De Kop van Jut

Een scheidsrechter is ook een mens. Of niet soms? Natuurlijk niet, roepen ze in de wakkere wereld van voetballers, voetbaltrainers en voetbaljournalisten. De scheidsrechter is geen mens, de scheidsrechter is een onmens die er altijd op uit is het voetbalspel te vergallen. Eigenlijk is hij meer een hond, waartegen je mag schreeuwen en schelden, zo'n hond die je mag slaan en schoppen, net zo lang totdat hij rijp is voor het tehuis van geslagen honden.

Zowat alles zeggen de voetballers en hun trainers tegen de scheidsrechter. Alles wat maar in hun opgewonden hoofd opkomt. Na bijna elke wedstrijd hoor je wijsneuzen als Van Hanegem, Adriaanse en Beenhakker – of hoe ze ook mogen heten – de scheidsrechter de schuld geven van de slechte prestaties van hun elftal. Verpakt in het ergste soort humor, de voetbalhumor, palmen ze het gehoor van journalisten in met cynische of botweg beledigende aanmerkingen op de arbitrage. Liefst willen ze voor de wedstrijd zelf de scheidsrechter kiezen en hem dan inprenten dat alleen de orde gehandhaafd dient te worden wanneer de tegenstander vuil speelt.

Zoals ze Roelof Luinge, een stugge scheidsrechter uit het landelijke noorden, bejegenen wanneer deze een discutabele beslissing heeft genomen. Dat doe je alleen je ergste vijand aan. Ze hebben hem al voor alles uitgemaakt wat doorgaans in de hoofden van straatschoffies broeit. Nooit zullen hem – of welke scheidsrechter ook – complimenteren wanneer hij een goede wedstrijd heeft gefloten. Nooit. Kom nou, zoiets doe je niet.

Het koor van journalisten zingt mee met de onderwereld. Ze horen alleen wat voetballers en trainers te melden hebben – hoe dom en kortzichtig ook van strekking. Ze zingen mee met de voetballers en trainers wanneer Luinge en zijn collega's niet hebben gefloten zoals ze zouden moeten fluiten. Voetballers mogen schoppen en slaan met hun ellebogen, mogen zich laten vallen als kreupele bejaarden, ze mogen overtredingen uitlokken en het publiek aanzetten tot verbaal geweld. Wanneer Luinge de regels hanteert en zegt dat ze dat toch allemaal ècht niet mogen, roepen ze dat Luinge een lul is, een kwal en meer van dat soort termen. O, grote God, wat voor schepsels zijn dit toch?

Luinge heeft niet de allure van een popster, niet de tred van een danser en het verbale vermogen van een marktkoopman. Misschien is dat een nadeel, misschien maken die tekortkomingen hem zo kwetsbaar. Hij en zijn Nederlandse collega's zijn geen mannetjes als Italiaanse scheidsrechters. Zij flaneren niet als dressmen over de catwalk van stadio il paradiso, zij spelen geen fluit als conservatoriumgangers. Hun wil is wet. Wie in Italië aan dottore arbitro komt, pleegt majesteitsschennis.

Luinge heeft eens een glaasje te veel gedronken in zijn favoriete bestuurskamer, zelfs eens een scheve schaats gereden en zeker veel fouten gemaakt – ook op het voetbalveld. Mag dat? Nee. Luinge dient een man van onbesproken gedrag te zijn. En hij dient vooral de fatsoensnormen te begrijpen die voetballers en trainers er op na houden. Hij moet hun vriend zijn. Samen oorlog voeren, samen het publiek vermaken, samen met de regels van het spel sjoemelen.

De roep om elektronische hulpmiddelen voor de arbitrage wordt luider. Het is de vraag of Luinge daardoor ook een vriend van voetballers en trainers wordt. Natuurlijk niet. Zolang een scheidsrechter nodig is om voetbal te behoeden voor het kwaad, blijft hij de Kop van Jut. Zonder Luinge zou geen voetballer en trainer zijn frustraties kunnen afreageren. Luinge weet dat, hij heeft intussen geleerd te leven met de regels van de straat.

    • Guus van Holland