Roversnest, gokkersparadijs

Macau gokkend naar de overdracht Eind dit jaar wordt de Portugese enclave Macau overgedragen aan de Chinese Volksrepubliek. Bas Heijne bezocht op de valreep de casino's, de paardenrennen en de leegstaande nieuwbouwwijken van dit goedkope gokparadijs voor Hongkong-Chinezen.

Rondom mij zwemmen de haaien. Ik ben als toeschouwer aan de baccarattafel gaan staan, maar al snel zijn de rollen omgedraaid. Vanuit mijn ooghoeken zie ik hoe tussen spelers en omstanders blikken van verstandhouding worden gewisseld. Ik ben hier een vreemde, als enige Europeaan val ik onmiddellijk op. Een meisje in een geel sportjack, die wel iets van de Chinese actrice Gong Li heeft, attendeert twee jonge mannen met een knikje op mijn aanwezigheid. Een paar seconden later staan ze aan weerskanten van me. Ze schuiven mee met iedere stap die ik verzet. Een man met een ongezond, opgeblazen kindergezicht haalt een dikke stapel roze plakken vanachter zijn rug. Uitnodigend steekt hij me de fiches toe.

Play?

Ik ben gewaarschuwd, het scenario is bekend. Het gaat als volgt: hij leent me 20.000 Hongkong-dollars (ruim fl. 5.000,-) en nog eens 20.000 als ik die snel zou verliezen. Blijf ik verliezen, dan word ik aan het eind van de avond naar de dichtstbijzijnde bankautomaat begeleid om mijn schulden ter plekke af te betalen. Wat blijkt? De rente is de afgelopen uren opgelopen tot 50 en later tot 100 procent. Kan ik niet betalen? Dan wordt mijn paspoort afgenomen, tot ik wel met het geld over de brug kom. Als ik in Hongkong zou wonen, dan kreeg ik een escorte naar huis en werd mijn familie opgetrommeld om mijn oplopende schuld te voldoen. Heb ik geen familie, geen banksaldo en geen dure voorwerpen om te verpanden, dan gebeurt er iets vervelends.

Nuchter bezien moet je wel gek zijn om in Macau met een loanshark in zee te gaan. De plaats is er berucht om, en dit casino al helemaal. Maar echte gokkers zijn niet nuchter. Ze leven niet meer in een wereld van oorzaak en gevolg, de buitenwereld bestaat niet aan de speeltafel. Geluk wordt verward met wilskracht, er is het rotsvaste geloof dat ieder verlies goedgemaakt kan worden, in één avond, in één minuut. Gokkers zijn de enigen die w‚ten dat het lot uiteindelijk op de knieën gedwongen kan worden. Dat is de roes.

En zo niet, dan hebben ze hun eigen ondergang verdiend.

De verhalen lopen uiteen, maar ze zijn allemaal gruwelijk. Van heel wat zware verliezers in het casino Lisboa, wordt me verteld,

is nooit meer wat vernomen. Het is ook gemakkelijk om iemand spoorloos te laten verdwijnen in Macau, want de meeste mensen blijven toch al niet lang. Niemand wordt hier gemist. De gokkers die te veel geleend hebben blijken plotseling op reis gegaan, of terug naar huis, terug naar Taiwan, naar het vasteland van China, of ze zijn domweg in rook opgegaan.

In werkelijkheid, weten de ingewijden, zijn ze door de plaatselijke maffia van de lange, golvende brug gegooid die het vasteland van Macau met het eiland Taipa verbindt. Of ze zijn in stukken gesneden en aan een visser meegegeven, die ze 's ochtends vroeg aan de haaien voert. Niemand die hen zoeken zal, de Portugese politie al helemaal niet. Die is door-en-door corrupt, vertelt iedereen, met een stelligheid die eerder gelaten dan verontwaardigd klinkt.

Klatergoud

Macau telt negen casino's. Er zijn semi-

sjieke hotelcasino's, vol zuurstokroze tapijten en klatergoud, waar een man een jasje aan moet hebben om binnen te kunnen komen. Er is het befaamde drijvende Macau Palace voor de gewone man en vrouw, een sjofele Chinese kitsch-fantasie. Het paleis is laatst tot vlakbij de aankomstpier van de draagvleugelboot uit Hongkong gesleept, zodat de dagjesmensen geen tijd hoeven te verliezen. En er is het pas geopende The Landmark, voor de verwende gokkers, die hun geld willen verliezen terwijl ze vertroeteld worden door gastvrouwen.

Maar h‚t casino is het Lisboa. Ik heb mijn intrek genomen in het grote hotelcomplex uit de late jaren zestig, gebouwd in een onthutsende futuristisch-psychedelische stijl, die in ieder geval in Macau nooit is nagevolgd. Iedereen kan zo de speelzalen binnen lopen; bij de vele ingangen wacht alleen de metaaldetector.

Binnenin is het één reusachtige, zoemende bijenkorf; drie grote, stolpvormige ruimten zijn boven op elkaar gestapeld. Het krioelt er van de spelers, vrijwel allemaal Chinezen, die dicht opeengepakt rond de speeltafels zitten en staan. De croupiers zijn jonge mannen en verveeld kijkende, oudere vrouwen in roze mantelpakken. Om deze zalen heen kronkelt een ondoorzichtig netwerk van wandelgangen en roltrappen, die naar talloze kleine vertrekken achteraf voeren: de vip-rooms.

