Heulen met de bondgenoot

Net toen de NAVO eindelijk bereid was grondtroepen naar Kosovo te sturen, capituleerde president Miloševic. Waarom? Uit deze reconstructie in de Washington Post blijkt dat de besluit- vorming gekenmerkt werd door onderlinge conflicten tussen politici en militairen over de strategie. Er was wel een Plan A - maar geen Plan B.

I. Wel of geen grondtroepen?

In de vroege ochtend van 27 mei zette de Duitse politie alle opritten en zijwegen af van de snelweg tussen het vliegveld van Keulen en Hotel Bristol in Bonn. Zelfs de paar mensen die om 3 uur 's morgens toevallig al op waren, konden geen glimp opvangen van de man die daar in een stoet auto's langsflitste.

De oorlog om Kosovo had zich al negen weken voortgesleept zonder enig teken dat Belgrado zou inbinden, en de Amerikaanse minister van Defensie William Cohen was in het geheim ingevlogen voor overleg met zijn Britse, Franse, Duitse en Italiaanse collega's over een grondoorlog van de NAVO tegen Joegoslavië. Na zeseneenhalf uur kwamen ze tot een vèrstrekkende conclusie: hun regeringen zouden binnen enkele dagen moeten beslissen of er een landstrijdmacht op de been zou worden gebracht.

Officieel was de optie van een grondoorlog strikt uitgesloten. Op 24 maart, de eerste dag van de oorlog, beloofde Clinton: ,,Ik ben niet van plan onze troepen in Kosovo in te zetten om er oorlog te voeren''. Maar slechts enkele weken later, medio april, riep generaal Wesley Clark, NAVO-opperbevelhebber in Europa, Britse en Amerikaanse officieren bijeen om hun standpunten te peilen over actie te land. Dit ondanks het feit dat de politieke leiders van de NAVO voor zulke plannen geen toestemming hadden.

Samuel `Sandy' Berger, Clintons adviseur voor nationale veiligheidszaken, wist NAVO-secretaris-generaal Javier Solana over te halen om Clarks geheime overleg goed te keuren. Clark wilde bij Amerikaanse generaals steun verwerven voor zijn overtuiging dat er een invasieplan moest worden ontworpen. Dit standpunt was moeilijk te verkopen, want het Pentagon had nooit voor een grondoptie gevoeld. Clarks pleidooien in die richting vormden een voortdurende bron van wrijving.

Toch stond Clark niet alleen. Kort voor de top in Washington ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de NAVO besloot Clinton Amerikaanse troepen te sturen als de luchtcampagne zou mislukken. Het oordeel van de militairen die Clark raadpleegde loog er niet om: ,,Als u de Serviërs uit Kosovo wilt verdrijven, zult u grondtroepen moeten inzetten'', aldus een van hen. ,,Wij waren er allen volkomen van overtuigd dat een grondoptie noodzakelijk was.''

Vlak voor de top van 24 april drong Clinton er bij de Britse premier Tony Blair op aan om niet meer over een invasie te praten. Dat gaf de geallieerden problemen met hun achterban en maakte bovendien de Russen onwillig om diplomatieke hulp te bieden.

Niet lang daarna gingen de militairen aan de slag om de invasieplannen op te stellen. Medio mei beschikte Clark over een voorlopig plan voor een aanval met 175.000 militairen vanuit het zuiden, merendeels vanuit Albanië. In NAVO-schema's heette het de `B-min-optie', een naam die sloeg op de rang van dit plan op een hypothetische schaal die begon met een grootscheepse invasie in Belgrado.

In mei reisde Clark naar Washington, in de hoop uiterlijk op 1 juni toestemming van Clinton te krijgen, zodat de troepen per 1 september ter plaatse konden zijn. Maar het Witte Huis aarzelde, in de hoop dat luchtaanvallen alsnog het pleit zouden beslechten.

