Hoed in Hollands landschap

Iedereen wordt mooier met een hoed. Zet 'hoed gewenst' op de uitnodiging en je feestje is al voor de helft geslaagd. Prinsjesdag groeit uit tot het Ascot van Nederland en hoedenontwerpers doen goede zaken. Toch zie je nauwelijks hoeden op straat. Gevreesd moet worden dat ze liggen te verstoffen in kasten en dozen.

Zelden kom je in Nederland op straat een mooie hoed tegen. Zo zelden dat het een klein feestje is om een medehoed te ontmoeten. Je zou willen zwaaien, even hallo zeggen, informeren naar de ontwerper ervan, zoals bezitters van oldtimers hun hand naar elkaar opsteken, of even met de lichten knipperen.

Voor het dragen van een hoed is enige moed nodig. Je moet blikken kunnen verdragen. Bij je eerste hoed denk je nog dat je voor joker loopt en dat iedereen naar je kijkt. Dat laatste is ook zo, maar meestal zijn het blikken van bewondering. Velen zouden het lef willen hebben om zichzelf en de wereld een beetje mooier te maken.

Nederland is bang voor de hoed. We willen wel kijken, maar niet bekeken worden. Meestal komen we niet verder dan de risicoloze muts: staat aardig, kost niet veel en niemand kijkt je na. 'Ik heb geen hoofd voor een hoed', luidt het eeuwige excuus. 'Dat is hetzelfde als: ik heb geen lijf voor kleren', zegt Truus Stuiver, eigenaar van hoeden-galerie/winkel Cappello in Nijmegen en pleitbezorger van veel aanstormend ontwerperstalent. 'Je moet je openstellen voor een hoed, oude patronen achter je laten. Iedereen kan mooier, prominenter of leuker worden door een hoed. Bij kleine mensen zijn kokette hoedjes vaak leuk, bij lange mensen kan een grote, platte hoed heel mooi zijn', zegt Stuiver, die in haar vorig jaar verschenen boek Boven Maaiveld de 25 bekendste hoedenontwerpers van Nederland portretteerde. Vriendinnen stimuleren elkaar, vrouwen stimuleren hun man, maar er zijn nogal wat mannen die hun vrouw afhouden van de hoed, is haar ervaring. 'Het is een kwestie van "hoeveel schoonheid gun je de ander". Veel mannen willen liever niet dat hun vrouw opvalt of bekeken wordt.' En zo gaan door angst, jaloezie en krenterigheid veel mooie, bijzondere en markante hoofden voor de hoed verloren.

Maar binnenskamers borrelt het. Op zolderkamers en kleine etages maken ontwerpers weer de prachtigste hoeden, aan mode- en kunstacademies is de hoed weer onderwerp van studie, musea wijden er tentoonstellingen aan, volksuniversiteiten organiseren cursussen hoeden maken en nieuwe hoedenwinkels openen hun deuren. Maar tot een ingrijpende wijziging van het straatbeeld heeft dit alles nog niet geleid.

Toch zijn er genoeg tekenen die wijzen op een revival. Op bruiloften en partijen floreert de hoed en Prinsjesdag begint uit te groeien tot een Ascot aan het Binnenhof. Elk jaar neemt de spanning toe: wie heeft de spectaculairste hoed op? 'Vijf jaar geleden was het nog ondenkbaar dat de dames politici iets extravagants op het hoofd zetten', zegt Stuiver. 'Nu mag het weer.'

Een hoed straalt iets positiefs uit, vindt ze. 'Zet op een uitnodiging voor een bruiloft of partij 'hoed gewenst' en je feestje is al voor de helft geslaagd. Een hoed geeft zoveel aanspraak dat je je over de contacten tussen de gasten geen zorgen meer hoeft te maken. In het dragen van een hoed zit iets van spel. Een hoed heeft iets magisch, iets theatraals, iets paradoxaals ook: je mag wat van mijn hoed zeggen, maar verder moet je afstand houden.'

Weinig kledingstukken zijn de afgelopen decennia zo ingrijpend van functie veranderd als de dameshoed. Tot midden jaren vijftig was de hoed nadrukkelijk aanwezig in de openbare ruimte. Een hoed was een teken van beschaving. Hij beschermde tegen kou en zon - bruin worden was iets voor landarbeiders.

Als toonbeeld van burgerlijkheid verdween de hoed in de jaren vijftig en zestig van het toneel. Alleen in zwaar christelijke kring hield hij zich staande. De vrouwenemancipatie leverde een stevige bijdrage aan de teloorgang van het hoofddeksel: moderne vrouwen flaneerden niet meer, gingen niet meer op de thee, ze werkten! Tegelijk met de hoed gingen ook handtas en handschoenen over boord. Alleen in heel warme zomers en zeer koude winters was de hoed er soms nog even. 'Het functionele aspect van de hoed is altijd gebleven, alleen als modeartikel is hij lang weg geweest', volgens Stuiver. Ook in de zakelijke jaren tachtig, toen vrouwen zich tamelijk mannelijk kleedden, deed de hoed het niet lekker. 'Het was de tijd van "doe maar gewoon''. Je moest tekst hebben, geen franje.'