In de raamloze grote zalen gokken de dagjesmensen: families, vrouwen van middelbare leeftijd, mannen en jongens alleen. Er staat één roulettetafel, die bestierd wordt door een oude man met spierwit haar. Je hebt anderhalve minuut om in te zetten. Een klok tikt de tijd weg. Als er gedraaid gaat worden, slaat de man lethargisch met een lineaal op een belletje. De speeltafel is van geverfd glas; zodra het balletje in een nummer is gevallen, lichten de winnende vakken op.

Chinezen zijn geen roulettespelers. Blackjack is populairder, net als Dai Su, waarbij gewed moet worden op drie dobbelstenen onder een stolp. Alleen mannen spelen Pai Kao, een domino- en dobbelspel dat heftige emoties oproept; door de hele zaal hoor je de klap waarmee de beker wordt neergezet, gevolgd door verontwaardigde uitroepen.

Het andere uiterste is Fan Tan, dat behalve een van de oudste ook het bedaagdste spel ter wereld moet zijn. De dealer zet een kleine zilveren bokaal op een stapel porseleinen knopen. Dan mag er worden ingezet: wanneer hij de bokaal omhoogtrekt en de knopen in rijtjes van vier rangschikt, hoeveel knopen blijven er dan over in het laatste rijtje? Het is een spel voor uitgestreken gezichten. Met rituele ernst veegt de dealer de rijtjes van vier in sierlijke boogjes.

Voor de zware gokkers is dit allemaal kinderspel. Het echte werk vindt plaats aan de baccarattafels. Daar zijn de minimuminzetten het hoogst - in sommige vip-rooms zelfs 3.000 Hongkong-dollar, meer dan 800 gulden - en staan de gezichten het strakst. De Speler speelt tegen de Bank. Allebei krijgen ze twee kaarten, wie het dichtst bij de negen komt wint. Wanneer de kaarten door de croupiers op een soort slaghout zijn uitgedeeld, drukt de speler de kaarten hard tegen de tafel en buigt ze millimeter voor millimeter met beide handen om. De andere spelers proberen mee te kijken. Al naar gelang er op een hogere of een lagere kaart gehoopt wordt, schreeuwen mannen en vrouwen Verschijn! of Verdwijn! Vallen de kaarten tegen, dan worden ze verkreukeld over de tafel gesmeten.

De kaarten vallen meestal tegen.

Heeft het gokken in de grote zalen van het Lisboa nog iets van een familiespel waarbij uitgelaten wordt gejoeld, de helverlichte achterafzaaltjes zijn het decor van de echte drama's. Stapels roze plakken worden over het groene laken geschoven. Een inzet van 20.000 dollar is hier gewoon. Boven de tafels hangt een bijna tastbare spanning van Alles of Niets. De spelers zijn schimmige personen, merendeels ongeschoren mannen in vale T-shirts, open overhemden en groezelige leren jacks. Ze worden vergezeld door een compagnon die de torenhoge stapels fiches voor hen beheert. Achter hen hangen jongens rond met lange, geverfde haren en opzichtige kleren. Dat zijn de discipelen van de mannen aan de tafel. Ze mogen de boodschappen doen: fiches omwisselen, sigaretten halen, hun bazen attenderen op een willig slachtoffer voor leengeld.

Hier, aan deze baccarattafels, tussen de grote speelzalen en de vip-rooms in, maakt het Lisboa zijn reputatie waar: een onuitroeibaar broeinest van gangsters, witwassers en kruimeldieven.

Bijgeloof

E‚n ding moet je weten over het Casino Lisboa: ga nooit door de hoofdingang naar binnen. Nooit.

Johnny lacht. Net als alle andere Chinese spelers weet hij wat die bizarre toren met zijn witte cirkels eigenlijk moet voorstellen. Een vogelkooi. Wie daar met zijn geld naar binnen stapt, wordt opgesloten, raakt alles kwijt. Geen Chinees die door die draaideur naar binnengaat. Je kunt beter omlopen naar de achterkant van het hotel, en via de Pizza Hut het gebouw ingaan. Wanneer je de letters van Pizza Hut in Chinese karakters omzet, krijg je tekens die geassocieerd worden met geluk.

Johnny is zesentwintig, draagt Versace-jeans en een zwart Dolce & Gabbana-shirt. Zijn brilletje heeft geen montuur. We hebben elkaar leren kennen aan een van de blackjacktafels, waar we allebei aan één stuk door verloren. Ongeluk schept een band. Wie wint waant zich onaantastbaar, de verliezers vinden elkaar in hun onbegrijpelijke tegenslag.

Het is half drie 's nachts en ontnuchterd drinken we koffie in de 24-uurs coffeeshop Noite e Dia in het uitgestrekte marmeren winkellabyrint onder het hotel-casino.

