ICOON VAN HET VERLOREN ROTTERDAM

Een dag na wat zijn 92ste verjaardag zou zijn geweest brengt Rotterdam vanavond opnieuw een eerbetoon aan Nederlands grootste bokser aller tijden, Bep van Klaveren. Hoewel The Dutch Windmill zeven jaar geleden overleed, leeft zijn herinnering voort.

Niets kunnen ze, helemaal niets, die luie donders. Nog geen deuk in een pakje boter kunnen ze slaan. Lafbekken zijn het, verwende nesten, over het paard getilde nietsnutten. Iemand `een peer voor z'n murf geve?' Welnee, daar komen ze tegenwoordig hun bed niet meer voor uit, die slapjanussen. Was getekend: Bep van Klaveren.

Als het evenbeeld van kapitein Haddock uit het stripverhaal Kuifje (,,Duizend bommen en granaten!'') sleet Nederlands beste bokser ooit zijn laatste dagen: vloekend, scheldend en tierend. Als in zijn beste dagen. In zijn tirades moest meestal de jeugd het ontgelden, die `gaste die er geen klote' van konden. Nee, ze zouden een voorbeeld aan hem kunnen nemen. Aan die oude krijger die maar niet van opgeven wist, die nog elke dag met zijn vuisten tegen een bokszak stond te stoten. Een man die wist wat vechten was.

Toevallige voorbijgangers zagen hem nog wel eens op Woudenstein, het stadion van zijn favoriete voetbalclub Excelsior. Languit liggend op de middenstip, genietend van de zon op een doordeweekse dag in Kralingen. Ze konden hun ogen niet geloven. Was dit de voormalig olympisch kampioen van 1928, die straatvechter uit Crooswijk die het ooit waagde om maffiabaas Al Capone af te blaffen?

Zeven jaar geleden overleed Nederlands grootste bokser aller tijden, maar zijn geest waart nog altijd rond. Laat dat maar aan Aad Veerman over. Kosten noch moeite spaart de 60-jarige zakenman/miljonair om de herinnering aan zijn boezemvriend levend te houden. Vlak na de dood van het Rotterdamse idool van wie Veerman ooit de tassen mocht dragen, besloot de boksfanaat een standbeeld voor hem neer te zetten. In Crooswijk, de bakermat van Van Klaveren en Veerman, waar anders? Anderhalf jaar later volgde de oprichting van de `Dutch Windmill Club', een kleurrijk gezelschap Rotterdammers-op-leeftijd dat nog altijd twee keer per week tussen de touwen klimt. Onder de leden twee van Van Klaverens (half-)broers, Wim en Jan.

Vanavond schuift het gezelschap aan in sporthal Schuttersveld, voor alweer de zesde editie van de Bep van Klaveren Memorial. Het boksgala in hartje Crooswijk, dat gisteren begon met een serie voorrondes, komt geheel en al voor rekening van Veerman. Tot 2002 staat de horeca-ondernemer annex speelautomatenhandelaar garant voor de organisatie. ,,Dat heb ik Bep beloofd. En wat ik beloof, dat doe ik.''

Zelf struinde Van Klaveren tot op late leeftijd nog alle gala's af. Natuurlijk liep hij bij die gelegenheden Regilio Tuur wel eens tegen het lijf. Maar ach, Regilio Tuur. Alleen de naam al deed hem gieren van de pret. ,,Tuur maak niks klaar tegen me'', blufte hij op 82-jarige leeftijd tegenover verslaggevers als die hem weer eens vroegen naar zijn mening over het boksertje uit Hoogvliet. ,,Sodemieter op met je Tuur. Wat heb die vrijer nou gepresteerd? Laat me dat nou es wete.''

Nee, dan liever Eddy Smulders, de Brabander met de verwoestende stootkracht. In de geblokte Eindhovenaar herkende Van Klaveren zichzelf: een bokser die altijd op zoek ging naar de knock-out en, niet onbelangrijk, nog voor de duvel niet bang was. Want wat gebeurde er ook alweer toen Van Klaveren in de jaren dertig oog in oog stond met gangsterbaas Al Capone, zoals De Bokskrant drie jaar geleden nog maar eens memoreerde? ,,Had'ie van die grote sigaren en die douwde hij dan zo in je murf. Ik moes van 'um een partij verlieze. Nooit niet, dus hij zeg: Weet je wel wie ik ben, Al Capone. Ik zeg: Fijn voor jou, ik ben Bep van Klavere.''

