Onthulling

IK GA IETS opzienbarends onthullen. Een ontdekking die ik zo akelig vind dat ik hem eerst een tijdje voor me heb gehouden om erover na te denken: over hoe een en ander te verklaren en over de consequenties ervan. Inmiddels heb ik er ook met verschillende mensen over gesproken. Hun reacties variëren van oprecht verbaasd tot dat wist je toch al lang. Treurig genoeg komt die laatste reactie vooral uit de hoek van mensen die in het onderwijs gewerkt hebben of dat nog steeds doen. Wat houdt mijn ontdekking nu in?

Leraren klagen vaak dat ze het zo druk hebben. Als je vraagt waarmee, krijg je in de regel niet als antwoord die taken die de kern uitmaken van hun werk: lesgeven, les voorbereiden en vak bijhouden, maar allerlei onbenullige bezigheden, dingetjes die ze moeten regelen, nalopen van leerlingen die absent waren, een brief voor de ouders opstellen en andere zaken regelen in verband met werkweek of sportdag, kopiëren, geldelijke bijdragen innen, etc.

Nu geldt voor veel mensen die werken in willekeurig welke organisatie dat hun werk allerlei klussen met zich meebrengt die de aandacht afleiden van hun kerntaak. Om te zorgen dat die kerntaak niet in het gedrang komt en de duurbetaalde werknemer zich in de praktijk niet ontwikkelt tot eenvoudig klusjesman worden die bijkomende taken zo veel mogelijk afgestoten naar mensen die daarvoor zijn opgeleid en bijvoorbeeld een administratieve opleiding hebben gevolgd.

Onlangs kregen leraren de vraag voorgelegd in hoeverre zij meenden dat bepaalde taken kunnen worden afgestoten. Leraren hadden bij de beantwoording van de verschillende vragen de keuze uit vijf mogelijkheden variërend van `geheel wel' tot `helemaal niet'. Wat de taken betreft ging het om zaken als het administreren van cijfers, van absenten, routinematig nakijkwerk, innen van contributies, etc. Dat zij daarover van mening verschillen, spreekt vanzelf. Het opzienbarende zit voor mij dan ook niet in de variëteit, maar in het extreme karakter ervan.

Eén voorbeeld uit de vele: het administreren van absenten. Vijftig procent van de leraren in het voortgezet onderwijs die daar ook daadwerkelijk mee belast zijn, vindt dat die taak door een ander kan worden gedaan, 38 procent meent van niet en 12 procent heeft geen mening. En nu het opvallende: de meeste nee-zeggers zeggen niet gewoon nee, maar menen dat dit `helemaal niet' kan. Hetzelfde geldt voor de ja-zeggers. Het komt erop neer dat 37 procent vindt dat dit absoluut wel kan, 31 procent meent absoluut van niet. Ook andere simpele klussen zoals routinematig nakijkwerk, inhaalproefwerken afnemen, administreren van cijfers, innen van contributies of klaarzetten van audiovisuele hulpmiddelen ontlokken vergelijkbare, extreme reacties.

Mijn conclusie: het gros van de leraren zet bij alles, hoe onbenullig ook, de hakken in het zand, elk voorstel over wat dan ook verdeelt hen in elkaar fel bestrijdende partijen. Van teamgeest, het gevoel samen ergens aan te werken, kan, dat lijkt me evident, onder zulke omstandigheden geen sprake zijn. Dat geldt voor scholen, het geldt ook voor leraren in het algemeen. Althans wat het voortgezet onderwijs betreft. In het basisonderwijs is die polariteit veel minder wat in mijn ogen betekent dat de onderlinge verhoudingen daar in het algemeen ook beter zijn.

Er zal iets bedacht moeten worden om de onderlinge verhoudingen in het onderwijs te normaliseren. Zo zouden we alle docenten voor een week naar de Ardennen kunnen sturen, maar ook dat is niet mogelijk: de ene helft vindt dat weliswaar buitengewoon zinvol, maar de andere helft ziet dat absoluut niet zitten.