Rosenborg

Trondheim.

Het klinkt als een dorp met een voetbalclub. Waar de burgers zich nog met kar en paard verplaatsen. Een enkeling zelfs met een hondenkar. Je denkt aan Epe: een gehucht zonder disco, bibliotheek en bioscoop. In het enige café op het dorpsplein speelt een orgel. De aangeschoten bezoekers dansen er op klompen. De dominee van de zwarte kousenkerk bidt deze ellende weg.

Rosenborg-Feyenoord: 2-2.

Voetballen in Noorwegen klinkt even bizar als skiën op de evenaar. Ik zie Noren van ijsschots naar ijsschots springen, op rendieren jagen, gletsjerdansen en vooral kaarten, altijd maar kaarten, tijdens de lange winteravonden. Een enkele bastaard schaatst, maar achter een bal lopen? Welnee!

Toch is er Rosenborg. De ploeg doet voor de vijfde keer op rij mee aan de Champions League. De laatste thuisnederlaag dateert van drie jaar geleden tegen FC Porto. Sinsdien is in stadion Lerkendal gelijkgespeeld tegen Juventus en gewonnen van onder meer Göteborg, Olympiakos, Galatasaray, Porto, Athlétic Bilbao en Real Madrid. Ten koste van AC Milan werd de kwartfinale gehaald.

Van businesseats en skyboxen hebben ze bij Rosenborg nog nooit gehoord. Televisierechten, kaartjesgeld, de opbrengst van de kantine en het jaarlijkse bal populaire, het zit allemaal in de drie sneeuwruimers van de club. En in het salaris van de twee administrateurs die in een afgebladderd tuinhuisje werken. Nou ja, werken: ze nemen de telefoon fluisterend op want bij de minste stemverheffing vallen de houten muren om.

Over de resulaten in de Champions League maakt niemand zich zorgen. Het weer boezemt de clubleiding meer angst in. Bij hevige regenval valt de electriciteit uit, en op dat ongemak staan zware UEFA-sancties. Beroepsbobo's hebben nou eenmaal geen gevoel voor romantiek.

Een wendbare speler als Van Gastel kennen ze bij Rosenborg niet. Wie in aanmerking wil komen voor een plaats in de basis moet op stelten kunnen lopen. Of langer zijn dan de gemiddelde sterveling. Spits John Carew is nu het aanspeelpunt van 1,95 meter bij een zwaargewicht van 94 kilogram. Hij wordt bijgestaan door Thor Hoyne Aaröy: 2,04 meter. Voor noodgevallen is er nog een back van 1,94 meter.

En dat wint maar.

Zoals je dat wel vaker ziet bij de armen van deze wereld heeft Rosenborg een behoorlijke dosis sociale charme. De vader van Tottenham Hotspur-spits Iversen heeft een baantje gekregen als klusjesman. Hij was ooit een Noorse voetbalheld, maar drank en vrouwen joegen hem de marginaliteit in. Nu mag hij de doelpalen wit schilderen op de dagen dat er geen sneeuw valt. Rosenborg is voor hem wat Ajax voor Sjaak Swart was: een bron van erbarmen. Maar Sjakie moet zijn kaartje zelf betalen, vader Iversen loopt fluitend langs de suppoosten.

Ik gun Rosenborg de finale van de Champions League. De duurste speler doet het nog voor drie ton. Van Gobbel verdient tien keer meer en zegt een uur voor de wedstrijd geblesseerd af als de airco in de kleedkamer uitvalt. De kantlijnen van arm en rijk, van recht en onrecht zijn in het voetbal, en misschien wel in de gehele sport, aan het verdwijnen. Toch bestaan ze nog: de spelers van Rosenborg komen op skilatten naar het stadion, die van Feyenoord minimaal in een Porsche. De gesponsorde Opel Vectra is voor moeder de vrouw. Rob Baan eiste bij zijn aanwerving een kantoor van zeventig vierkante meter, zijn Noorse collega zit in een tuinhuisje, achter windlichtjes.

Zouden de spelers van Rosenborg weten wat een Jacuzzi is? Volgens La Gazzetta dello Sport willen de vedetten van AC Milan na een wedstrijd niet meer onder de douchestraal. Als ze zich niet vibrerend kunnen wassen, nog net niet gestreeld door meisjes van plezier, weigeren ze voor de camera's van de RAI en Antenne 3 te verschijnen. Milanisti kennen de wetten van de glamour.

De sociaal-democratie heeft zichzelf opgeheven. In het leven, in de maatschappij, in de sport. Daarom is het zo ontroerend dat Ajax niet van RKC kon winnen. In Waalwijk weten ze ook niet wat een Jacuzzi is. Propere mensen komen uit de tobbe, zeggen ze daar.

Overigens: lui die bij de dag leven, wassen zich thuis.

    • Hugo Camps