Aan het tafeltje naast ons zitten vier hoeren. Ze zijn van het sjieke soort: alle vier hebben ze steil zwart haar tot op hun middel en geraffineerd opgemaakte, licht geblankette gezichten. Ze maken elegante gebaren met hun sigaretten, tuiten hun roze-rode lippen en laten hun blik quasi-achteloos door het vertrek dwalen. Op tafel liggen hun zaktelefoons, die melodieus afgaan. Ik herken het Toreador-thema uit Carmen en Alle Menschen werden Bruder.

Johnny negeert hun blikken. Hij is pas vanmiddag in Macau aangekomen, en is nog niet klaar. Hij heeft nog tot morgenavond om zijn verliezen goed te maken. Zoals de meeste spelers woont hij in Hongkong. Na de lunch heeft hij de boot naar de Portugese enclave genomen, een reis van een uur. Johnny werkt in de kledingindustrie, op een kantoor in Kowloon, en heeft er, als iedereen, nog een paar baantjes naast. Chinezen hebben geen vrije tijd, zoals Europeanen, zegt hij. Ze werken en werken.

Hij komt hier regelmatig.

Alleen om te gokken? vraag ik.

Iedere Chinees, zegt Johnny, of hij nu uit Hongkong komt of van het vasteland van China, gaat naar Macau om te gokken. Als het in Hongkong niet verboden was, dan zouden ze hem hier nooit zien.

Johnny komt meestal alleen. Hij gelooft heilig in feng shui, zegt hij. Weer dat verontschuldigende lachje. Thuis bereidt hij zich uitgebreid voor op zijn gokexpedities. Zijn geluk hier hangt af van de inrichting van zijn dagelijkse omgeving, waar hij zijn tafels en stoelen heeft staan, waar zijn spiegels hangen. Overal zijn tekens, alle vormen moeten in acht genomen worden.

Als hij na een etmaal aan de speeltafels terugvaart naar Hongkong met een stapel bankbiljetten in zijn broekzak, dan voelt hij zich heel speciaal.

Hoezo speciaal?

Hij moet even denken. Uitverkoren, zegt hij.

Dus het gaat niet om het geld?

Natuurlijk gaat het om het geld.

En als je verliest?

Hij haalt zijn schouders op.

Voorpost

Gokkersparadijs, roversnest, koloniaal lustoord; Macau is een plaats waar je je geluk beproeft. Het schiereiland aan de zuidkust van China is altijd een voorpost geweest die uitzicht bood op een gedroomd bestaan: macht, rijkdom, geluk. Dat was Macau voor de Portugese ontdekkingsreizigers die rond 1500 het gebied verkenden en voor de handelslieden die zich er halverwege de zestiende eeuw vestigden. De missionarissen die hen volgden droomden ervan heel China te kerstenen. Toen halverwege de 19de eeuw Hongkong tot bloei kwam en Macaus positie als handelspost in het gedrang raakte, veranderde Macau langzaam maar zeker in één groot casino. En in een hoerenkast.

In de vroege jaren twintig, toen Louis Couperus op weg naar Japan Hongkong aandeed, was Macau een verplicht toeristisch uitstapje geworden. Couperus ging erheen voor de lezers van De Haagsche Post en ergerde zich aan de vuiligheid, aan de blinde manie van de ongemanierde Chinese gokkers, die zich verdrongen rond de talloze speeltafels in donkere, bedompte speelzalen. E‚n dag in Macau is meer dan genoeg, schreef hij in zijn reisboek Nippon.

Sindsdien is er weinig veranderd. Maar de toekomst van de Portugese enclave is even onzeker als die van de talloze spelers: op 19 december draagt het Portugese bestuur het dichtbevolkte schiereiland met de bijbehorende eilanden Taipa en Coloane tijdens een plechtigheid precies om middernacht aan China over. Net als Hongkong krijgt Macau de status van Special Administrative Region (sar), onder het inmiddels overbekende Chinese motto: één land, twee systemen.

Wat dat precies betekent, wil maar niet echt duidelijk worden. Van Chinese zijde regent het verzekeringen en geruststellingen, in Macau zelf wordt druk gespeculeerd wat de Chinezen zullen doen of laten.

Maar anders dan in Hongkong gaan die discussies nauwelijks over mensenrechten. Ze gaan vooral over misdaad en gokken.

Canindrome

E‚n naam is in Macau op ieders lip. Stanley Ho. Deze smetteloos geklede Chinees uit Hongkong verwierf in de jaren zestig van de Portugezen het monopolie op alles wat met gokken te maken heeft in Macau. Ho's organisatie, de Sociedade de Turismo e Diversoes de Macau (stdm), is alomtegenwoordig in de enclave, in de casino's, in de hotels, in de Jockey Club en in het Canindrome, waar hondenraces gehouden worden. In ieder gesprek over Macau duikt de naam Stanley Ho wel een keer op.

Met zijn familie vormt hij het gezicht van Macau, de werkelijkheid geworden droom van het tastbare geluk. Zijn ongebreidelde ondernemerschap wordt overal geprezen. Zijn liefdadigheid is legen darisch, zijn overdreven bijgelovigheid de bron van talloze sympathiserende anekdotes. Toen bijvoorbeeld de Bank of China vlakbij zijn casino Lisboa een reusachtig nieuw kantoor neerzette, met bij de ingang twee kolossale leeuwen die al het binnen stromende geld leken op te slokken, liet Ho vliegensvlug een rotonde voor de bank neerzetten die de geldstroom weer keurig omboog naar zijn casino.

