijn is als senior docent/onderzoeker verbonden aan de faculteit Sociale Wetenschappen van de Universiteit Utrecht.