Het zijn de baseballpet en de slappe stoffen hoedjes geweest die het pad effenden voor de echte hoed, denkt Stuiver. Een hoed wordt niet meer geassocieerd met keurigheid en degelijkheid: aan het eind van de eeuw geldt de hoed als toppunt van individualiteit. 'Een hoed is symbolisch voor "je mag zichtbaar zijn''. Het is een sieraad, het staat voor plezier, voor schoonheid.

Bovendien ben je in de jaren negentig geen tut meer als je het prima vindt dat iemand de deur voor je openhoudt, vrouwen kleden zich weer vrouwelijker, mannen weer mannelijker', denkt Stuiver.

De bescheiden terugkeer van de hoed heeft een nieuwe generatie ontwerpers opgeleverd: vrouwen - en een paar mannen - die geboren zijn in de tijd dat de hoed sterk op zijn retour was. De houten petten van Eva Mols (1964), de doorschijnende harmonica-hoeden van Suzan Wenke (1969), de vouwsels van Dirk-Jan Kortschot (1969), de metalen ontwerpen van Bart Konter (1960), de breisels van Marielle van der Schrier (1967) en Nicoline Reinders (1963), de grafische hoeden van Mirjam Nuver (1962) en de 'wiskundige' creaties van Eugenie van Oirschot (1966) gelden als toppers in de hedendaagse hoedenwereld.

Minister Borst en staatssecretaris Verstand droegen vorig jaar op Prinsjesdag een hoed van Eugenie van Oirschot: Verstand een donkerblauwe, Borst één van zwart sisal, beide uit de serie Moving Colours, opvallende hoeden met gedraaide biezen in overlopende kleuren van changeant-zijde. Van Oirschots hoeden zijn meetkundige hoogstandjes, vaak bestaande uit honderden onderdeeltjes die precies in elkaar passen. 'Om boterhammen te eten' maakt ze ook suède hoeden en petten naast exclusievere modellen en unica's. Toen ze in 1993 begon met haar atelier L'Une par Eugenie in Tilburg verkocht ze vooral commercieel werk, maar de vraag naar excentriekere hoeden groeit. 'Mensen durven meer', zegt Van Oirschot.

Tamelijk excentriek zijn de hoeden uit de serie Dan‡a de Lua, een soort stralenkransen die associaties oproepen met het Vrijheidsbeeld. Voor de tentoonstelling Hoed in beweging, die in juli te zien was op het vormgevingsfestival Wonder op Water in Rotterdam, maakte ze een zwart vilten bolletje met daaromheen meterslange ringen van blauwgroene changeant-zijde die naar alle kanten uitgetrokken kunnen worden. Van Oirschot, die zich laat inspireren door uiteenlopende zaken als kerktorens, schaduwen en het werk van Escher, liet zich ditmaal leiden door de experimentele muziek van jazzcomponist/pianist Jeroen van Vliet: 'Telkens als ik die muziek hoor, zie ik beelden van kringen in het water.'

Lastig zoenen

Wie aan de hoed wil, maar nog enige schroom heeft, zou met iets eenvoudigs moeten beginnen. Een hoed die goed past en niet te duur is. Blijf niet hangen in een warenhuis, maar ga naar een hoedenwinkel, laat je adviseren over wat je staat. En leg een hoed niet in de kast, maar hang 'm aan de kapstok, dan draag je 'm sneller.

Wie eenmaal gevallen is voor de hoed, dient terdege rekening te houden met de nieuwe passie. Want op weinig dingen in het leven kun je zo verliefd worden als op een mooie hoed. En dan ligt verslaving op de loer: de ware hoedenjunk raakt verwend door de complimenten, wil niet meer naar de Bijenkorf om een standaardhoedje te passen, heeft alleen nog oog voor het echte werk. De hoedendraagster gaat zichzelf beschouwen als een kunstverzamelaar. De minder handige aspecten van de hoed - het zoent lastig, je kunt er niet mee telefoneren, je haar wordt er plat van, bij een stevige wind moet je hem goed vasthouden - worden vriendelijk doch beslist weggewuifd. 'Op hoge hakken kun je ook niet hard lopen', zegt ontwerpster Mirjam Nuver.

