Ik ga nog even naar de Stoofsteeg

Verscheidene steden kennen ze inmiddels, maar al in 1965 deed Gerda Kurtz het voor Haarlem als een van de eersten: een mooi bladerboek maken dat de straatnamen in de stad verklaart. Haar standaardwerk is nu door Jaap Temminck geactualiseerd.

Vroeger ontstonden straatnamen spontaan. Incidenteel bemoeide de overheid zich ermee. Pas later kwam er een officiële straatnaamgeving. In Haarlem begon deze pas goed rond 1860. Terwijl de in de volksmond ontstane straatnamen verspreid liggen over de hele stad, zijn de officiële meestal mooi bij elkaar gegroepeerd.

Een kenmerk van de oudere straatnamen is veelal de verwijzing naar de nabije omgeving. Maar plaatsaanduidingen zoals `Over die Spairne' of `After dat kerchof' hebben zich in de Spaarnestad niet als straatnaam kunnen handhaven. In Utrecht bleven zulke namen bewaard, bijvoorbeeld `Achter St. Pieter', een naam uit 1464. Andere oude verwijzingen hebben het in Haarlem wel gered. Namen bijvoorbeeld die iets zeggen over de ligging (Koudenhorn: koude hoek), over de vorm (Kromme Elleboogsteeg of 't Zakje – een doodlopende of zakstraat) of een nabijgelegen gebouw, veelal een klooster (Magdalenastraat). Dan zijn er nog de naar personen of families vernoemde straten. Niet uit eerbetoon, zoals tegenwoordig gebeurt, maar omdat deze in de betreffende straat een huis of grond bezaten. Zo ontleent de Hazepaterslaan haar naam aan Haasje Pater, die in de 17de eeuw grond bezat op het tegenwoordige Florapark. In 1892 vonden bewoners van de Hazepaterslaan de naam onwelluidend; ze zagen zich liever in de Florastraat wonen. De gemeente toonde gevoel voor historie en goede smaak, en wees het verzoek tot straatnaamwijziging af.

Voorbeelden van vernoemingen naar beroepen zijn Smedestraat en Drapenierstraat. Een drapenier is een lakenwever. De naam verwijst naar de lakenindustrie, die in de 16de eeuw door immigratie van Vlaamse wevers tot grote bloei kwam.

In de met opzet gegeven straatnamen klinken de tijdgeest en de geschiedenis door, getuige eigentijdse vernoemingen naar Steve Biko, Charta 77 en Amnesty International. Maar er wordt ook verder teruggegrepen, in de eigen stadsgeschiedenis. Een belangrijk onderdeel daarvan was het beleg van Haarlem (1572-1573) door de Spanjaarden. Dezen lagen rond de stad, onder andere bij het voormalige kasteel Huis ter Kleef, nabij de Kleverlaan. In die buurt kregen in 1921 mensen die een rol speelden tijdens het beleg, zoals schout Van Dort, een straat naar zich genoemd. Onbekendere namen dan van de al eerder vernoemde Wigbold Ripperda en Kenau Hasselaar (Kenaupark). Een voorstel om ook straten naar de Spaanse belegeraars te vernoemen, werd door de gemeenteraad verworpen. Stonden namen als die van Don Frederik, de beul van Haarlem, immers niet met zwarte kool in Haarlems geschiedenis getekend?

Met de annexatie, in 1927, van buurgemeenten verkreeg Haarlem niet alleen meer grond, maar ook het probleem van de dubbele straatnamen. In de doublures was vooral het populaire koninklijk huis goed vertegenwoordigd. Behalve met dit soort problemen, dient een straatnamencommissie met meer factoren rekening te houden. Zo is al te grote klankverwantschap (Braamstraat, Brahmsstraat) uit den boze, evenals te moeilijke of te lange namen.

De nieuwe editie van de Haarlemse straatnamen vult de vorige op een aantal punten aan. Bijvoorbeeld bij de verklaring van de naam Stoofsteeg. Een stove of stoof was een lokaal waar armen of ellendigen zich in de winter konden warmen, aldus de uitgave van 1965. In de nieuwste is daaraan toegevoegd dat een stoof ook een middeleeuws bordeel kan zijn, waar mannen en vrouwen elkaar in bad konden ontmoeten.

G.H. Kurtz en J.J. Temminck: De straat waarin wij wonen. Alle Haarlemse straatnamen verklaard. Schuyt & Co, 288 blz., ƒ49,50.