Heel oude mensen

Mijn oma woonde, niet uitzonderlijk voor oude `Indische' dames, in Den Haag, aan het Louis Couperusplein. Als middelbare scholier fietste ik vaak door die buurt. Soms fantaseerde ik dan over de tijd van Couperus en voelde me een personage in een van zijn Haagse romans. Op de Mauritskade zag ik de oude Takma die juist de hoge brug op kwam lopen, steunend op zijn ivoorknoppige stok. Ik fietste een stukje met hem mee op zijn dagelijkse gang naar het Nassauplein, waar de oude mevrouw Dercksz - iemand als mijn oma, stelde ik me voor - op hem wachtte. De oude mensen deelden een gruwelijk Indisch geheim van liefde en schuld.

Even verderop, aan het Korte Voorhout, speelt nu, ter gelegenheid van de heropening van de Koninklijke Schouwburg, Oude mensen, naar de roman van Couperus. Opnieuw, net als vroeger, waande ik me tijdens de voorstelling terug in de tijd. Om precies te zijn in 1899, want in dat jaar situeert bewerker Willem Jan Otten het toneelstuk. Zijn tekst waarin een echo van Couperus doorklinkt, de kostuums, de Haagse schouwburgsfeer die door de modernisering niet is verdreven: alles werkte mee om het 1899 te laten lijken. Ieder moment kon het koetsje met Eline Vere voorrijden en door de afroeper worden aangekondigd.

De mannelijke verwanten van Couperus' Elines, Ottilies en Constances waren niet zelden, als leden van de gegoede burgerij, lid van de Tweede Kamer of minister. Tot hen heeft koningin Wilhelmina de woorden gericht die haar kleindochter dinsdag in de aanhef van de Troonrede herhaalde. Er waren trouwens bij de voorstelling van Oude mensen opvallend veel Kamerleden en ministers aanwezig. In één week gingen zij twee keer een eeuw terug.

Hier houdt de parallel tussen toen en nu even op. De Kamerdebatten in 1899 waren ongekend fel vergeleken bij de algemene beschouwingen over de begroting 2000. Zelden heeft het parlementaire leven in Nederland zulke principiële conflicten en frontale botsingen van toekomstvisies gekend, als in het laatste decennium van de vorige eeuw. Nu ging het debat over graduele verschillen. Kinderbijslag niet vijftig, maar honderd gulden meer. Wat extra geld voor onderwijs en zorg. Marginale aanpassing van de aanhangige euthanasiewet. Typerend was een overzichtje per beleidsonderdeel in Trouw. In het kolommetje van de grootste oppositiepartij, het CDA, stond bij Milieu: `geen wensen'. Onderwijs: `geen wensen'. Zorg: `geen wensen'. De linkse oppositiepartijen, GroenLinks en SP, wensten ietsje meer of minder zus of zo (`Zalmsnip schrappen', `koopkracht minima met 2 pct verhogen').

Een eeuw geleden, onder het kabinet-Pierson (1897-1901) draaide het debat om drie Grote Kwesties. De leerplicht tot twaalf jaar werd ingevoerd ondanks heftige tegenstand van de rechterzijde. Een katholiek Kamerlid waarschuwde dat `de kracht der natie zal worden verlamd, de particuliere krachten gebroken' door de leerplicht. Deze schond immers een `heilig natuurrecht', want `het is een onomstotelijke waarheid, dat de kinderen niet toebehoren aan de Staat, maar aan de ouders.'

Tweede strijdpunt was het kiesrecht. Massale betogingen ten spijt, kreeg de nog jonge SDAP de invoering van het algemeen kiesrecht voorlopig niet voor elkaar. Zelfs de Kleine Luyden van Abraham Kuyper zagen daarin een verwerpelijke vorm van volkssoevereiniteit. Een derde majeure worsteling - de `sociale kwestie' - leidde tot de invoering van de Woningwet, de Gezondheidswet, de Ongevallenwet en de Kinderwetten, voorzichtige maar onomkeerbare stappen naar de sociale verzorgingsstaat.

In die jaren kreeg het partijenstelsel de overhand. Daarvóór hadden er alleen kiesverenigingen bestaan die niets anders deden dan per kiesdistrict een notabele naar voren schuiven. Na de verkiezingen bemoeide niemand zich meer met de Kamerleden, want de heren handelden zonder last of ruggenspraak. Maar in 1899 werd het toneel beheerst door vertegenwoordigers van volksbewegingen, voorlopers van de zuilen, die hun levensbeschouwing als heilig ideaal verdedigden en hun plaats onder de Oranjezon met hand en tand bevochten. Voor het eerst was er, zoals de historicus Henk te Velde het noemt in de recente bundel Land van kleine gebaren, sprake van een `wederzijdse doordringing van staat en maatschappij'.

Fractievoorzitter van de PvdA Ad Melkert klaagde woensdag tijdens de algemene beschouwingen over de huidige politieke gelatenheid. De doordringing van staat en maatschappij is zover doorgevoerd dat de politiek irrelevant lijkt te zijn geworden. Niet-gouvernementele organisaties, media, universiteiten, belangengroepen leveren alle hun bijdrage. `Dat is een groot goed', zei Melkert, maar `voor mij blijft voorop staan dat de politiek de unieke functie vervult van de integrale belangenafweging'.

Voor zover daar op nationale schaal nog ruimte voor is, maken alle partijen nu blijkbaar in grote lijnen dezelfde `integrale belangenafweging', zodat ze allemaal op elkaar zijn gaan lijken en geen enkele bevolkingsgroep zich specifiek vertegenwoordigd of in haar belangen gediend weet. Ja, het CDA verdedigt de varkensboeren, maar wat is verder het bestaansrecht nog van die partij? Van de PvdA is volgens minister Jan Pronk alleen nog maar een kiesvereniging over. `Volle zalen, die heb je niet meer'. Hij is jaloers op GroenLinks, alsof die wel volle zalen heeft en meer dan gradueel verschilt van de PvdA of D66. De VVD is een gezellige bierclub. Het partijenstelsel lijkt kortom na honderd jaar ten einde. Er zijn wel verschillen, maar geen tegenstellingen. Daar zit ook niemand op te wachten.

Volgens mij vertoont het huidige parlement minder gelijkenis met dat van 1899 dan met het gezapige gezelschap dat daar, nog een halve eeuw eerder, aan vooraf ging: een sociëteit van een kleine, netwerkende bovenlaag. Toen was het de in de gegoede burgerij verankerde elite, die een beschaafd herengesprek voerde, nu een min of meer intellectuele, ambtelijke en bureaucratisch georiënteerde elite. Geen afspiegeling van het kiezersvolk, maar een beraad van `de besten en bekwaamsten' zoals de conservatieven tijdens Willem II bepleitten. Het parlement als volksvertegenwoordiging lijkt terug bij af.

Wie deze week het politieke debat volgde, waande zich niet in de tijd van Couperus en Majesteits grootmoeder, maar in die van Bilderdijk en Beatrix' bet-overgrootvader.

    • Elsbeth Etty