Nuver is een van de meest succesvolle hoedenmaaksters van dit moment. Ze begon als grafisch ontwerpster, maar kwam in aanraking met hoeden door de winkel van haar moeder, Maison Nuver in Groningen. 'Ik ging wel eens mee inkopen en ik vond het allemaal vreselijk saai wat ik zag'. Ze besloot na haar opleiding zelf wat hoeden te maken en sinds 1991 is ze fulltime ontwerpster. Ze deed opdrachten voor mode-ontwerper Aziz Bekkaoui, exposeerde in het Stedelijk Museum en levert aan winkels en particulieren. De hoed die ze vorig jaar voor Koninginnedag maakte voor toenmalig burgemeester Verstand van Zutphen wekte enige commotie. Harry Scheltens, de vaste hoedenmaker van Hare Majesteit, sneerde in het Algemeen Dagblad dat de donkerblauwe, asymmetrische hoed van Nuver niet meer was dan 'een met spelden in elkaar gestoken bolletje'. Gelet op het protocol zou het aanhangsel bovendien aan de verkeerde kant hebben gezeten: de koningin moest ertegenaan kijken.

Als een van de weinige Nederlandse hoedenontwerpsters maakt Nuver elk half jaar een nieuwe collectie. 'Het gaat niet om duizenden exemplaren per hoed, maar als een serie goed loopt, kan het wel zijn dat er honderd van worden gemaakt. Ik vraag me wel eens af waar al die hoeden van mij in vredesnaam blijven', zegt Nuver. 'Ik verkoop ze wel, maar zie ze nauwelijks.' Dat doet het ergste vermoeden. Het kan niet anders of veel prachtige hoeden die voor honderden guldens worden aangeschaft, liggen in kasten en hoedendozen te verstoffen.

Afgelopen jaar viel Nuver op met haar Bouwpakket-serie, een ontwerp bestaande uit diverse onderdelen in verschillende kleuren die los van elkaar gekocht en gedragen kunnen worden. Andere collecties kregen namen als 'de lokken' (hoeden die eruitzien als stijf opgekamde krullen en doen denken aan varianten op Napoleons steek) en de zwaluwhoeden (met twee puntjes in de nek). Voor de opening van het Vormgevingsinstituut maakte ze 'de calvinisten' (hoeden die verwijzen naar gesteven lakens en Hollandse properheid). Befaamd zijn ook haar chapeaux claque, die als een harmonica in- en uit elkaar getrokken worden. Nuvers hoeden hebben strakke vormen, zonder franje. 'Ik maak alleen dingen die ik zelf mooi vind. Soms loopt daardoor een deel van mijn collectie niet.'

Zelf heeft ze bijna altijd een hoed op als ze de deur uitgaat. 'Omdat ik wil laten zien dat je het gewoon op je hoofd kunt zetten. Als ik naar een beurs in Engeland ga, zet ik iets extravagants op, heb ik een pokkenbui, dan wordt het een baret. Hoef ik niet voor in de spiegel te kijken, het is of ik mijn makkelijkste schoenen aantrek.'

Hoedendraagsters zijn 'net-even-anders-vrouwen', in de woorden van ontwerpster Marianne Jongkind. 'Zelfbewuste vrouwen die zichzelf niet lelijk vinden en zich durven te laten zien.' Jongkind (1945) geldt als de nestor van de Nederlandse hoeden wereld. In haar atelier, in de serre van haar woning in Soest, ligt een half-af hoedje van zwartwit gevlochten band voor Edgar Vos. Het is niet de enige opdracht die af moet. Binnen vijf dagen moeten er nog drie hoeden worden afgeleverd bij klanten. Haar collectie is niet eenvoudig te typeren: de hoeden variëren van klassiek tot experimenteel en van haute couture tot baret.

Jongkinds werkwijze is uitgesproken prozaïsch: als basismodellen voor haar hoeden gebruikt ze onder meer houten slabakken van de Hema, vazen of glazen borden die ze bijeenspaarde met benzinezegeltjes van bp. 'Die tikte ik dan kapot als het vilt eromheen gespannen was, anders kon het bord er niet meer uit.'

Zelf begon ze, in de tijd dat de hoed nog heel gewoon was, als 16-jarige leerling in het atelier van een Amsterdamse modiste. In de hoedenmijdende jaren zeventig werkte ze voor toneelgezelschappen en maakte ze bruidshoeden. Eind jaren tachtig, toen de belangstelling voor de hoed weer toenam, ging ze lesgeven aan mode- en kunstacademies. Ze stapte in 1990 naar Frank Govers, die meteen een paar hoeden kocht en een half jaar later belde met de vraag of ze niet elk half jaar vijftig ... zestig hoeden voor zijn modeshows kon maken.