Koele ontvangst

Plan B-min werd koeltjes ontvangen toen Clark het op 19 mei aan de Amerikaanse legerleiding presenteerde in de `tank', de streng beveiligde vergaderruimte van het Pentagon. ,,Iedereen betwijfelde oprecht of het uitvoerbaar was'', zegt een daarbij aanwezige functionaris. Minister van Defensie Cohen en generaal Henry Shelton, voorzitter van de chefs van staven, voelden er nog weinig voor om troepen te sturen. ,,We zagen dat de luchtaanvallen werkelijk resultaat hadden'', aldus een van de stafchefs. Clintons adviseurs voor nationale veiligheid, onder wie Berger, voelden veel meer voor een landaanval dan de kopstukken van het Pentagon. Het Witte Huis vroeg het Pentagon andere vertrekpunten te overwegen – vanuit Bulgarije, vanuit Bosnië of zelfs vanuit Hongarije, wat een rechtstreekse aanval op Servië zelf zou betekenen.

De geheime bijeenkomst met Cohen op 27 mei in Bonn vond vooral plaats op aandringen van George Robertson, de Britse minister van Defensie. De NAVO moest onmiddellijk voorbereidingen treffen om grondtroepen naar Joegoslavië te sturen, vond hij, en hij zegde vijftigduizend Britse soldaten toe. De Engelse regering, de voornaamste voorstander van een invasie, had keer op keer de Amerikanen over dit onderwerp aan hun jasje getrokken. De Engelsen vonden het onprofessioneel om geen rekening te houden met het slechtst denkbare scenario: dat de NAVO-luchtmacht er niet in zou slagen de Joegoslaven uit Kosovo te verdrijven.

Op 23 mei was Clinton er in een telefoongesprek met Blair mee akkoord gegaan dat NAVO-secretaris-generaal Solana een plan voor grondoperaties zou opstellen. De Britten wisten dat de relaties tussen Clark en minister Cohen, die fel gekant was tegen een invasie, verslechterden. De Britten speelden Clark zelfs hun transcriptie toe van het telefoongesprek van Clinton en Blair, voor het geval Clark langs de Amerikaanse hiërarchische weg alleen een afgezwakte versie te horen zou krijgen.

In Bonn leken de Duitse en de Italiaanse ministers van Defensie open te staan voor het sturen van grondtroepen, al hadden zij nog bedenkingen. De Fransen keerden zich er niet vierkant tegen, maar meenden dat er geen tijd was om die nog voor de winter rond te krijgen. Cohen stelde dat het veiliger was om het bij luchtaanvallen te houden, en geen verdeeldheid over grondtroepen te riskeren. ,,Bij dat overleg bleek duidelijk dat consensus over grondtroepen er niet in zat'', zegt Cohen later. Tenslotte kwamen de ministers overeen dat de NAVO het zich niet kon permitteren deze oorlog te verliezen: hun regeringen moesten het binnen een week eens zien te worden over grondtroepen.

Intussen bespraken NAVO-militairen in een geheim hoofdkwartier in de Albanese grensstad Kukës hoe zij het UÇK zouden kunnen omvormen tot een lichte infanterie. In feite werkten de CIA en de NAVO al sinds eind april samen met het UÇK. Niet rechtstreeks – de rebellen zouden gruweldaden hebben gepleegd en drugs hebben gesmokkeld, de Amerikaanse gezant Robert Gelbard had hen zelfs `terroristen' genoemd – maar via het Albanese Tweede Leger. UÇK-officieren praatten dagelijks met Albanese officieren op het ministerie van Defensie in Tirana, veelal in aanwezigheid van een CIA-officier.

