Twee-culturenkorps niet bevreesd voor toekomst

Nog geen vijf jaar na de oprichting van het Duits-Nederlandse legerkorps klinkt, binnen de PvdA, al de roep om afschaffing ervan. Op het hoofdkwartier heeft dat tot beroering geleid. Want ondanks cultuurverschillen wordt de militaire integratie als voorbeeldig gezien. `Wir machen nur linksomkeert, Herr Frau Majoor'.

De vier gebouwen van het Duits-Nederlandse legerkorps staan vlakbij het centrum van Münster, waar het gelui van de vele kerkklokken oorverdovend kan zijn. Het hoofdkwartier, een oude kazerne, ligt aan de drukke Hindenburgplatz. Bij de ingang wapperen de Duitse en Nederlandse vlaggen, aan de zijkant waakt een soldaat in een wachthuisje.

Binnen heerst die ochtend een rustige, ontspannen sfeer. Een aantal officieren en onderofficieren in groene gevechtskleding begeeft zich, al dan niet met paperassen, door de lange gangen. Ze spreken (vooral) Duits of Nederlands met elkaar, maar de officiële taal van het huis is Engels, zoals bij alle NAVO-onderdelen. ,,Engels is onze werktaal, Duits die van onze vrije tijd'', lacht de Duitse luitenant-generaal K. Oltmanns in bijna perfect Nederlands. Hij kan daar niet genoeg op hameren.

De 59-jarige Oltmanns is commandant van het Duits-Nederlandse korps, dat in het militaire jargon 1(GE/NL)Corps wordt genoemd. Op het hoofdkwartier werken zo'n vierhonderd mannen en vrouwen, van wie de helft Nederlanders. Tanks of groene legerwagens ontbreken in Münster; op het `kantoor' houdt de staf zich onder meer bezig met zaken als het plannen van oefeningen en materiaalonderhoud, logistiek, communicatie, beveiliging en juridische zaken.

De totale personeelssterkte bedraagt ruim 36.000 mensen. Vijftienduizend van hen zijn Nederlanders, gelegerd in kazernes als die van Oirschot, Havelte, Schaasbergen en het Duitse Seedorf. Alle Nederlandse parate (gevechts)eenheden van de landmacht vallen onder het legerkorps, dat in 1995 operationeel werd. Het is een joint-venture op fifty-fifty basis tussen beide landen: kosten, functies, materieel, verantwoordelijkheden, alles is precies verdeeld. Zelfs het aantal sterren van de generaals is keurig in balans.

De samenwerking – er is sprake van een fusie – is uit nood geboren. Zowel Nederland als Duitsland sneed fors in zijn defensiebegroting en zijn legerorganisatie. Het nieuwe Nederlandse beroepsleger had onvoldoende personeel en materieel om een legerkorps overeind te kunnen houden. Beide landen sloegen in 1993 de handen ineen en vormden twee jaar later samen een legerkorps, om nog mee te tellen binnen de NAVO. Er is ,,iets moois, iets unieks'' ontstaan, zegt commandant Oltmanns in zijn werkkamer. ,,Geen enkele andere multinationale of bi-nationale militaire samenwerking is zo diep geïntegreerd als het Duits-Nederlandse legerkorps. Zo heeft de commandant bevoegdheden die vergelijkbaar zijn met die van de nationale commandant. Ik ben als Duitser in vredestijd voor een belangrijk deel verantwoordelijk voor alle parate eenheden van de Nederlandse landmacht. Bij andere internationale korpsen is dat niet het geval.''

Op de bank naast Oltmanns zit – eveneens in gevechtskleding – generaal-majoor G. Keuning (54), de Nederlandse plaatsvervangend commandant van 1(GE/NL)Corps. Keuning knikt bevestigend bij het betoog van zijn baas. Hij vertelt dat er binnen het legerkorps recentelijk ,,enige beroering'' is ontstaan over het voornemen van de PvdA de samenwerking met Duitsland op te zeggen. ,,Ik heb onze mannen en vrouwen, alsmede een aantal organisaties hier in Münster, moeten uitleggen dat de PvdA-nota een alternatieve nota was, vooruitlopend op de échte nota. En dat de PvdA weliswaar de grootste regeringspartij is, maar niet de zittende regering.''