Maar onder Ho's stralende imperium bevindt zich een schimmenrijk: de onderwereld van de Triaden, de Chinese tegenhanger van de maffia. De gangsters van Macau schuimen zijn casino's af, beheren zijn hotels, ontvoeren zijn zakenpartners, corrumperen de overheid waarmee hij op zulke vertrouwelijke voet staat. Stanley Ho's duistere alter ego heet Wan Kwok Koi, alias Gebroken Tand, de baas van de belangrijkste triade, de K.14. Zijn naam is in de enclave net zo bekend als die van Ho.

Deze boerse gangster met zijn goedkope kleren en patserige gedrag zwaaide jarenlang openlijk de scepter over alles wat illegaal was in Macau. Overal en altijd zocht hij het licht van de schijnwerpers. Hij verscheen voortdurend in het openbaar, pochte over zijn criminele successen, gaf interviews aan journalisten. Een paar jaar geleden maakte hij zelfs een opgeklopte speelfilm over zijn eigen leven, Casino, waarvoor hij grote delen van Macau liet afzetten.

Vorig jaar werd hij dan eindelijk gearresteerd, na een mislukte bomaanslag op een Portugese legerofficier (diens snuffelende cockerspaniël vond de bom onder zijn auto). Gebroken Tand werd opgepakt in de coffeeshop Noite e Dia, waar hij zich opmaakte voor een avondje gokken in het Lisboa.

Zijn arrestatie bracht Macau geen rust. De oorlog tussen de rivaliserende triaden is bij het naderen van de overdracht alleen maar feller opgelaaid. Dit jaar zijn er al meer dan twintig moorden gepleegd, vrijwel allemaal afrekeningen binnen het milieu. De Duitser Harald Bruning, al bijna twintig jaar buitenlands correspondent in Macau, heeft er een hobby van gemaakt de verse lijken te bezoeken. Vroeger, vertelt hij met zichtbaar plezier, werden de slachtoffers van de gangsters eindeloos toegetakeld, vaak letterlijk aan stukken gehakt met kapmessen. Een blijk van minachting voor de familie van de vermoorde man. Van een executie werd echt werk gemaakt. Tegenwoordig nemen ze die moeite niet meer: één nekschot is meer dan genoeg.

High-rollers

Gebroken Tand? Aardige man, als hij tenminste niet te veel verloren had. Mr Michael Juan Swing lacht er hardop bij, een beetje meewarig, een beetje schalks. Hij is de Deputy Floor Manager van het Casino Lisboa. We zitten 's avonds laat in zijn door neonlampen verlichte kantoor op de bovenste etage van het casino, omringd door hoge stapels omzetformulieren. Verder is het een kaal vertrek. Op een lege kastplank staan een paar foto's van zijn tweede, Chinese vrouw, zijn jongste zoontje en zijn sneeuwwitte poedel. De enige andere versiering is een op karton geplakte huid van een wilde kat, die hij vorig jaar in China heeft geschoten. Het beest is door amateurs onder handen genomen, klaagt hij, en nu mist het een oog. Niet meer de moeite om op te laten zetten.

Swing oogt als een man van de wereld, klein en kordaat. Zijn pak is grijs, zijn brede stropdas diepblauw met een sierlijk Chinees bloemmotief. Hij is geboren in Santiago, zijn vader is half-Chileen, half-Chinees, zijn moeder een Chinese met Europees bloed. In zijn jonge jaren werkte Swing als steward bij een luchtvaartmaatschappij. Zijn moeder vond het beroep te gevaarlijk en vroeg haar broer hem in de zaak te nemen. Zijn oom zei ja. Zo is het gekomen.

Die oom is Stanley Ho.

Ik houd van mijn werk, zegt Swing vergenoegd. Tijdens zijn spaarzame vakanties bezoekt hij de gokparadijzen van het westen, Las Vegas en Monaco, om ideeën op te doen en, hij geeft het toe, om zelf te spelen. Het is een mythe, zegt hij, dat croupiers zelf niet gokken. Eerder dreef hij voor zijn oom een casino in Manilla. Jammer genoeg viel het bewind Marcos, anders had hij er nu nog gezeten.

Nu bestiert hij al weer jaren het Lisboa, tot zijn genoegen, ook al zijn het moeilijke tijden. De financiële crisis in Azië. En natuurlijk de aanhoudende bendeoorlog tussen de triaden, die de toeristen angstig heeft gemaakt. Twintig moorden alleen dit jaar al, dat is echt te veel voor zo'n klein oord als Macau, met zijn 450.000 inwoners.

De vip-rooms zijn griezelig leeg, ik heb het zelf kunnen zien. De high-rollers blijven weg.