Verfilmd is Van Klaverens levensverhaal nog altijd niet, een korte documentaire uit 1980 buiten beschouwing gelaten. Dat is onbegrijpelijk voor wie zijn Pietje Bell-geschiedenis kent. Jules Deelder, boksliefhebber en nachtburgemeester van Rotterdam, schilderde negentien jaar geleden in zijn boek De Dutch Windmill al een meeslepend portret van de legendarische bokser. Van Klaveren als de icoon van het Rotterdam dat niet meer bestaat.

Zijn doorbraak beleefde Van Klaveren in 1928, toen Amsterdam gastheer was van de Olympische Spelen en de stootgrage Rotterdammer in een volgepakt Olympisch Stadion het goud won in het vedergewicht. Een wonder, verklaarde Van Klaveren naderhand. Want hoe hadden de heren van de boksbond het in hun hersens kunnen halen om hem, die vrijgevochten volksjongen uit de bruisende havenstad, op te sluiten in Edam of all places?

`Hadden ze daar zo'n raadhuis, met zo'n klokkenspel, weetjewel, en ieder kwartier hoorde je dat wijsje van ,,In een blauwgeruite kiel...'' Dag en nacht dóór! 'k Dacht dat ik gèk werd van dat pleurisding!'

Twee jaar na zijn olympische triomf nam Van Klaveren samen met zijn trainer-begeleider, Theo Huizenaar, de wijk naar Amerika, toen al het walhalla van de professionele bokssport. Op zoek naar wereldwijde erkenning, op zoek ook naar het grote geld. Het liep anders.

`Ze dorsten me niet te laten boksen, ze dachten: dat is zo'n halve zool uit Holland, weetjewel. Ze wouen eerst wel eens zien of ik boksen kon... Kreeg ik eindelijk een gozer om mee te trainen [...] Die gozer komt de ring in en ik gééf 'm een hoek... Als een plank ging ie neer!'

Gedesillusioneerd keerde Van Klaveren terug, om nog geen paar maanden later opnieuw zijn geluk te beproeven aan `de overkant'. Met succes ditmaal. Amerika raakte in de ban van die molenwiekende Hollander met de vuisten van beton. The Dutch Windmill werd zijn bijnaam. Van Klaveren verdiende geld als water. Had drie auto's op de oprijlaan staan, was een graag geziene gast in Hollywood. Maar hield uiteindelijk geen cent over aan zijn escapades tussen de touwen.

`Van die twee wijven kreeg ik een kunstkop. Dan had ik weer ruzie met die moeder over die dochter en dan weer met die dochter over die moeder... Maar die dochter, dus mijn vrouw, die heb me een stoot póen gekost! [...] Ze kocht es een keer tweeëndertig paar schoenen, twéé-en-dèrtig in ene keer! [...] Daar viel niet tegen op te boksen!'

Boksen als metafoor van het leven, boksen om te overleven – Van Klaveren droeg die boodschap zijn gehele leven uit. Zijn laatste wedstrijd bokste hij op 48-jarige leeftijd, in Rotterdam tegen de twintig jaar jongere Fransman Idrissa Dione. Van Klaveren verloor het Europese titelgevecht in het middengewicht op punten. Een nederlaag die hem de rest van zijn leven bleef achtervolgen.

`Hobbies heb ik niet, heb ik nooit gehad ook. Trainen is mijn hobby. Ik train nog elke dag train ik, boven op die zak. Als ik niet traint, ga ik dood...'

Na zijn afscheid dook zijn naam nog regelmatig op in krantenkolommen. Zoals in november 1975, toen hij op de Excelsior-tribune twee heethoofden uiteen trachtte te halen, maar ,,zelf tot de aanval moest overgaan toen hij met enkele klappen werd bedreigd'', zoals het Algemeen Dagblad daags erop schreef. ,,De Rotterdammer loste dat in grootse stijl op'', voegde de krant daar fijntjes aan toe.

Alle cursieve citaten afkomstig uit: J.A. Deelder, De Dutch Windmill (Uitgeverij Veen, 1980).