De PvdA wil het grote legerkorps afschaffen of ,,heroverwegen'', omdat het ,,niet effectief'' en ,,niet betaalbaar'' zou zijn. Opheffing van het militaire samenwerkingsverband, dat volgens haar te veel is geënt op de voorbije periode van Koude Oorlog, zou een besparing van 1,3 miljard gulden opleveren. De PvdA vindt dat crisisbeheersing de enige echte taak van de landmacht is. Daarvoor zijn kleinere en meer flexibele eenheden het meest geschikt. Het Duits-Nederlandse korps heb je daar niet voor nodig, meent de PvdA, die erop wijst dat er veel te weinig parate soldaten zijn voor de vredesmissies.

Maar generaal-majoor Keuning herinnert zich dat minister De Grave (Defensie) zich vorige week, in het Duitse Minden, gelukkig nog lovend over het Duits-Nederlandse legerkorps heeft uitgelaten en bij die gelegenheid zei dat hij ,,niet wil tornen'' aan ,,de goed functionerende en doelmatige samenwerking''. Keuning las de opmerking in de Frankfurter Allgemeine Zeitung onder de kop: `Am gemeinsamen Korps festhalten'. Luitenant-generaal b.d. R. Reitsma, van 1995 tot eind 1997 de (eerste) commandant van het legerkorps, was niet onder de indruk van het PvdA-idee met de Duitsers te kappen. ,,Premier Kok en de toenmalige Bundeskanzler Kohl hebben zich in 1996 persoonlijk aan het korps verbonden. Ik denk dat de PvdA tot inkeer komt als die partij door heeft wat het korps precies doet. De partij veronderstelt dat alles wat het korps onderneemt oud en voorbij is. En dat terwijl het operationele niveau van dit leger zo goed is, dat het binnen de NAVO als een volwassen partner wordt beschouwd.''

Defensiespecialist Rob de Wijk van het instituut Clingendael, dat zich met internationale betrekkingen bezighoudt: ,,De PvdA vergist zich als ze stelt dat opheffing van het Duits-Nederlandse korps een besparing van ruim een miljard oplevert. Ze vergeet dat je als NAVO-land in dat geval aan andere of nieuwe samenwerkingsverbanden zult moeten bijdragen. En dat er weer nieuwe troepen in Nederland worden geparkeerd. Dat alles kost óók handenvol geld.''

De Wijk vraagt zich wel af of het legerkorps zich nog staande kan houden, nu Duitsland volop debatteert over forse bezuinigingen op defensie (geld en mensen) en het land ,,nieuwe verplichtingen'' in de vorm van het Duits-Deens-Poolse legerkorps is aangegaan. ,,Daar komt bij dat de NAVO over de structuur van de strijdkrachten in Europa discussieert. De toekomst van het korps baart zorgen en het bevreemdt me dat een aantal mensen, nee ik noem geen namen, daar absoluut niet over nadenkt.''

Het idee dat het korps de taak heeft louter het NAVO-gebied te verdedigen, is al ,,jaren aan het schuiven'', weet De Wijk. Een compleet legerkorps zal daarvoor niet meer worden ingezet, zegt hij. ,,De NAVO zal onderdelen uit het korps plukken, ze formeert voor elke taak een ad-hoc verband. Het korps is de leverancier van bouwstenen voor defensietaken. De staf in Münster doet het goed: ze organiseert oefeningen in NAVO- en WEU-(West-Europese Unie) verband, leidt operaties en levert eigen officieren.''

Eenheden van het bi-nationale korps zijn momenteel actief bij NAVO- en VN-missies: in Kosovo heeft KFOR een Duitse sector waar 1.800 Nederlandse militairen van 1(GE/NL)Corps zijn ingezet, onder wie het detachement `Gele Rijders'. Bij SFOR in Bosnië werken duizend Nederlandse militairen en op Cyprus honderd. In totaal heeft het Duits-Nederlandse legerkorps een kleine vierduizend militairen van beide nationaliteiten ingezet in de Balkan en het Middellandse-Zeegebied.

Commandant Oltmanns vertrekt volgend jaar uit Münster om plaats te maken voor een Nederlander. Om de drie jaar komt er – zo hebben Duitsland en Nederland afgesproken – een nieuwe leider bij het legerkorps, waarbij diens nationaliteit telkens wisselt. Dat de eerste commandant (Reitsma) de Nederlandse nationaliteit had, was voor de Duitsers even slikken. De benoeming was een handige zet van beide toenmalige ministers van Defensie, V. Rühe en R. ter Beek, want de top van de Nederlandse landmacht verzette zich met volle kracht tegen de ondergang van het Eerste Legerkorps, dat in het bos bij Apeldoorn zetelde.

