Duizelingwekkend

Hoeveel olympische medailles gaat Nederland volgend jaar in de wacht slepen? Meer dan de negentien van Atlanta, waar in 1996 de roeiers, hockeyers, volleyballers en mountainbiker Bart Brentjens met goud werden beloond? Dat zou eigenlijk wel voor de hand liggen. Nooit eerder waren de faciliteiten voor de kandidaat-olympiërs zo uitgebreid en zelfs overvloedig als op de route naar Sydney. Een topsporter hoeft maar te kikken en hij kan naar een zonnig trainingskamp waar ook ter wereld afreizen. Geld is eindelijk geen probleem meer.

Helaas zit het boze buitenland ook niet geheel stil. Dat geeft te denken. Joop Alberda, chef de mission van de olympische ploeg, lijkt zich daarom alvast een beetje in te dekken voor een tegenvallende oogst. Beweerde hij aanvankelijk dat wij Nederlanders ons voor de slechts negentien medailles van Atlanta diep moesten schamen, nu betoogt hij met een stalen gezicht dat de Spelen te vroeg komen en er gemiddeld tien jaar voor staat om in een of andere tak van sport aansluiting bij de wereldtop te krijgen,

Sydney wordt dus niet meer dan een tussenstation. Laten we de 30 medailles die André Bolhuis, de vorige chef de mission, voor het evenement op Australische bodem in gedachten had, maar snel vergeten en ons op Athene (2004) richten. Tegen die tijd is er dankzij de steun van overheid en sponsors nog meer geld beschikbaar en kan een olympische kampioen na afloop van zijn carrière doen waar hij of zij recht op schijnt te hebben: stil gaan leven.

Om de kunst van het winnen onder de knie te krijgen organiseerde NOC*NSF een symposium op Papendal waar Alberda de stelling voor zijn rekening nam dat Nederland zeker wel zou kunnen uitblinken in een tak van sport als de atletiek. ,,Bij het volleybal en het schaatsen lukt het ons toch ook'', vergeleek hij appels met peren.

De vroegere volleybalcoach moet toch wel weten dat de mondiale concurrentie in de moeder der sporten duizelingwekkend is en sinds de doorbraak van een aantal Afrikaanse landen nog aan kracht heeft gewonnen. Daartegen opboksen is voor een klein land nauwelijks meer te doen en een olympische medaille winnen, zoals Ellen van Langen in Barcelona op de 800 meter deed, gebeurt alleen bij hoge uitzondering. De verwijzing van Alberda naar de Nederlandse schaatssuccessen is bijna komisch te noemen. Hij had ook het dammen, korfbal en touwtrekken ten voorbeeld kunnen stellen, bezigheden waarin Nederlanders op olympisch niveau ongetwijfeld in de prijzen zouden vallen. Maar helaas, zij mogen niet meedoen.

Op het symposium gaven oud-topsporters hun bedeesd luisterende opvolgers het advies positief te denken, in de eigen mogelijkheden te geloven en de druk bij de tegenstanders te leggen. Dat haalt je de koekoek. De Ratelbandfilosofie stond ook centraal in de peptalk van de Britse atleet Daley Thompson, een voormalige tienkampkampioen. ,,Het zit tussen de oren'', wist hij zeker. De sponsor van het symposium, een bedrijf in mobiele telefonie, bloosde van weelde. Met: ,,Jullie kunnen allemaal medailles winnen'', besloot Thompson zijn typisch-Britse verhaal. ,,Mits je ervoor zorgt de tegenstander angst in te boezemen.''

De vraag is wat daarvan volgend jaar in Sydney terecht zal komen. Nederlandse sporters die zichzelf opblazen en blakend van zelfvertrouwen aan een karwei beginnen, vallen dikwijls door de mand. Het nationale voetbalteam weet daar alles van.

Meer perspectieven biedt de rol van underdog. Het zou bijvoorbeeld verstandig zijn van Margriet Matthijse, een zeilster in de Europe-klasse, om na haar pre-olympische triomf de concurrentie op een voetstuk te plaatsen. Dezelfde tactiek is misschien aan te bevelen voor zwemmer Pieter van den Hoogenband, de grote uitblinker van de laatste EK.

    • Ben de Graaf