Prooiziekte

Meestal gaat het over niets tijdens het middageten in de AW-kantine, over niets in het bijzonder, maar laatst liep het opeens hoog op. Iemand had gehoord dat ze nu ook al in de Haarlemmerhout, of de Haagse Bosjes, grote roofdieren wilden herintroduceren en hij verheugde zich over het gunstig effect dat dat zou hebben op de gezondheid van de andere dieren in de hout of de bosjes. Roofdieren houden populaties prooidieren gezond omdat ze selectief en consequent zieke en gebrekkige dieren opruimen, wist hij. En dat kon natuurlijk niet snel genoeg gebeuren.

Het was hard tegen het zere been van een aantal andere middageters. Van het een kwam het ander, er vielen zware termen als raszuiverheid, rassenleer en eugenetica (en nog zwaardere). Er was zelfs een laborant die de afkeer onder Nederlandse natuurbeschermers van Amerikaanse vogelkers, Perzisch knoopkruid en reuzebereklauw suspect noemde. En een ander zei opeens kalmpjes ervan overtuigd te zijn dat alleen op zieke bomen zwammen groeien.

Dat werd de hoofdlaborant, die al wat ouder is, te veel. Bomen worden ziek doordat er paddestoelen op groeien, betoogde hij. De slachtoffers van roofdieren worden als ziek of gebrekkig beschouwd omdat ze ten prooi vallen aan de roofdieren. Blaming the victim, heet dat onder psychologen.Als we nou iets kunnen leren uit al die schitterende Serengeti- en Kilimanjarofilms die dagelijks over de buis vloeien is het dat er (a) in de natuur nauwelijks zieke en gebrekkige dieren voorkomen en (b) dat roofdieren voornamelijk veelbelovende babydieren te grazen nemen. Zo zei hij dat ongeveer, maar tot conclusies kwam het niet. Besloten werd het thema even te laten rusten. Thuis zou men er nog eens wat over nalezen.

Zo gezegd, zo gedaan. Maar al snel bleek dat de grote naslagwerken met geen woord reppen over de invloed van predatoren op de gezondheid van prooidier-populaties. Het roofdier heeft vaak, maar niet eens altijd, invloed op de omvang van de populatie prooidieren, schrijven de naslagwerken. Ze spelen een rol in de aantalregulatie. Alleen de Winkler Prins eindigt het lemma `dier-eet-dier' met de cryptische opmerking dat sommige predatoren soms voornamelijk zieke en zwakke prooien vangen, dieren `die anders toch zouden zijn omgekomen'. Daarom kan predatie soms leiden tot groei van de prooipopulatie. Maar geen woord over `gezondheid'.

Ook het toevallig ter beschikking staande standaardwerk `Fundamentals of ecology' van Eugene P. Odum zwijgt over gezondheid. Wel staat daar nog de vermaarde, zeer overtuigende grafiek, samengesteld uit gegevens van de Hudson Bay Company (die pelsdierpelzen verhandelde), die laat zien hoe lynx en poolhaas elkaars aantallen in Noord-Canada in een cyclisch proces beïnvloeden. Achteraf is komen vast te staan dat de betreffende lynx- en poolhaaspelzen uit volkomen verschillende gebieden kwamen.

Een bezoek aan Internet leert dat de klassieke opvatting dat een goed roofdier een zegen is voor de gezondheid van de prooipopulatie toch nog springlevend is. De trefwoorden `predator', `prey' en `health' leveren in combinatie duizenden vermeldingen en onder de eerste tien zijn er al twee waarin het roofdier zijn klassieke taak krijgt. Predators are very important in the balance of nature, usually hunting only the sick or weak members of a herd. This leaves the strong and healthy animals to reproduce.

Men ziet dat ook `het natuurlijk evenwicht' nog bestaat, verderop op Internet zijn er ook nog `gezonde' en `ongezonde' ecosystemen. Maar gelukkig zijn er ook doorwrochte populatie-dynamische beschouwingen en een artikel waarin wordt uitgelegd hoe predatoren de gezondheid van niet–prooi-populaties kunnen verbeteren. Denk aan slangen die ratten verorberen waarop pestvlooien leven.

Het AW-probleem van deze week valt een beetje tussen de bestaande biologische disciplines en daarom moest vooral een beroep worden gedaan op het eigen verstand. Dat gebeurde met wisselend succes. In een helder moment schoot te binnen dat er natuurlijk heel, heel veel dieren zijn waarop geen enkele predatie plaatsvindt. De roofdieren zelf natuurlijk, en olifanten en nijlpaarden, maar ook de schildpadden op de Galapagos of de rendieren op Spitsbergen en veel andere `vreemde eilandbewoners'. Van opvallende ziekteklachten onder die populaties hoort men nooit.

Zeker is dat er in het debat onderscheid moet worden gemaakt tussen predatie op jonge dieren en die op oude dieren die niet of nauwelijks meer aan de voortplanting deelnemen. Tenzij men niet alleen het lange-termijneffect, maar ook de onmiddellijke gevolgen van predatie in de beschouwingen wil betrekken. De kwestie is dus voor een belangrijk deel een definitie-probleem.

Daarna werd het weer snel onoverzichtelijker toen te binnen schoot dat het, populatiedynamisch gezien, maar een kleine stap is van de predator-prooi relatie naar de gastheer-parasiet relatie. Van grote parasieten komt men bij kleine en onvermijdelijk volgt de conclusie dat het de ziekten zèlf zijn die de populatie gezond houden.

Bellen met de bioloog Freek Niewold van het Instituut voor bos- en natuuronderzoek (IBN) in Wageningen. Is herintroductie van roofdieren goed voor de gezondheid van de potentiële prooipopulatie? Dat argument komt Niewold als volkomen nieuw voor. ``Natuurbeschermers dringen soms aan op introductie van roofdieren omdat dat van invloed is op de dichtheid en de verspreiding van de prooidieren. Het gaat nooit om gezondheid.'' Niewold beaamt dat roofdieren in principe invloed zouden kunnen hebben op de verspreiding van ziekten onder een populatie prooidieren. Maar of het vaak veel voorstelt is de vraag. ``Opvallend is dat nooit is aangetoond dat er invloed was van de vos op de verspreiding van myxomatose onder de konijnen in Nederland.''

    • Karel Knip