Prinsjesdag 1

Prinsjesdag is een dag vol tradities. Een van de gebruiken in de marge van dit staatkundige feest is sinds jaar en dag het aan de orde stellen van de vraag of de minister-president niet beter dan de koning(in) de uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid zou kunnen geven. In NRC Handelsblad van 20 september zet Guus Peek die traditie voort. Enigszins afwijkend van zijn voorgangers lijkt hij zijn pleidooi ten gunste van de minister-president te gieten in de vorm van een persoonlijk verwijt aan onze huidige vorstin. De Koningin `leest maar door, jaar na jaar'; het is volgens Peek hoog tijd dat zij daar eens mee ophoudt. Er staat toch in de grondwet dat het ook namens de koning mag. Nu dan, het `feestprogramma' behoeft slechts te worden gewijzigd en Peek doet een aantal verbluffende voorstellen daartoe. Een en ander dient natuurlijk `doordacht' en `weloverwogen' te geschieden, maar liefst wel voor volgend jaar! De constitutionele en protocollaire porseleinkast heeft het zwaar te verduren: het koninklijk echtpaar wordt gescheiden en de ministers lijken in Peeks voorstel te worden ingelijfd in het koninklijk huis. Achter koningin en voorzitter van de Tweede Kamer dienen na de minister-president en prins Claus `de ministers en overige leden van de koninklijke familie' de inspirerende vergaderzaal van de Tweede Kamer te betreden, want de Ridderzaal heeft afgedaan. De koningin moet te midden van haar ministers zetelen, gewoon zitten en niet vooral niet tronen natuurlijk, en keurig wachten tot zij het woord krijgt voor een korte landsmoederlijke bemoediging, waarna (en nu komt het!) de minister-president `een grote, visionaire, politieke rede' zou moeten houden. En dat jaarlijks. De vereiste grote visionaire politici worden bijgeleverd, neem ik aan. Geen `Leve de Koningin!' meer in het parlementaire deel van Peeks Prinsjesdag, maar buiten zou de monarchie in zijn optiek nog wel iets voor zichzelf mogen doen met de Gouden Koets en zo.

Indien deze drieste experimenten worden uitgevoerd, wat gelukkig onwaarschijnlijk is, bekomen we niet een door Peek in het vooruitzicht gestelde `even feestelijke maar constitutioneel zuiverder Prinsjesdag' maar verruilen we een stijlvolle traditie met beproefde vormen voor een schamele vertoning vol ongedachte en ongewenste verse staatsrechtelijke vertekeningen en onduidelijkheden. Niemand zou daarin zijn plaats nog kennen of zich een houding weten te geven. Een op deze wijze `gemoderniseerde' Prinsjesdag zou waarschijnlijk geen lang leven beschoren zijn. Laten we de vertrouwde Prinsjesdag dus maar koesteren als de zinnige demonstratie van de band tussen koning en Staten-Generaal en als een zinnebeeld van het samengaan van onze democratische instellingen met het erfelijk koningschap van Oranje.