Op 26 mei lanceerde het UÇK met artilleriesteun van het Albanese leger een groot offensief om een bevoorradingsroute vrij te vechten. Het Joegoslavische leger zag de aanval als het begin van een grondoorlog. Maar binnen drie dagen leden de rebellen ernstige verliezen; 250 UÇK'ers werden op de berg Pastrik ingesloten door zevenhonderd Joegoslavische soldaten. ,,Die berg mag niet verloren gaan. Ik wil geen Serviërs op die berg'', zei Clark in een videoconferentie met zijn ondergeschikten. ,,Als wij [het UÇK] niet helpen hem te behouden, zullen wij moeten boeten met Amerikaans bloed.'' Op 7 juni kwamen twee B-52's te hulp, die een zware bommenlast afwierpen op twee Joegoslavische bataljons op de Pastrik.

Blijvend mysterie

Het is een blijvend mysterie van de oorlog: wat heeft Miloševic ertoe gebracht in juni de strijd te staken en plotseling in te stemmen met de terugtrekking van al zijn troepen uit Kosovo?

Ongetwijfeld speelden de verwoestingen een rol die de NAVO in Servië zelf heeft aangericht. De luchtoorlog heeft vreselijk huisgehouden in essentiële sectoren – wegen, bruggen, spoorwegen, fabrieken, vliegvelden, televisiemasten, brandstofdepots, elektriciteitscentrales – waardoor de economie werd lamgelegd. Bovendien wist de NAVO het Kremlin ertoe te bewegen druk uit te oefenen op Miloševic om de oorlog te beëindigen.

De derde factor was de grondoorlog. Achteraf bezien lijkt de slag om de berg Pastrik op 7 juni een keerpunt te zijn geweest. ,,Ik denk dat Miloševic over alle aanwijzingen beschikte dat wij een grondoorlog zouden beginnen'', aldus Clark later tot een denktank in Washington. Achteraf is duidelijk dat precies op het moment dat de Servische leider aanstalten maakte om te capituleren, èn op het moment van de slag om de Pastrik, Clinton ernstig overwoog grondtroepen in te zetten.

Op 2 juni sprak Berger met verscheidene buitenlandexperts die voor inzet van grondtroepen hadden gepleit. Volgens een van de aanwezigen hoorde de groep tot haar verbazing van Berger dat als een invasie te land vereist was om de oorlog te winnen, de president bereid was die te steunen. Berger kwam met vier punten. Punt één: ,,Wij gaan winnen.'' Punt vier: ,,Alle opties liggen op tafel.'' Toen hem werd gevraagd of Clinton grondtroepen zou steunen, antwoordde hij: ,,Ga terug naar punt één.''

De volgende ochtend, 3 juni, bracht een verrassing: om half 7 's ochtends gaven medewerkers van de Situation Room in het Witte Huis Bergers team door dat Belgrado op het punt stond toe te geven. Miloševic had onverwachts tegen de Finse president Martti Ahtisaari en de Russische oud-premier Viktor Tsjernomyrdin gezegd dat hij het vredesvoorstel dat zij hem hadden voorgelegd, zou aanvaarden.

Maar Washington was bang voor een list, en die middag sprak Clinton met de gezamenlijke stafchefs over de mogelijkheid om gevechtstroepen naar Kosovo te sturen. De bombardementen gingen zelfs nog door toen de Britse generaal Michael Jackson, de bevelhebber van de grondstrijdkrachten van de NAVO in Macedonië, in Kumanovo met Joegoslavische officieren al begonnen was aan technisch overleg over de terugtrekking. Op 7 juni liepen die gesprekken vast. De bombardementen werden opgevoerd. De mogelijkheid van een grondinvasie bleef: ,,Iedere dag die verloren gaat is voor het B-min-traject van het grootste gewicht'', zei Clark tot zijn bevelhebbers.

Die avond lieten Amerikaanse B-52's hun bommen vallen op de berg Pastrik. De volgende dag bereikten de Westerse landen en Rusland een akkoord over een VN-ontwerpresolutie voor vrede, waardoor Miloševic diplomatiek gezien geen kant meer op kon. Twee avonden later ondertekende hij een overeenkomst waarmee hij de invasie van vijftigduizend NAVO-soldaten toeliet.