Niet alleen de leiding van de vaderlandse landmacht lag dwars, ook de `subtop' had bezwaren. In de Volkskrant van 28 augustus 1995 vertolkte een anonieme luitenant-kolonel van een inlichtingensectie aan de vooravond van zijn vertrek bij het Eerste Legerkorps de gevoelens van zijn collega's: ,,De vraag is of we niet te ver zijn gegaan. We hebben ons uitgeleverd aan de Duitsers. We kunnen niet meer terug en de integratie van het legerkorps gaat steeds verder. Als de Duitsers bijvoorbeeld over een jaar of wat ten strijde trekken, wordt Nederland wellicht meegezogen in hun oorlog. Hoeveel Duitsers wonen er niet buiten Duitsland? Laatst was er weer iets met de Sudeten-Duitsers.''

De historicus dr. H. Lademacher, directeur van het Zentrum für Niederlande-Studien van de Universiteit van Münster, deelt die zorg niet. Integendeel. Duitsers vallen niet meer aan, meent hij. ,,De mentaliteit van ons leger is sterk veranderd. Vóór 1945 was het uiterst militaristisch en zeer gedisciplineerd. De soldaten waren vol plichtsbesef, gehoorzaamden onvoorwaardelijk aan de leiding. Dat is allang niet meer zo.'' Sinds het Duitse leger werd heropgericht, in 1955, deed de slogan Der Bürger in Uniform zijn intrede. Lademacher: ,,Militairen zijn burgers in uniform geworden. Mocht er bij onze soldaten nog iets scheef zitten, dan wordt dat in de bi-nationale legerkorpsen snel rechtgetrokken.''

Het gevaar-Duitsland bestaat niet meer, aldus Lademacher, een groot deel van de Duitse militairen maakt deel uit van internationale legers: het Duits-Nederlandse legerkorps, het Duits-Franse, het Duits-Amerikaanse en het pas opgerichte Duits-Deens-Poolse legerkorps. In wezen heeft Duitsland geen eigen leger meer.

,,Het Duits-Nederlandse legerkorps is een voorbeeld voor de andere'', zegt de Duitse majoor K. Zitsmann in het Münster hoofdkwartier. ,,Bij andere samenwerkingen binnen de NAVO kijken ze jaloers naar ons. Hier aan de Hindenburgplatz is de grens tussen Duitsland en Nederland weg.''

In de beginjaren van het korps, en ook later nog, is dat niet probleemloos gegaan. In OpLinie, het blad van de Algemene Federatie van Militair Personeel, gaf overste Vesters daar enkele voorbeelden van. In het Duitse leger, met dienstplichtigen, mogen geen vrouwen meedoen aan militaire acties. Vesters: ,,Ja, ze spreken iedereen aan met Herr.'' Als ze de vrouwelijke Nederlandse officieren benaderden, ging het zo: ,,Herr Majoor, eeehh Herr Frau Majoor.''

Vesters kwam er bij een parade ook achter dat Duitsers geen `rechtsomkeert' kennen. Wir machen nur `linksomkeert', zeggen ze. ,,Dus als je als Nederlanders en Duitsers door elkaar staat, knal je bij het omkeren tegen elkaar. Daar had in het begin niemand aan gedacht.'' Plagerijen komen natuurlijk ook voor. Het scheldwoord `mof' ging in het begin wel over tafel.

Er bestaan cultuurverschillen tussen Duitse en Nederlandse militairen, zo blijkt in Münster. ,,Het Nederlandse leger heeft wat anarchistischer trekjes dan het Duitse'', meent de Duitse historicus Landemacher, die in de jaren zeventig hoogleraar was aan de VU. ,,Nederlandse militairen hebben meer vrijheid, ze zijn losser. Ze droegen lang haar, dat zou in het Duitse leger onmogelijk zijn.''

Commandant Oltmanns zegt dat de verschillen er ,,godzijdank'' nog zijn. ,,We willen beide culturen niet veranderen of harmoniseren. Zo noemen hoge Duitse militairen elkaar, in tegenstelling tot de Nederlandse, niet gemakkelijk bij hun voornaam. Het blijft heel lang Sie.'' Lopend over een gang in het hoofdkwartier staat hij plotseling stil bij een kamer. ,,Hé, de deur staat open'', lacht hij. ,,Op zich niks ongewoons, hoor. Maar het is opmerkelijk, omdat deze kamer aan een Duitse officier toebehoort.''

    • Guido de Vries