Aangehaald in de Grote Van Dale

In de nieuwste druk van de Grote Van Dale, die vandaag in Amsterdam is gepresenteerd, staan 9.729 citaten. Er zitten een paar citaten tussen van politici, journalisten, cabaretiers en historici, maar de meeste zijn afkomstig van schrijvers. In totaal worden zo'n achthonderd mensen aangehaald.

Zegt dat nou iets, als een schrijver wordt geciteerd in het meest gezaghebbende woordenboek van het Nederlands? De meesten zullen er trots op zijn, maar nee, het zegt niet veel over hoe belangrijk of populair ze zijn. Dat komt doordat die citaten tamelijk willekeurig bij elkaar zijn gesprokkeld. Dat gaat ongeveer zo. Een redacteur van Van Dale leest een boek en stuit op een woord dat nog niet in het woordenboek blijkt te staan. Als het woord belangrijk genoeg is, en het citaat leuk of verhelderend genoeg, dan worden ze samen opgenomen. Het kan ook zijn dat de redacteur een leuk citaat vindt bij een woord dat al in de Grote Van Dale staat, maar dan zonder garnering of met een verouderd of nietszeggend citaat. Laatste variant: een en ander wordt aangedragen door iemand van buiten.

Kortom, willekeur is het uitgangspunt en waarom ook niet. Op z'n best zeggen de citaten iets over de leesgewoonten van de redacteuren die de afgelopen decennia aan de Van Dale hebben gewerkt.

Een van hen moet kennelijk een groot liefhebber van Arthur van Schendel zijn geweest, want die is – 53 jaar na zijn dood – met 462 citaten verreweg het best vertegenwoordigd. Ook Geerten Gossaert, die met 282 citaten op de tweede plaats staat, is al enkele Van Dale-drukken geleden overleden. Vestdijk staat met 266 aanhalingen op de derde plaats.

De eerste nog levende auteur is Koos van Zomeren. Zijn eerste aanhaling is te vinden bij het woord aanpassen (`ik verdom het, ik laat me niet opslokken door de wereld, de wereld moet zich maar aanpassen aan mij') en hij eindigt, 94 aanhalingen verder, bij zombie (`het popperige dametje sloeg haar handen voor haar mond toen ze de als zombies rondhossende mannen gewaar werd'). Wie het werk van Van Zomeren kent, zal niet verbaasd zijn dat hij ook wordt aangehaald bij onder meer beest, berg, boom, gras, katvogel, korhoen, kruid, kruiwagen, lente, miauwen, mos, natuur, rugzak, scholekster, schuilhut, skink, slangenhalsvogel, socialisme, varaan en vogelaar. Veel van die citaten stonden trouwens al in de vorige druk, er zijn er maar een paar van hem bijgekomen.

De Grote Van Dale is bij deze herziening grondig overhoop gehaald, maar het is duidelijk dat men niet is toegekomen aan het rechttrekken van de bronvermeldingen. Zo wordt bij dertien citaten `Reve' als bron aangehaald, vier hebben als aanduiding `Van het Reve', twee `G. van het Reve' en één `G. Reve'. Nu heeft Reve het de lexicografen moeilijk gemaakt door zelf een paar keer zijn naam te veranderen, maar er is geen reden om Beatrijs Ritsema bij zeven aanhalingen te vermelden als `Ritsema' en een keer als `B. Ritsema'. Bij vrijwel alle schrijvers ontbreken de voorletters en dat is soms knap lastig, want wie is `Van Lennep'? Is dat a. David, b. Jacob of c. Gerard? Daar staat tegenover dat er soms complete voornamen opduiken, zoals bij Wim Kan, Rob Lubbers, Peter Schat en Johnnie Jordaan.

Van de nog levende auteurs zijn Brakman (met 92 citaten), Voskuil (78), Maarten 't Hart (62), Cees Nooteboom (58), Gerrit Krol (56), Hugo Claus (48), Maarten Biesheuvel (45), Jeroen Brouwers (38) en Gerrit Komrij (34) het best vertegenwoordigd. Campert staat er 30 keer in: R. Campert 18 keer, en ook J. Campert is van de partij.

En dan zijn er natuurlijk nog de schrijvers die onder verschillende namen opduiken, zoals Heijermans en Falkland, Hofland en Montag, en het trio Battus, Brandt Corstius en Piet Grijs.

Sommige populaire auteurs worden minder vaak aangehaald dat je zou verwachten. Kees van Kooten veertienmaal (plus een keer als Koos Koets), Connie Palmen negen keer, Jan Wolkers en Adriaan van Dis zeven keer en Youp van 't Hek driemaal. Grünberg staat er één keer in, Giphart helemaal niet. 't Hek tekende trouwens voor een van de kortste citaten, namelijk `bobo's waven niet'.

Het eerste exemplaar van de nieuwe Van Dale werd vanmiddag uitgereikt aan Harry Mulisch en natuurlijk is ook deze gedoodverfde Nobelprijswinnaar in het woordenboek vertegenwoordigd. Hij is aanwezig met veertien citaten, met als mooiste `wat heb jij toch met vrouwen, wat ik niet heb'. Bovendien staan er twee boektitels van hem in, namelijk Bericht aan de rattenkoning en Voer voor psychologen.

Van de Nederlandse historici is Huizinga nog steeds het best vertegenwoordigd (met 239 aanhalingen), een enorm verschil met L. de Jong en Von der Dunk, beide goed voor één citaat.

Koningin Beatrix werd in de vorige editie al aangehaald bij sterven, maar er zijn nog twee citaten van haar toegevoegd, waardoor zij nu even vaak in Van Dale staat als bijvoorbeeld Cas de Stoppelaar, Jan Cremer, Helga Ruebsamen en Jan Kuitenbrouwer. Bij multicultureel zegt de vorstin `het multiculturele karakter van onze samenleving is in menig opzicht verrijkend' en bij afglijden `er zijn tekenen die wijzen op een reëel gevaar van langzaam afglijden naar een egocentrisch denken en handelen, dat de vrijheid van de medemensen aantast'. Prins Bernhard was al vertegenwoordigd bij boodschappenjongen, met de woorden `ik laat me door geen enkele partij als boodschappenjongen gebruiken'.

Ruud Lubbers stond al met twee aanhalingen in de vorige editie en hoewel hij inmiddels van het Haagse toneel is verdwenen, zegt hij bij kap `de overheid kan iets minder voor z'n kap nemen, u moet maar wat meer lenen'. Wim Kok, die in deze editie debuteert, vult hem op twee plaatsen aan. Bij tand zegt hij `met een tandje minder krijg je betere resultaten: een minder diepe recessie, minder werkloosheid, minder langdurig werklozen' en bij actief `de grootste zorg is: hoe krijgen we inactieven weer actief'. Na deze programmatische uitspraken is het citaat van Frits Bolkestein wel erg nietszeggend. De voormalige fractievoorzitter van de VVD wordt slechts één keer in Van Dale aangehaald, en wel bij misnoegen. Hij zegt daar niets meer, en niets minder dan `zeer specifieke en concrete misnoegens'.

Met dank aan Norbert Herremans.