II. De oorlog van de generaals

Terwijl de oorlog om Kosovo vorderde ervoeren NAVO-commandanten in heel Europa met groeiend onbehagen op de dagelijkse videoconferentie de spanningen tussen hun baas, generaal Wesley Clark, en zijn hoogste luchtmachtofficier, luitenant-generaal Michael Short.

Clark hamerde erop dat de luchtmacht tanks en artillerie in Kosovo moest opsporen. Short vond dat soort acties vrijwel zinloos; hij wilde `strategische' doelen vernietigen, zoals Joegoslavische ministeries en elektriciteitscentrales. Bij een van de ruzies merkte Short met voldoening op dat NAVO-vliegtuigen eindelijk op het punt stonden om het hoofdkwartier van de Servische politie in Belgrado aan te vallen. ,,Dat is de parel in de kroon'', zei Short. ,,Voor mij is de parel in de kroon wanneer die B-52's over Kosovo daveren'', antwoordde Clark. ,,U en ik weten al weken dat wij onze parels bij verschillende juweliers halen'', zei Short. ,,Mijn juwelier heeft een ster meer dan die van u'', antwoordde Clark.

Binnen het bondgenootschap heerste verdeeldheid en irritatie. De luchtmacht beschouwde de vijand als een slang, die door bombardementen op Belgrado de kop moest worden afgeslagen. Sommigen werden kribbig wanneer zij het bevel kregen om de `staart' van de slang aan te vallen: losse tanks en kleine legereenheden in Kosovo.

De onvrede bij de luchtmacht kwam ten dele voort uit het chaotische, planloze karakter van de veldtocht in de eerste weken. De NAVO had verwacht dat Miloševic al na twee of drie dagen bombarderen in zijn schulp zou kruipen. Toen op de tweede dag zijn troepen juist dieper in Kosovo doordrongen in plaats van zich terug te trekken, nam Clark het oorspronkelijke oorlogsplan onder de loep om het agressiever te maken. Hierdoor werd hij genoodzaakt om intern in debat te gaan – met de luchtmacht over tactische bombardementsmissies, met de NAVO-bondgenoten over toestemming om gevoelige doelen in Servië op de korrel te nemen.

Dat leidde dikwijls tot verwarring. Gevechtspiloten werden van de startbaan geplukt wanneer hun opdrachten op het laatste moment werden geschrapt door politici ver weg. Marinepersoneel werd 's nachts uit bed gehaald om Tomahawks af te vuren zonder de baan van de projectielen behoorlijk te kunnen narekenen. In Washington spurtten generaals naar het Witte Huis met tassen vol doelen om goedkeuring te krijgen voor de acties van de komende nacht. De vraag hoeveel vliegtuigen er naar Kosovo moesten worden gestuurd en hoeveel naar Servië, was een voortdurende bron van onenigheid.

De plannen voor de campagne gingen terug tot juni 1998. Toen de oorlog begon waren veertig varianten van een luchtoorlog uitgewerkt. Uiteindelijk koos de NAVO voor een luchtcampagne in drie fasen. In fase 1 zou de NAVO luchtafweerinstallaties en commandobunkers aanvallen. In fase 2 zouden de aanvallen worden uitgebreid naar de infrastructuur van Joegoslavië ten zuiden van de 44ste breedtegraad, nog een heel eind ten zuiden van Belgrado. Pas in fase 3 zouden de geallieerden doelen in de hoofdstad aanvallen.

Dat was plan A. Er was geen plan B. De NAVO had geen blauwdruk liggen voor een eventuele langdurige campagne. Clinton en Clark vreesden dat als zij de negentien lidstaten van het bondgenootschap zouden vragen die mogelijkheid onder ogen te zien, de alliantie helemaal nooit aan de oorlog zou beginnen.