Swing spreekt het woord bijna weemoedig uit. De high-rollers, de grote gokkers. Een paar jaar geleden, op het hoogtepunt van de economische boom, was het iedere avond feest in het Lisboa. Dit waren mannen die een inzet van een miljoen durfden te verdubbelen, die op een avond rustig een paar miljoen verspeelden en de volgende avond gewoon weer aan dezelfde tafel plaatsnamen. Mannen als Gebroken Tand. Chinezen uit Hongkong en Taiwan, maar ook van het vasteland. Militairen en bestuurders uit China kwamen met een zak vol gemeenschapsgeld aanzetten, in de hoop de winst voor zichzelf te kunnen houden. Sommigen verloren alles, werden in China gepakt en gefusilleerd. Als ze wonnen, en het casino hun een cheque aanbood om een beroving buiten op straat te voorkomen, weigerden ze hun naam te geven.

Ze komen nog wel, de high-rollers, maar sporadisch. Helaas, helaas. Vorig jaar had het bedrijf van Stanley Ho nog een omzet van bijna een miljard gulden. Dat halen we dit jaar niet, zegt Swing. De glimlach verdwijnt niet van zijn gezicht.

Hoe het verder zal gaan, vraag ik.

Ik ben een optimist, zegt Swing. De Chinezen zullen de casino's ongemoeid laten. Macau en gokken zijn synoniem. Wat kun je hier anders doen? Je komt hier echt niet heen om de ruïne van de Sao Paolo-kathedraal te zien. De casino's, de paardenraces, de hondenraces, daar gaat het om. En die zijn allemaal in handen van Stanley Ho. Zijn bedrijf betaalt ruim 35 procent van zijn jaaromzet aan de overheid, het maakt niet uit hoeveel hij investeert in verbouwingen, in al die nieuwe vip-rooms, in nieuwe casino's, in zijn ambitieuze bouwprojecten. Alles wat hier in Macau de laatste decennia is gebouwd, hebben de casino's betaald, tot en met de nieuwe brug naar Taipa.

De Chinezen zouden wel gek zijn.

En het monopolie van Stanley Ho, dat officieel in 2001 afloopt?

De glimlach van Swing trekt strak. Niemand weet wat er gaat gebeuren, zegt hij. Misschien wordt het monopolie verlengd, misschien worden de gokrechten verdeeld over twee of meer bedrijven. Misschien weet zijn oom meer dan hij tegenover zijn neef loslaat. Hij staat op zeer goede voet met de door de Chinezen aangestelde nieuwe gouverneur, Edmund Ho, die zelf geboren en getogen is in Macau en er een bank bezit. Zijn oom geeft de laatste jaren veel aan goede doelen in China.

En hijzelf, is hij hier over vijf jaar nog?

Vast wel, zegt Swing. Ik ben te benieuwd hoe het verder zal gaan. Niemand weet wat er gaat gebeuren.

Pretparken

Het is een refrein dat overal in Macau klinkt. Het optimisme over de toekomst bestaat vooral uit wensdromen. De een verwacht dat China alles bij het oude zal laten, er wordt hier eenvoudig te veel geld verdiend. Een ander voorspelt dat de legereenheid die China na de overdracht op Taipa stationeert, de triaden hard zal aanpakken. Het kan eigenlijk alleen maar beter gaan. Er zal eens een eind komen aan de economische crisis. Bijna niemand zal het bestuur van de Portugezen missen. Zij zitten al jaren op hun horloge te kijken, wordt me steeds weer verteld. Ze zijn lethargisch, weigeren standvastig op te treden tegen de triaden, zijn voor driekwart door hen geïnfiltreerd, en onderhouden hun contacten met de Chinese bevolking slecht.

In Macau heerst opvallend weinig koloniale nostalgie. De Europese bezoeker kan wegmijmeren in de schaduw van de bomen op het protestantse kerkhof, waar veel matrozen en officieren in dienst van de Engelse en Nederlandse handelsmaatschappijen begraven liggen. Hij raakt ontroerd bij het zien van de leeftijden op de verweerde graven (Emile Willem Eugène de Vogel, 19 jaar; Clazina van Valkenburg, 24 jaar), en het onopgesmukte pathos van de korte grafschriften. Hij laat zich verrassen door de zorgvuldig geconserveerde mediterrane laagbouw in het centrum rondom het oude gemeentehuis, de Leal Senado, en het trotse aplomb van de voorgevel van de Sao Paolo, het enige dat nog overeind staat van de 17de-eeuwse Portugese kathedraal.

Hij gaat eten in het restaurant van de geheel gerestaureerde Clube Militar, vlakbij het protserige Lisboa, waar onder de traag draaiende ventilatoren de koloniale tijd nu voorgoed is stilgezet. Of hij wandelt door de nauwe straatjes rond de Rua des Mercadores, waar Chinezen op een paar vierkante meter hun bedrijfjes hebben en waar achter gesloten luiken het ketsende geluid van mahjong-stenen weerklinkt.

Zo pittoresk zijn deze straatjes dat Hollywood ze in Raiders of the Lost Ark door liet gaan voor het Shanghai van de jaren twintig.

