Kleine stapjes

Het was wel aardig gezien door Edward Albee (die van Virginia Woolf), theater als muziekstuk met wisselende tempo's. Zelfs als je niet hoort wat er gezegd wordt, voel je de spanningen, de ontladingen, de scherzo's en andantes.

In Amsterdam regisseert de grootmeester een Nederlandse versie van zijn eerste succes, The Zoo Story, maar hij spreekt de taal niet. Geen nood, zei hij in het culturele praatprogramma De Plantage, want de `subtekst' van zijn toneelstuk is internationaal. Taalverschillen doen er niet toe want `het psychoritme en het taalritme zijn vergelijkbaar'.

Je zag hem worteltjes etend zijn stuk dirigeren, luisterend naar het ritme van de spelers Victor Löw en Leslie Gruyters. Hij wist precies welke regels ze zeiden, ook al verstond hij ze niet. Dit stuk uit 1958 heeft hij ontelbare malen geregisseerd.

Toch geloof ik niet, dat de `subteksten' van talen zo op elkaar lijken. Als ik de televisie aanzet in Rusland of Finland, voel ik me even op Mars. Niet alleen is de taal vreemd, maar ook de subtekst. Stel je voor dat Nederlandse acteurs de wegwerpende spreekstijl van Fransen zouden nadoen.

Amerika verkeert in een uitzonderingspositie omdat iedereen zoveel Amerikaanse televisie ziet. Kinderen doen met speelgoedgeweertjes Amerikaanse tv-series na. Nieuwslezers en weermannen proberen net zo relaxed te grappen als hun Amerikaanse collega's. Overal ter wereld. In het studiogesprek spraken Gruyters en Löw geen Engels maar Amerikaans met dat nasale accent.

Volgens Albee is de The Zoo Story, een dialoog in een park, in de loop der tijd veranderd. Het park is gevaarlijker geworden. Een man op een bank zal nu niet zo gauw gaan praten met een passant die hem aanspreekt. Toch zou je het in het Vondelpark eerder doen dan in het engere Central Park. De geladen agressie in een Amerikaanse dialoog is in Nederland pathetisch. The Zoo Story is de uitdaging van een burgerman. De Amerikaan zou zich schuldbewust als de burgerman zien. Iedere Nederlandse brave burgerman zou zich koesteren in de illusie dat hij de uitdager was, goed verzekerd uiteraard.

Zo'n gezellig kunstprogramma als De Plantage bestaat in Amerika niet. Ze zijn daar net wat minder relaxed, men kent elkaar minder goed, de complimentjes zijn geforceerder, de kunstwereld is groter, de glimlach verkrampter. Hanneke Groenteman bekende ooit op de Amsterdamse lokale tv dat ze graag wou afvallen. Doe het niet, doe het niet. Ik dacht aan de danse macabre van uitgezogen en opgelifte oudere Amerikaanse sterren. Ik kan geen gram Groenteman missen.

Die stukken van Albee gingen altijd over het zelfde probleem, zei Groenteman. Confrontaties zonder contact. Albee, inmiddels een milde man van 71 geworden, antwoordde geduldig dat `er geen toneelstuk kan worden geschreven over mensen die goed met elkaar overweg kunnen'. Hier is dat niet zo vanzelfsprekend.

Ik moest eraan terugdenken toen Lopende Zaken een reportage beloofde over de `scepsis' van FNV-voorzitter De Waal over het poldermodel. Wat bleek? Hij had alleen de pest aan het woord `poldermodel' maar hij geloofde heilig in `de strategie van kleine stapjes'. De reportage was een reeks onderonsjes met zo'n beetje alle bekende gezichten van Buitenhof.

Bij Buitenhof had de Amerikaanse historicus James Kennedy geconstateerd dat de Nederlandse politiek dood was. En inderdaad, een collectief van drie gasten had net besloten dat een topambtenaar weg moest omdat hij een interessant geluid had laten horen. De socioloog Zijderveld had in een gesproken column geconstateerd dat die visieloosheid van Kok ideaal was.

Maar in Amerika is de politiek ook tam gemaakt. De presidentsverkiezingen gaan nergens over. Ik zie het verschil niet met Nederland. Kennedy noemde het Lewinsky-schandaal. Dat leverde discussie op. Inderdaad, boeiend tv-theater, maar ik ben blij dat het niet over Den Haag gaat.