Kunststudenten uit buitenland in de knel

Het ministerie van OCW noemt buitenlandse kunstenaars en kunststudenten `gewenste vreemdelingen', het ministerie van Justitie hanteert strenge regels, die hun verblijf hier bemoeilijken. D66 en PvdA stelden hierover deze week Kamervragen.

Wat heeft de aardbeving in Turkije met het budget van de Hogeschool voor Muziek & Theater van het Rotterdams Conservatorium te maken? ,,Wel iets'', volgens decaan Erica de Wijs. Een Turkse student, of liever zijn ouders waren onlangs niet in staat het voor buitenlanders geldende collegegeld van 7.816 gulden te voldoen, omdat zij plotseling tien procent `aardbevingsbelasting' moesten betalen. Voor een beurs kwam de student niet aanmerking, aangezien zijn ouders daarvoor weer te veel inkomen (boven 51.168 gulden per jaar) hadden. Resultaat: de Hogeschool heeft het bedrag zelf betaald. Buitenlandse studenten betalen 5000 gulden meer aan collegegeld dan Nederlandse. Moet het, zoals wordt verwacht, kostendekkend worden dan zal het verhoogd worden tot tienduizend gulden.

Het is maar een klein voorbeeld uit een weerbarstige praktijk, volgens De Wijs. ,,Gezien het op multiculturaliteit en internationalisering gerichte beleid van staatssecretaris Van der Ploeg noemden ambtenaren van het ministerie van OCW onze buitenlandse studenten enige tijd geleden op een voorlichtingsbijeenkomst `gewenste Hoger Onderwijs-vreemdelingen' voor wie het departement een `hostess-functie' wil vervullen. Op dezelfde bijeenkomst deelde de Immigratie- en Naturalisatiedienst juist mee de regels strikt in acht te zullen nemen, óók ten aanzien van kunstenaars en kunststudenten.''

Over deze spanning tussen het beleid van het ene ministerie en het andere stelden Kamerleden van D66 en PvdA deze week vragen aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de staatssecretarissen van Justitie en Cultuur. Aanleiding was een artikel in de Volkskrant, over de wijze waarop buitenlandse freelance-dansers na het aflopen van hun kortlopende contract met uitzetting bedreigd worden. Volgens P. Bronkhorst, verbonden aan het Theaterinstituut Nederland en belangenbehartiger van dansers, betreft dat echter een klein aantal podiumkunstenaars – hooguit tien op een beroepsgroep van vijfhonderd – van wie men zich bovendien kan afvragen of ze niet te vervangen zijn door Nederlandse werkzoekenden.

Problematischer zijn de verblijfs- en werkvergunningsprocedures ten aanzien van dansers en musici die kunstinstellingen in vaste dienst willen nemen. De `MVV', de `Machtiging tot Voorlopig Verblijf', is een moeilijk bereikbaar eindstation. Bij Het Nationale Ballet houdt een speciale functionaris, Willy Kampman, zich bezig met ,,de reusachtige en hoogst ingewikkelde papierwinkel.'' Van het 82 dansers tellende gezelschap zijn er ongeveer twintig `MVV-gevallen' en jaarlijks komen er drie à vier nieuwe bij.

Ook bij de veel kleinere Dansgroep Krisztina de Châtel besteedt een medewerker één dag per week aan de immigratie-procedures van leden van het gezelschap. Het Concertgebouworkest – waar medewerker Jacques van der Hulst het extra werk ,,wel mee vindt vallen'' – telt zeven MMV-gevallen op 115 musici.

Om in aanmerking te komen voor een MMV moeten buitenlanders van buiten de EU aantonen over een inkomen, een ziektekostenverzekering en een adres te beschikken. De procedure begint met een bewijs van toelating tot een Hogeschool of een arbeidsovereenkomst. Het traject via het Ministerie van Sociale Zaken, de Arbeidsvoorzieningsbureaus, de Vreemdelingenpolitie en de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND) krijgt volgens Kampman ,,met de nodige duwtjes van onze kant'' na ongeveer vier maanden zijn beslag.

De Wijs schetst een somberder beeld. ,,Het knelpunt zit altijd bij de IND. In de Algemene Wet Bestuursrecht staat een termijn van twee maanden vermeld, die doorgaans tot een half jaar uitloopt. Een student kan, na beëindiging van de vooropleiding in eigen land, op z'n vroegst in mei toelatingsexamen doen. Dat betekent, dat hij pas in november bij ons kan beginnen en dus de cruciale eerste periode mist, waarvoor bovendien wel collegegeld is betaald. In geval van een bezwaarprocedure gaat er een heel jaar verloren, terwijl vrijwel iedere afwijzing achteraf onterecht blijkt.''

Podiumgezelschappen zijn verplicht hun vacatures aan te melden bij het Landelijk Bureau Podiumkunsten. Dit bureau adviseert de Arbeidsvoorziening inzake de vraag of de vacature niet vervuld kan worden door een bij hen geregistreerde werkzoekende uit Nederland, de EU of een verdragslanden. Het Bureau Podiumkunsten organiseert, zegt medewerker Daan Reezigt, regelmatig audities om artistiek leiders inzicht te geven in het bestand werkzoekenden en doet suggesties voor alternatieven van eigen bodem. Reezigt: ,,Ons uitgangspunt is, dat een Nederlander de voorkeur geniet boven een Braziliaan. We dringen er bij instellingen op aan een bepaalde werkzoekende een kans te geven in plaats van de betere buitenlander aan te nemen. Dat is beleid en daar houden we ons aan.''