Het is er nog allemaal, maar het is al bijna overwoekerd door het moderne Macau, dat er alles voor overheeft om op Honkong te lijken. Ondanks de slechte economische situatie wordt er geïnvesteerd - zo driftig alsof er iets bezworen moet worden. En weer is het vooral Stanley Ho die probeert de toekomst naar zijn hand te zetten. Op de dijk van een van de nieuwe, drooggelegde stukken land, niet ver van het Lisboa, laat hij de Macau Tower bouwen, de hoogste toren van Azië. Het gevaarte, dat heel Macau zal domineren, is er voor telecommunicatie, maar wil ook een toeristische attractie zijn. Ernaast zal een groot entertainment centre annex winkelparadijs verrijzen. Tussen de eilanden Taipa en Coloane legt hij nieuwe stukken zee droog en wil hij een themapark voor families inrichten. 'Iets met dolfijnen', zegt Michael Swing, die duidelijk meer in casino's dan in pretparken gelooft.

Op het drooggelegde stuk land langs de kade tussen het Lisboa en de terminal van de boten naar Hongkong staan reusachtige nieuwe kantoorcomplexen. Hier moet ook de nieuwe uitgaanswijk komen; er hebben zich al tientallen caf‚s en bars gevestigd, die krampachtig proberen de kale terrassen tussen de hoge flats te vullen. Wie er 's avonds doorheen wandelt, ziet dat de stemming er nog niet in wil komen. Er zitten wat losse groepjes mensen op de plastic stoelen. Ze praten gedempt en hebben duidelijk geen wilde plannen voor de rest van de avond.

Lichtbak

Als ik samen met Joao Severino door een nauw straatje naar zijn kantoor loop, begint hij plotseling te vloeken. Hij grijpt naar zijn zaktelefoon en roept er iets in. Altijd brandt het en net deze ene keer niet. Een paar seconden later zie ik wat hij bedoelt. Boven ons floept een lichtbak aan met de woorden macau hoje. Mijn krant, zegt hij, plotseling achteloos.

Severino heeft een walrussnor en een dikke buik onder zijn T-shirt, waarop een groot fotoportret is afgedrukt van Ayrton Senna, de verongelukte autocoureur. Hij is twintig jaar geleden vanuit Portugal naar Macau gekomen als journalist. Zijn vrouw komt van Oost-Timor, haar broer is een van de leiders van de afscheidingsbeweging daar en ze wilde niet te ver van haar geboorteland wonen. Macau trok Severino wel, het leven was er uiterst comfortabel voor Portugezen. Macau Hoje (Macau Vandaag) was in handen van een advocaat, maar die ging terug naar Portugal, net als zijn opvolger. Laat de krant niet sterven, smeekte deze voordat hij zijn koffers pakte. Sinds een paar jaar staat Severino er nu alleen voor. Hij is eigenaar en hoofdredacteur. De oplage schommelt rond de drieduizend, zegt hij. Wat veel is, als je bedenkt dat er nog twee Portugese kranten in Macau zijn, en er van de ruim 4.000 Portugezen steeds meer wegtrekken.

Zijn kantoor is klein. Zijn staf, twee redactrices en een opmaker, is bezig de krant van de volgende dag in elkaar te zetten op enkele computers. Trots vertelt Severino hoe hij zijn voorpaginaverhaal kiest: één grote, dragende foto met een pakkende, intrigerende kop. Hij laat me er een paar zien. De willekeurige arrestatie van het personeel van de wedrenkantoren van de Macau Jockey Club, de schandalige hetze van de Chinezen tegen de Portugese radiozenders van Macau, een vijfvoudige triademoord in een restaurant, met een zwart-wit foto van de lichamen tussen de omgevallen stoelen en tafeltjes. Binnenin staat het nieuws in korte kolommen, en veel foto's. Er is de column van vader Manuel Teixeira, een hoogbejaarde priester met een lange witte baard, die dagelijks godvruchtige levenswijsheden debiteert. Bijna altijd ook brengt de krant het laatste nieuws over Oost-Timor.

En iets over de autoraces, Severino's grote passie. Zelf wordt hij vermeld in het Guinness Book of Records als deelnemer aan de eerste expeditie die per auto van Macau naar Lissabon is gereden. Zijn kleine kantoor is gevuld met race-parafernalia, vlaggetjes en modelauto's, perskaarten en affiches. De muur achter zijn bureau hangt vol foto's. Op de meeste duikt Severino's vollemaansgezicht op naast een mooie jongen met blond krullend haar en een koele blik in zijn ogen. Dat is de autocoureur Couto, een persoonlijke ontdekking van hem, die inmiddels internationaal is doorgebroken.

Er hangen meer foto's. Severino in gesprek met de Portugese gouverneur van Macau, Severino tussen twee rondborstige pitspoezen, Severino met een bezorgd gezicht naast een kromgebogen moeder Teresa, Severino naast prinses Diana. Er hangt ook een foto van een aanmerkelijk jongere Severino als razende reporter, met een microfoon in zijn hand, voor een grote mensenmassa op de trappen voor de gevel van de Sao Paolo.

Dat was tijdens de grote spontane betoging tegen het Chinese bewind op het Plein van de Hemelse Vrede in Peking, in 1989. Honderdduizend mensen.

Net als in Hongkong wordt er in Macau nog jaarlijks een demonstratie ter herinnering aan die studentenopstand gehouden. Maar nu de overdracht nadert, neemt de animo af. Dit jaar kwam er nog maar een handjevol mensen opdagen.