Dodelijke slag

Op 24 maart, de eerste avond van de oorlog, zat generaal Short in een verduisterd vertrek vol computerschermen in het Italiaanse Vicenza. Gele, groene en rode `kikkervisjes' die over grote elektronische kaarten aan de wanden bewogen, stelden alle vijandelijke en bevriende vliegtuigen boven Joegoslavië voor. Short wachtte met de tanden op elkaar geklemd tot de eerste projectielen hun doel zouden treffen.

De driesterrengeneraal met zijn borende blauwe ogen en barse optreden had zijn superieuren keer op keer voorgehouden dat op de eerste nacht van de oorlog een dodelijke slag moest worden toegebracht aan de elektriciteitscentrales en ministeries in Belgrado. Dat was de grondslag van de luchtoorlog, die zware aanvallen op doelen van grote militaire, economische of psychologische betekenis voorschreef. Toch leidde hij op de eerste avond een operatie met maar 53 doelen.

Ook Clark had twijfels over de bescheiden omvang van het aanvankelijke plan. Maar na een jaar lang de bondgenoten te hebben bewerkt was hij ervan overtuigd dat dit de grootste, beste operatie was waarvoor hij toestemming van de NAVO zou kunnen krijgen. Al op de tweede dag begon hij druk uit te oefenen op NAVO-diplomaten en op Washington om de aanvankelijke verwachting van een zeer kort conflict bij te stellen. In kleine kring begon hij over de noodzaak om plannen te maken voor het ergste geval, een grondoorlog. Zijn belangrijkste stap was NAVO-secretaris-generaal Javier Solana te verzoeken om fase 2 te mogen overslaan en te beginnen met doelen uit fase 3: essentiële ministeries in Belgrado. Dat baarde enkele bondgenoten zorgen over de politieke risico's. Clark wist dat. ,,Mijn uitgangspunt was dat geen enkel getroffen doel belangrijker was dan consensus in het bondgenootschap. Mijn streven was om met behoud van consensus eruit te halen wat erin zat.''

Terwijl de bondgenoten aarzelden over aanvallen op Belgrado, speurden de luchtmachtcommandanten met tegenzin naar tanks en troepen in Kosovo. Short vond het verspilling van tijd en middelen om Miloševic' leger in Kosovo aan te vallen. Hij heeft nooit een bevel van Clark niet opgevolgd, maar zijn lichaamstaal – onderuitgezakt in zijn stoel, armen over elkaar, stuurse blik – zei soms wel iets over zijn ontevredenheid. ,,Short ergerde zich gewoon wezenloos'', zegt een hoge officier, aan de onorthodoxe aanpak om geleide wapens van een miljoen dollar te gebruiken tegen doelen die nog geen tiende van dat bedrag waard waren.

Tankje paffen

Andere luchtmachtcommandanten deelden Shorts bedenkingen tegen `tankje paffen' in Kosovo. Zij geloofden helemaal niet dat als er maar een zeker aantal tanks vernietigd werd, er wel een einde zou komen aan de gruweldaden in het gebied. ,,De tank, irrelevant in de context van de etnische zuiveringen, werd verheven tot symbool van de Servische grondtroepen'', zegt luchtmachtgeneraal Joseph Ralston, vice-voorzitter van de gezamenlijke stafchefs. ,,Hoeveel tanks heb je vandaag uitgeschakeld? Dat werd ineens de prestatienorm, een norm die niets te maken had met de realiteit.''

Clark zegt dat hij wat de strategische doelen betreft niet hoefde te worden overtuigd, maar dat hij de Servische strijdkrachten in Kosovo óók wilde treffen. Intussen moest hij voorstellen afwimpelen van de politieke leiders van sommige NAVO-landen, vooral Italië en Griekenland, die de bombardementen helemaal wilden opschorten.

