Defensie is gebaat bij centrale planning en beheer

Minister van Defensie De Grave moet voorkomen dat de inzetbaarheid en de gevechtskracht van de krijgsmacht worden uitgehold door de versnippering van taken en bevoegdheden in de planning en de beleidsvoering, vindt Peter Volten. Doormodderen ter wille van deelbelangen zal de problemen niet wegnemen maar slechts vergroten.

De heldere en degelijke nota die de PvdA-fractie begin september publiceerde, lijkt de laatste van een reeks bijdragen tot de Strategische Toekomstdiscussie Defensie. Minister van Defensie De Grave die de Nederlandse samenleving daartoe had uitgenodigd in zijn Hoofdlijnennotitie, is nu aan zet en de vraag is hoe hij de adviezen en studies verwerkt in zijn Defensienota. Hij kan vasthouden aan het in zijn notitie ontvouwde beleid en kritiek weerleggen door te wijzen op de uiteenlopende adviezen, zoals de wens van de PvdA het Nederlands-Duitse legerkorps op te heffen tegenover het sterk aandringen op samenwerking in dat verband door de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV). Maar De Grave kan ook gebruikmaken van het reeds verrichte denkwerk en dit verwerken in zijn nota. De politieke keuzes die hij moet doen, kunnen worden gesteund door de politiek-maatschappelijke overeenstemming en consensus die op belangrijke punten uit studies en debat naar voren zijn gekomen.

De discussie heeft bovenal geleid tot de overtuiging dat er echt gekozen moet worden binnen het beperkte budget en dat `versnippering' van geld over te veel taken de inzetbaarheid en gevechtskracht van de krijgsmacht tot een onaanvaardbaar laag niveau heeft uitgehold. Een ongevraagd advies kwam in dit opzicht voort uit de ervaringen in Bosnië en Kosovo, waar het belang van geloofwaardige grondtroepen werd onderstreept. In dat licht is wellicht ook de vraag van de studie Krijgsmacht of Vredesmacht van Instituut Clingendael gesteld. Het antwoord is inmiddels in brede maatschappelijke kring ondubbelzinnig: we hebben een krijgsmacht nodig, die over snel inzetbare, parate eenheden beschikt. Er is ook een grote mate van overeenstemming over de noodzaak juist de landmacht aanzienlijk te versterken. Mocht hiertoe in de Defensienota worden overgegaan, dan dienen in het politieke debat nog wel enkele vragen te worden beantwoord: hoe groot is het vertrouwen in het vinden van voldoende Nederlanders voor risicodragende acties in het buitenland, in het handhaven van steun in ons democratisch bestel, en – mede gezien in het licht van de geschiedenis – in de daadkracht, wilskracht en het operationele vermogen van de Nederlandse landmacht? De AIV schrijft in dit verband niet voor niets dat men daartoe `ondubbelzinnig bereid' moet zijn. Enig zelfonderzoek gedurende de komende politieke besluitvorming is geboden. Onze doelstellingen op het gebied van buitenlands beleid moeten een ieder duidelijk voor ogen staan, juist nu onvervalste interventies daarvan deel uitmaken. De rol en het gebruik van onze militaire macht in het buitenlands beleid liggen in Nederland moeilijker dan bijvoorbeeld in Frankrijk.

