Vrees voor Hogere Ambachtsschool is ongegrond

Minister Hermans acht fusies tussen HBO-instellingen en universiteiten niet uit den boze. Maar de vrees voor een Hogere Ambachtsschool is ongegrond, meent Th.H.J. Stoelinga.

Al geruime tijd woedt een discussie over het hoger onderwijs. Verwarring heerst daarbij over de zogeheten Bologna-verklaring van de ministers van de Europese Unie, het bachelors- en mastersmodel, het binaire stelsel van HBO en universiteit en over de aankondiging door minister Hermans van Onderwijs in het Hoger Onderwijs en Onderzoekplan (HOOP-2000) dat fusies tussen universiteiten en HBO-instellingen niet langer uit den boze zijn. Om hieruit de conclusie te trekken dat de weg nu vrij is voor een `Hogere Ambachtsschool' (NRC Handelsblad, 8 september) is echter onjuist.

Frans Leijnse, voorzitter van de HBO-Raad, gooide onlangs met zijn rede bij de opening van het academisch jaar in Nijmegen de knuppel in het hoenderhok. Zijn betoog kwam erop neer dat de diversiteit van de HBO-opleidingen is toegenomen en hun inhoud fors is veranderd. Hogescholen leiden tegenwoordig op tot breed georiënteerde professionals en ambachtelijke kennis heeft plaatsgemaakt voor conceptuele. Tegelijk, aldus Leijnse, kiezen veel universitaire studenten niet voor een wetenschappelijke loopbaan. De universiteiten hebben een gedifferentieerd onderwijsaanbod gecreëerd, waarbij academische vorming en wetenschappelijke denktraining hooguit instrumenteel zijn. Daardoor zou het onderscheid tussen universitaire beroepsopleidingen en HBO-opleidingen zijn vervaagd en kan, volgens Leijnse, het binaire stelsel worden opgeheven.

Leijnse slaat met zijn karakteristiek van de academische (beroeps)opleidingen de plank echter mis. Dat de meeste afgestudeerden niet in de wetenschap terechtkomen, zegt niets, want dat is altijd al zo geweest. Essentieel is dat zij in hun beroepsuitoefening op academisch niveau kunnen functioneren. Universitaire opleidingen besteden in hun curriculum veel aandacht aan disciplinaire kennis, abstraherend vermogen en onderzoeksvaardigheden. Uit visitaties en internationale vergelijkingen blijkt dat Nederland in dit opzicht goed scoort. Het is veelbetekenend dat het beroepenveld en de werkgeversorganisaties grote voorstanders zijn van handhaven van het verschil tussen academische -en HBO-opleidingen.

Leijnse's visie op de ontwikkeling van het HBO deel ik, maar het Nederlandse hoger onderwijs is toch het meest gebaat bij grote diversiteit aan opleidingen in zowel HBO als WO. Mede door het ontstaan van multisectorale hogescholen kan hun samenwerking op een evenwichtige en gelijkwaardige manier van de grond komen, vooral tussen opleidingen die elkaars pendant zijn. Zo hebben de Katholieke Universiteit Nijmegen (KUN) en de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN) via een convenant dat zij dit voorjaar sloten meer dan zestig samenwerkingsprojecten lopen, variërend van gebruik van elkaars voorzieningen tot vergaande onderwijskundige en programmatische samenwerking. Meer dan 2000 studenten zijn in de afgelopen jaren van de ene instelling naar de andere overgegaan via een `creditpoint' systeem.

Sinds 1 september zijn de tweedegraadslerarenopleidingen van de HAN en de eerstegraads van de KUN samengebracht in één instituut, onder één directie, maar met behoud van ieders eindverantwoordelijkheid. Thans wordt nagedacht over deelname door HAN-docenten aan onderzoeksprojecten van de Nijmeegse universiteit over het gezamenlijk opzetten van mastersprogramma's. Dit alles kan zeer goed plaatsvinden in een binair systeem. De beide instellingen opteren dan ook niet voor een bestuurlijke fusie, zoals door minister Hermans, onder stringente voorwaarden, mogelijk wordt gemaakt. Ook de bewindsman handhaaft het binaire stelsel in programmatisch opzicht. Alleen krijgen nu de instellingen die denken beter te kunnen samenwerken in één bestuurlijk verband van hem de ruimte. Dit is wel wat anders dan het oprichten van een `Hogere Ambachtsschool'.

De Bologna-verklaring beoogt binnen tien jaar te komen tot één transparant systeem voor het hoger onderwijs in Europa, met ondermeer vergelijkbare graden, mobiliteitsbevordering en afgestemde kwaliteitszorg. Belangrijkste element is echter de invoering van twee cycli. De eerste cyclus zou 3 à 4 jaar moeten duren en de tweede zou moeten leiden tot een masters- en/of doctorsgraad. Minister Hermans heeft de Bologna-verklaring voorzien van een `notulenverklaring', met aandacht voor de aparte situatie van het Nederlandse hoger onderwijs. Dat was nodig, want er zitten enkele addertjes onder het gras.

`Bologna' gebruikt weliswaar voor de eerste cyclus niet de term bachelorsdegree, maar doelt wel op de mogelijkheid van uitstroom na 3 of 4 jaar met een diploma dat iemand kwalificeert voor de arbeidsmarkt. Is deze opleiding slechts een tussenfase die automatisch toegang geeft tot de tweede cyclus, of kan ze ook eindfase zijn met een civiel effect? Als dit laatste het geval is, dan heeft dat vérgaande gevolgen voor de programmering van de universitaire opleidingen in de eerste cyclus.

Het tweede probleem raakt de samenwerking WO-HBO. In het voetspoor van de Bologna-verklaring geeft de minster in het Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan aan dat het HBO straks opleidt tot de bachelorsgraad na 4 jaar studie en het WO tot een bachelorsgraad na 3 jaar. Hij acht beide graden echter `gelijkwaardig, maar niet hetzelfde door de verschillende inhoudelijke oriëntatie van de opleidingen'. De minister blijft hiermee terecht consequent vasthouden aan het binaire stelsel, maar stapt wel wat lichtvaardig heen over het profiel èn het niveau van de bachelorsopleiding in het WO, vergeleken met die van het HBO. Zorgvuldige verlening van officiële erkenning van de bachelorsopleidingen is dan onontbeerlijk.

De universiteiten moeten hun bachelorsprogramma's zó inrichten dat deze verschillende uitgangen kennen, toegang verlenend tot wetenschappelijk gerichte programma's en tot professional masters-opleidingen. Deze laatste kunnen goed samen ontwikkeld en verzorgd worden met de hogescholen. Bachelors van universiteiten kunnen dan instromen in masters-opleidingen van hogescholen, en omgekeerd kunnen bachelors van hogescholen instromen in universitaire professional masters-programma's. Zo neemt de programmatische differentiatie in de tweede cyclus toe, zonder de grondslagen van het binaire systeem aan te tasten. Ook de komst van een `Hogere Ambachtsschool' hoeft dan niet te worden gevreesd.

Dr. Th.H.J. Stoelinga is voorzitter van het College van Bestuur van de Katholieke Universiteit Nijmegen.