Enkele luchtmachtofficieren waren zo ontevreden dat zij gepensioneerde collega's aanspoorden om hun mond open te doen. Volgens twee zegslieden gaf de afdeling voorlichting van het Pentagon stilletjes informatie door aan een groep generaals buiten dienst. Deze `rijpere staatslieden' verklaarden in de media dat het luchtwapen niet goed werd gebruikt.

Toch heeft Clark uiteindelijk zijn uiterste best gedaan om toestemming te krijgen om het soort doelen aan te vallen dat de luchtmacht wilde. Op 28 maart verscheen zijn zwarte Mercedes voor de woning van secretaris-generaal Javier Solana in Brussel. In de eetkamer gaf de generaal de Spaanse diplomaat college in het bombarderen van doelen. Hij legde uit wat het explosiebereik van diverse wapens is. Hij sprak over de keuze van `mikpunten' – dwarsbalken, sluitstenen en steunplaten, die als ze geraakt werden een gebouw zouden doen instorten, niet exploderen. De planners van de NAVO, zei hij, konden berekenen hoever versplinterd glas zou vliegen, en of het schaafwonden dan wel diepe verwondingen zou veroorzaken. Clark wilde Solana dat allemaal duidelijk maken, omdat hij zijn goedkeuring nodig had voor twee doelen.

Aan de ene kant van de Knez Miloš-straat in het centrum van Belgrado stond het Joegoslavische Ministerie van Binnenlandse Zaken, een log, zeven verdiepingen hoog gebouw van witte natuursteen. Ertegenover stond het hoofdkwartier van de Servische speciale politie, een nog groter bouwwerk van staal en donkerbruin glas. Het maakte Clark niet uit dat deze gebouwen al dagen eerder helemaal waren ontruimd. De NAVO-bevelhebbers hoopten met deze luchtaanval – de eerste op de Joegoslavische hoofdstad – een psychologische boodschap over te brengen: dat zolang er in Kosovo gruweldaden werden bedreven, Belgrado niet veilig was.

Op 30 maart, de zevende dag van de oorlog, werd Clarks verzoek besproken door de NAVO-ambassadeurs. Ze kwamen niet tot een besluit. De Raad liet het aan Solana over om zijn wensen te interpreteren. Solana gaf een paar dagen later het groene licht. Door toestemming te krijgen voor aanvallen op zowel Belgrado als Kosovo bracht Clark alle partijen tenslotte bij elkaar. Zo kon hij de bredere oorlogvoering realiseren die Miloševic uiteindelijk heeft doen capituleren.

Vorige week gaf Clark eindelijk cijfers over de campagne vrij. Daaruit blijkt dat slechts ongeveer een derde van het wapentuig en rollend materieel van de Joegoslaven in Kosovo is vernietigd. Voor het kamp van Short geeft dit duidelijk aan dat de oorlog is gewonnen door de strategische bombardementen op Servië zelf, waar de NAVO 24 bruggen, 12 stations, 36 fabrieken, 7 vliegvelden, 16 brandstofraffinaderijen en -opslagplaatsen, 17 televisiemasten en verscheidene elektrische installaties beschadigde of vernietigde.

Het brengt Clark niet van zijn stuk. Hij beweert dat Joegoslavië is verslagen door de voortdurende verliezen in Kosovo en elders in Servië, gecombineerd met diplomatieke druk en de dreiging van een geallieerde invasie. De luchtcampagne was ,,gericht op dwingen, niet op veroveren'', zegt Clark. ,,Het was alleen maar logisch dat Miloševic op een gegeven moment, als hij maar bleef verliezen en wij niet, de handdoek in de ring zou gooien. Wij konden echter nooit voorspellen hoe lang hij het zou uithouden. Dat was een functie van variabelen die zich aan onze voorspellingen onttrokken – uiteindelijk van zijn geestesgesteldheid.''

LAT-WP Newsservice

Vertaling Jaap Engelsman