Koedendak

Brussel is de hoofdstad van Europa, officieel is de stad twee-

talig, maar wie denkt dat zo een kosmopolitisch klimaat ontstaat vergist zich. In mijn hotel kan ik alleen een woordje Engels wisselen met het Afrikaanse poetsmeisje. Zo'n drie decennia na het einde van de taalstrijd is in restaurants en winkels de enige voertaal Frans, en men lust ook niets anders, met de geborneerde trots van provinciale notabelen.

Een experiment voor Nederlanders: probeer eens om in deze tweetalige stad uw eigen taal te spreken. U wordt bekeken als een boerenhufter, een gek. En, ernstiger, dat geldt ook voor andere Europese talen.

Tijdens deze reis deed ik een minuscuul veldonderzoekje naar de mate waarin Europeanen elkaar kunnen verstaan – een niet onbelangrijk gegeven, als je op den duur één continentale gemeenschap wilt worden. Hoe vaak moest ik gemiddeld passanten aanspreken, voordat ik iemand vond die een vreemde taal sprak? Amsterdam, Stockholm en Helsinki scoorden uitstekend: 1 á 2. Berlijn: 3. St. Petersburg: 6 á 8. Londen: idem – Duits is in opmars voor de zaken. Parijs: 4 – steeds meer Franse jongeren spreken graag Engels. Brussel: ook 4. Alleen: overal elders bestaat een sterke wil om elkaar te verstaan. In de Europese hoofdstad niet.

Het probleem heeft te maken met kennis, en met respect. In zijn prachtige boek over Brussel beschreef Geert van Istendael hoe zijn Franstalige buurman hem groette: `Koedendak. Oe chaat het?', terwijl hij hem antwoordde met: `Bonjour! Ca va?' Zo zou het overal horen, hier en elders in Europa, maar zover is het niet.