Wat staat daar?

Wie nog wel eens een ansichtkaart schrijft, of een condoleancebrief, die kent het. Die kramp, die onwennigheid, dat slecht leesbare eindresultaat. Want het komt er steeds minder van, van schrijven met de hand. Een paraaf onder de onkostendeclaratie, of een boodschappenlijstje voor eigen gebruik, dat lukt nog wel. Maar met de pen een brief schrijven, een dictaat opnemen of een opstel maken? Vaardigheden die zo langzamerhand onder de rubriek oude ambachten vallen.

Oorzaak is natuurlijk de computer. Sinds teksten zo gemakkelijk met een toetsenbord zijn te maken, en met een druk op de knop van ook de meest verwarde notitie een scherpe print in Times New Roman valt te maken, sinds die tijd is de animo om met zelf getekende letters genoegen te nemen erg afgenomen. Werkgevers bekijken een met de hand geschreven sollicitatiebrief met opgetrokken wenkbrauwen. Hebben we hier soms te maken met een kandidaat die de elementaire beginselen van Windows en Word nog niet beheerst? En wie wil meedoen aan het wereldwijde e-mailverkeer heeft ook al geen keus. Aan de fijnste fineliner heb je niets als je die leuke jongen uit Ibiza wat liefdesmail wil sturen.

Maar het is niet alleen de schuld van de computer. Het zit hem ook in het schrijfonderwijs. Heel vroeger, toen de lagere school nog bestond, was het 's `schrijven' een belangrijk onderdeel van het lesrooster. In de eerste, tweede, derde en vierde klas werd schrijven gegeven, en in de vijfde en zesde klas werd op het schrijven gelet. Het was de tijd dat de onderwijzer onder een opstel noteerde: Taal 7, Schrijven 6.

Vanaf de wet op het basisonderwijs (1985) komt het schrijfonderwijs niet meer voor. Schrijven is een onderdeel van het taalonderwijs geworden, en het wordt aan de leerkracht overgelaten hoeveel aandacht hij eraan besteedt. Het schrijfonderwijs beperkt zich in de praktijk tot groep 3 en 4.

Is dat erg? ,,Nou erg'', zegt Marius Lindeman, docent schrijven aan een PABO in Amsterdam, ,,maar je ziet dat in het voortgezet onderwijs veel leerlingen in moeilijkheden komen. Ze hebben geen schrijfroutine en ze halen de vereiste snelheid niet. Als je aantekeningen moet maken is een snelheid van 100 letters per minuut toch wel een vereiste, maar veel brugklassers komen niet boven de 50 à 60 letters uit. Dat komt vooral omdat er geen onderhoud is gepleegd. In de hoogste klassen van de basisschool wordt er te weinig op schrijven gelet.''

Niet alleen de snelheid, ook de leesbaarheid holt achteruit. Eigen aantekeningen zijn nog wel te ontcijferen, maar wie met de boodschappenlijst van een ander de supermarkt betreedt, grijpt al gauw zijn gsm om bij het thuisfront om opheldering te vragen.

,,Toch is er aan die leesbaarheid wel wat te doen'', zegt Lindeman. ,,Het zijn eenvoudige principes. Alle rompletters, dat zijn letters zonder stokken of staarten, dus e, a, w, m, enzovoorts, moeten even hoog zijn. Verder moeten de letters ongeveer in dezelfde richting staan, moet je de interlinie constant houden en moet je links en rechts marges aanhouden. Als je je daaraan houdt heb je al heel wat gewonnen.''

Handschrift blijft een toekomst houden, vindt Lindeman. ,,In erbarmelijke of primitieve omstandigheden heb je aan een stompje potlood en een stukje papier genoeg om je gedachten te ordenen of je belevenissen op te tekenen. Ik gebruik altijd maar het voorbeeld van het dagboek van Anne Frank. Dat had ze nooit op een ratelende schrijfmachine kunnen schrijven.''