Laten we wel wezen, zegt Severino, Macau is geen Hongkong. Nu al liggen de Chinezen dwars bij alles wat naar hervorming en democratisering riekt. Ze traineren de onderhandelingen, het nieuwe wetboek komt maar niet van de grond. Niemand hoeft bang te zijn dat ze zich tegen de gokindustrie zullen keren, maar wat mensenrechten betreft vertrouwt hij ze niets. Misschien wachten ze tot ook Taiwan weer bij China hoort, maar ze weten dat niemand zich echt druk zal maken om Macau. Anders dan in Hongkong, heeft het westen hier geen belangen. De naderende overdracht is daar nog maar nauwelijks in het nieuws geweest.

Severino blijft hier niet, dat is zeker. Over een paar jaar is het afgelopen met de Portugezen in Macau. Ze vertrekken nu al met tientallen tegelijk. Zijn krant heeft geen toekomst; die zal ongetwijfeld opgedoekt worden. Misschien gaat hij terug naar Portugal, hij weet het niet, misschien gaat hij naar Australië. Daar zijn de gezondheidsvoorzieningen beter, hij heeft de laatste tijd vage klachten.

Het afscheid zal hem zwaar vallen. Hij is vergroeid geraakt met Macau, wie had dat ooit verwacht. Lezers bellen hem dagelijks met verhalen over corruptie en vriendjespolitiek, hij krijgt de foto's met de neergeschoten gangsters op zijn bureau, hij is zelf een paar keer bedreigd, maar toch, dit is een aangename plek om te leven, the easy life.

Als hij last heeft van weemoed, dan is het om het moderne Macau dat hij achter zich zal moeten laten, niet het historische, koloniale Macau. Vijftien jaar geleden was er één caf‚ in Macau, twee of drie aardige restaurants, geen vergelijk met nu. Voor hij me afzet bij het Lisboa, rijden we eindeloos rond, over de dijk langs de kunstmatige meren, langs het stompe betonnen gevaarte dat de Macau Tower gaat worden, en het kolossale, gedrochtelijke Monument voor het Wederzijds Begrip tussen Macau en China. Hij stopt bij het nieuwe hoog-gerechtshof, gebouwd in de vorm van de voorplecht van een schip. Hij wijst op de nieuwe fontein in het meer, die voor de charmante oude havenkant van Macau een eenzaam waterballet uitvoert. Het water heeft alle kleuren van de regenboog.

Net nu het hier een beetje beschaafd begon te worden, mompelt Severino naast me.

Spookstad

Er is een bom gevonden in een parkje op vijf minuten lopen van het Lisboa. Hij zat in een keurig diplomatenkoffertje, dat onbeheerd was achtergelaten bij een bankje. De politie heeft het ding onschadelijk laten maken en meegenomen voor nader onderzoek.

Ng Chi Ho, fotograaf voor het toeristenbureau van Macau, vertaalt het bericht voor me uit een Chinese krant. De triaden laten hun spierballen rollen, nu de Portugese politie op de valreep harder tegen hen is gaan optreden. Wie weet zit Gebroken Tand er achter, die gerieflijk gevangen zit op Coloane en ongetwijfeld vandaaruit zijn kleine imperium bestuurt.

Ho heeft een aangenaam cynische toon, maar daarachter gaat werkelijke betrokkenheid schuil. Hij rijdt me heel Macau rond en wijst steeds opnieuw de schrijnende plekken aan: de armoedige hoge flatgebouwen bij de grens met China, de noordelijke wijk waar de straatarme Chinese immigranten wonen, de zieltogende massagesalons met hun door de crisis almaar goedkoper wordende hoeren, de eindeloze rijen leegstaande flats op Coloane. De meeste grandioze bouwprojecten van de laatste jaren zijn mislukt, de voltooide gebouwen staan weg te rotten. We rijden door een kleine, roze spookstad van luxe-appartementen, met uitzicht op de Chinese kust. Al vijf jaar leeg, zegt Ho, inmiddels bezet door de triaden, die de huizen gebruiken als opslagplaatsen van smokkelwaar.

Ho is een kleine man van vijfendertig. Met zijn vrouw en twee kinderen woont hij in een van de torenflats op Taipa. Ho is geboren in Macau, maar zijn ouders komen uit China. Na de Tweede Wereldoorlog zijn ze hierheen gevlucht, hij vertelt niet waarom. Hijzelf verwelkomt de overdracht. 'Ik ben nog steeds jullie baas, tot 19 december, vergeet dat niet', stond er op een briefje dat Ho onlangs op zijn bureau vond. Maar het dreigende kattebelletje van zijn werkgever maakte weinig indruk. Portugezen zijn sentimenteel, Chinezen pragmatisch. Macau is altijd al Chinees geweest, de meeste Chinezen kijken uit naar het nieuwe bestuur.

Het verbaast me dat een medewerker van het toeristenbureau me alle misstanden in Macau aanwijst. Hij kan me toch moeilijk alle oude Chinese tempels laten zien, zegt hij, of de herenhuizen van de gouverneur en Stanley Ho. Want wat anderen ook mogen zeggen, de triaden maken in Macau de dienst uit.