Het dilemma van zelfstandige taakvervulling versus een internationale taakverdeling is in de discussie in het voordeel van een nationale inzet uitgevallen. Ook de Hoofdlijnennotitie spreekt zich daarvoor uit. De Grave hoeft zich evenmin zorgen te maken over aandringen door de PvdA op internationale taakspecialisatie, waarvoor in het verleden wel belangstelling werd getoond. Evenals in de meeste studies valt ook in de PvdA-nota de nadruk op nationale zelfstandigheid op operationeel gebied. Wel keert de nota zich tegen de teneur van de Hoofdlijnennotitie, dat de nationale inspanning aan de individuele krijgsmachtdelen wordt overgelaten. Zij dringt aan op interservice samenwerkingsverbanden als bijvoorbeeld tussen het Korps Mariniers, de Luchtmobiele Brigade, de Tactische Groep Helikopters en het Korps Commandotroepen en legt het commando daarover weer in een hoger verband met de Gemechaniseerde Divisie en de Groep Geleide Wapens. Die commandovoering over eenheden van verschillende krijgsmachtdelen heeft aanzienlijke operationeel-organisatorische voordelen, maar het is nog belangrijker dat versnippering van taken en bevoegdheden ook wordt aangepakt in de planning en beleidsontwikkeling. De daartoe voorgestelde corporate planner is belast met de conceptuele en beleidsmatige planning voor de krijgsmacht als geheel en kan zorgen voor continuïteit in het bewaken van beleid en is een wezenlijke schakel tussen de politieke leiding en de operationele staven. Zijn staf bestaat uit burgers en militairen, maar de laatsten worden niet beoordeeld en bevorderd door hun eigen krijgsmachtdeel. Alleen dan kunnen de barrières tussen de krijgsmachtdelen worden doorbroken, kan overzicht op de nationale inspanning worden verkregen en kan voortdurend toezicht worden gewaarborgd op de uitvoering van politieke keuzen. Voorstanders van intensieve internationale samenwerking kunnen er voorts op wijzen dat een dergelijke centrale planning en beheer daartoe een voorwaarde zijn. In ieder geval is het een verbetering ten opzichte van internationale samenwerking tussen krijgsmachtdelen. De nadruk ligt dan op internationale missies en taken en niet langer op versnipperde middelen van individuele krijgsmachtdelen. Het belang van de beoogde versterking van de politieke besluitvorming is enorm.

Of voor deze ingreep in de huidige defensie-organisatie een voldoende breed draagvlak bestaat, is thans niet bekend. Dit (oude) idee is daarvoor tekort geleden nieuw leven ingeblazen. Maar het lijkt geenszins onhaalbaar met enige politieke moed en doorzettingsvermogen. Het is goed uit te leggen dat doormodderen ter wille van deelbelangen de problemen niet wegneemt, zelfs verergert, en dat politieke keuzen, welke dan ook, worden gerespecteerd en ook niet op termijn worden ontkracht. Tenslotte dient een bundeling van nationale bijdragen op hogere niveaus een geloofwaardige inzet in het internationale overleg.

Dit laatste is van belang voor de onderkende behoefte de Europese inbreng in de NAVO te vergroten. Kosovo heeft tot deze algemene opvatting ook een steentje bijgedragen. Enerzijds zou West-Europa bereid alsmede in staat moeten zijn meer te doen ter wille van een meer evenwichtige verdeling van de lasten. Anderzijds is gebleken dat de grote afhankelijkheid van de VS ongewenst is. Het optreden van Washington op diplomatiek en strategisch gebied was namelijk te solistisch en had een ad hoc-karakter.

Met een buitenlands beleid van de VS, dat vooral wordt gekenmerkt door selectieve betrokkenheid en hegemoniaal optreden op zelf bepaalde tijdstippen, is noch de NAVO noch West-Europa gediend. West-Europa moet dan wel meer gewicht in de schaal kunnen leggen. Een grotere rol van West-Europa kan echter niet worden verwacht als gevolg van (alleen) meer geld voor defensie. De meeste adviezen wijzen dan ook op de behoefte aan meer samenwerking, al is dit in tegenspraak met de voorkeur voor een nationale aanpak van de defensie-inspanning.

Het defensiebeleid kan op brede steun rekenen. De hoofdlijnen zijn in de discussie verduidelijkt. Zij dienen het gehakketak over een tank meer of een schip minder te overstijgen. Minister De Grave heeft daartoe de mogelijkheid gegeven. In de Defensienota kan hij dat politiek verzilveren.

Peter M.E. Volten is hoogleraar internationale betrekkingen en directeur van het Centre for European Security Studies te Groningen.