Daarna ging het hard. Vijf maanden per jaar is ze druk met de coutureshows van Vos, ze maakte de twee hoeden voor de tv-commercial van Master Card, ze heeft een collectie voor particuliere klanten en levert aan hoedenwinkels en galeries, zoals Cappello in Nijmegen, Matelot in Breda en galerie Amarna in Maastricht. En dit jaar prijkte er op Prinsjesdag een Jongkind op het hoofd van staatssecretaris Verstand. Rijk wordt ze er niet van. 'Ik zou er van kunnen leven in mijn eentje, maar dan zou het wel een minimumloon zijn. Wellicht zou het beter gaan als ik niet alleen unica maakte, maar van elke hoed dertig dezelfde zou maken.' Ze rekent voor: een eenvoudige hoed vergt ongeveer zes uur werk, een meer ingewikkelde twintig uur. 'Goede ontwerpershoeden van onder de tweehonderd gulden bestaan niet, de investeringen zijn gewoon te groot.'

Ingebouwd asbakje

Het modebeeld voor hoeden verschuift traag, de waan van de dag die zo kenmerkend is voor kleding is ver te zoeken. Met moeite zijn er trends aan te wijzen. Vorm-gevers volgen geheel hun eigen weg, houden hooguit rekening met de modekleuren.

Met de hoedenmode is ook de etiquette van weleer verdwenen. 'Je kunt een hoed opzetten wanneer je zin hebt, als hij maar bij je kleding past', vindt Marian Conrads (1939), kunsthistorica en gespecialiseerd in kostuumgeschiedenis en theaterwetenschap. Met een collectie van zo'n honderd hoeden 'en nog een aantal in depot die ik niet meer draag', is ze d‚ hoedencollectioneur van Nederland.

Een vrouw mag nog steeds altijd haar hoed ophouden, ook bij een diner, 'al is dat in het geval van een grote of warme hoed niet altijd even praktisch', aldus Conrads. In de schouwburg of op een terras is het not done om een grote hoed op te houden, omdat je anderen daarmee het uitzicht beneemt. Dat je als bruiloftsgast geen hoed op zou mogen als de bruid geen hoed draagt, noemt ze een fabeltje. 'Een bruid valt toch wel op en iedere bruid vindt het leuk als haar gasten er goed uitzien.' Snel overdressed met een hoed? 'Onzin! Als je je maar goed voelt bij een hoed.'

Conrads zal 'nooit, maar dan ook nooit' de straat opgaan zonder hoed. Of ze nu naar de opening van een expositie moet of naar de markt, er staat iets op haar hoofd. Zelfs binnenshuis draagt ze iets: vaak een hoofdband van Mirjam Nuver die dichtgevouwen kan worden tot een mutsje. 'Het zou slecht met me gaan als ik geen hoed meer zou opzetten.'

In haar Villa Kakelbont-achtige huis nabij Utrecht geeft ze een one-womanshow met hoeden uit haar collectie. Met accessoires als bontjes schakelt ze moeiteloos over van de Roaring Twenties naar Farah Dibah of de jaren negentig. Ze heeft inklapbare, opvouwbare, claqehoeden, een antizoenhoed ('Heerlijk, in de modewereld moet je namelijk zoveel zoenen').

Regelmatig koopt ze werk van beginnende ontwerpers, maar ook van gevestigde namen. Een van haar laatste aanwinsten is een knalrode strohoed met lange lokken van Mirjam Nuver. 'Puur theater', vindt Conrads, die tot 1990 deel uitmaakte van de directie van de Koninklijke Academie in Den Haag en nog regelmatig lezingen en gastcolleges geeft. Haar bijzonderste exemplaar is een reishoed, met vakjes voor sigaretten, een ingebouwd asbakje, en vakjes voor plastic kaartjes en haar paspoort. 'Ik ben gek op hoeden met humor.'

Ze haalt een kindertruitje van de Belgische ontwerper Elvis Pompilio tevoorschijn dat je als een mutsje op je hoofd kunt zetten. Ze heeft hoeden met ritssluitingen, met een motief van Delftsblauwe tegeltjes en een rubberen hoed van Dirk-Jan Kortschot. Wat ze ook op haar hoofd zet, met het korte donkere haar, de gestileerde lokken aan de zijkant en haar bijna zwarte ogen, het st t.

Hoedendragers typeert ze als mensen die houden van mooie vormgeving, gevoel voor humor hebben en kunnen kijken. 'Nee, niet ijdel, ik geniet net zozeer van een ander die er mooi uitziet.'

Hoe het verder zal gaan met de hoed in Nederland? 'De tussenhoed heeft de toekomst,' denkt Conrads. 'Iets tussen pet en hoed in, dat zich makkelijk mee laat nemen. Maar de ‚chte hoed zal niet meer massaal terugkomen; dat blijft toch iets voor liefhebbers.'