Zelf zit hij vol plannen. Hoewel het officieel verboden is, heeft hij naast zijn baan bij de overheid nog een paar andere bezigheden, waaronder een eigen bedrijf. Met China als toekomstige afzetmarkt voor westerse bedrijven, is er grote behoefte aan zakelijke adviseurs die wegwijs zijn in China en vertrouwd met de Chinese manier van denken. De beide nieuwe regio's Hongkong en Macau vormen een uitstekende voorpost voor de handel met China. Daar ligt zijn toekomst.

Terwijl Ho zijn Macau laat zien, realiseer ik me dat hij van alle mensen die ik gesproken heb, de enige is die zich hier echt thuisvoelt. De anderen zijn min of meer aangespoeld, zoals zovelen voor hen: de gokkers uit Hongkong, de Duitse vrijgezelle journalist die voor zijn plezier moordplekken afstroopt, de Canadese manager van het Mandarin Oriental Hotel met zijn droom van Macau als vakantieoord voor de hele familie, de Portugees met zijn krantje, en de grote, bedeesde Ier die me tijdens een rondleiding door zijn Canindrome oprecht trots zijn honden en hun verzorgers liet zien. Al die mannen zullen hier over een paar jaar niet meer zijn.

Alleen Ho blijft, denk ik. Hij is een Chinees, hij is een jonge ondernemer, hij is klaar voor de toekomst. Wanneer hij plotseling remt voor een onooglijke betonnen pui en met een doodserieus gezicht vertelt dat hier het lekkerste brood ter wereld wordt gebakken, weet ik het zeker.

Traag

Het menselijk oog is zo traag, zegt Michael Swing. Op mijn laatste avond in Macau tref ik de Deputy Floor Manager van het Lisboa weer; we drinken bier in een van de cafetaria's van het casino. 'Zo traag'. Dat hebben al die jaren in het vak hem geleerd. Er is zoveel wat het oog niet waarneemt. Hier, in het casino, maar ook daarbuiten. Er zijn zoveel manieren om mensen zand in de ogen te strooien.

Neem de horloges in die sjieke winkels waar we op uit kijken. Stuk voor stuk de duurste merken, ze zien eruit als nieuw. Allemaal tweedehands. Heel zorgvuldig schoongemaakt en opgepoetst. Vakwerk.

Maar zijn ze wel echt, vraag ik.

Mwah.

Hij zal me iets laten zien. Hij zet een kordate handtekening op de rekening en neemt me mee, helemaal naar boven in het gebouw, door een deur die afgesloten wordt door een hek van dikke, stalen tralies. We lopen langs wanden met kasten die van de vloer tot aan het plafond gevuld zijn met videobanden, minstens drie rijen dik.

De gang komt uit in een donker vertrek, één wand is gevuld met monitoren. Aan een lange tafel zitten zes Chinese jonge mannen met pen en papier in de aanslag. Voor hen staat nog een kleine monitor en een pookje waarmee ingezoomd kan worden. Zo kan het hele casino geobserveerd worden, legt Swing uit, de mensen die naar binnen gaan, de spelers aan de tafels, de croupiers die onder verdenking staan.

Alles wordt vastgelegd en bewaard.

De man voor ons tuurt ingespannen naar een jonge vrouwelijke croupier aan een van de baccarattafels. Hij zoomt in op haar handen die de fiches uitbetalen. Misschien tilt ze de boel en betaalt ze vrienden te veel uit. Het is moeilijk om een vingervlug iemand te betrappen.

Het menselijke oog is zo traag, zegt Swing opnieuw.

Hij wil me laten zien wat hij bedoelt. Ik volg hem naar zijn sfeerloze kantoor. Het is na enen, maar alle neonlampen branden nog. Swing verdwijnt even naar een aangrenzend vertrek. Wanneer hij terugkomt heeft hij een touwtje en een spel kaarten in zijn handen.

Hij begint met het touwtje.

Een uur later duizelt het me. Swing heeft zijn hele adembenemende goochelrepertoire laten zien. Hij heeft zijn trouwring door het dikke touw gehaald, hij heeft munten laten verdwijnen, keer op keer geraden welke kaart ik onzichtbaar voor hem had getrokken.

Trek een kaart, hier heb ik vier azen, kijk hoe ik een knoop in dit touwtje leg.

Het menselijke oog is zo traag, zegt hij na iedere geslaagde truc.

Als ik ooit wegga bij het casino, verklaart hij een beetje buiten adem, nadat hij drie munten uit zijn samenknepen hand heeft weggetoverd, ga ik misschien wel de hele dag in het park zitten met een spel kaarten en een touwtje.

Voor het eerst geloof ik zijn grijns.

Met een nasuizend hoofd loop ik de trappen af door het casino, op weg naar de uitgang.

Macau is een kleine, onbetekenende plek zonder veel samenhang, een dichtbevolkt niemandsland. Het is ook een microkosmos, vervuld van geraffineerd bedrog en van al te menselijke, krankzinnige verwachtingen.

Je beproeft je geluk, je geluk wordt op de proef gesteld.

Het is half drie in de ochtend. De vip-rooms zien er uitgestorven uit. In de grote zalen verdringen mannen en vrouwen zich nog rond de speeltafels. M