Groene stijlkamers

2000, het Jaar van de Tuinen. Ruimte suggereren, werken met licht, oog hebben voor de omgeving, en pas dan kiezen voor oranje-rode borders in plaats van weke tinten of voor brandnetels in decoratieve potten. Wie serieus werk wil maken van de 'buitenkamer' neemt een tuinarchitect. Of een tuinanarchist die geniet van het vraatpatroon van slakken.

Hij wilde boswachter worden. Of beeldend kunstenaar. Hij werd, achteraf tot zijn tevredenheid, tuin- en landschapsarchitect.

Jhon van Veelen (47): 'Dit vak verenigt de liefde voor de natuur van de boswachter met het artistieke van de beeldend kunstenaar.' Tuin- en landschapsarchitectuur, zo stelt hij met nadruk, is een vorm van toegepaste kunst. 'Een tuinarchitect moet beeldend kunnen denken, ruimtelijk inzicht hebben en de elementen in een tuin zo kunnen arrangeren dat er een oorspronkelijk geheel ontstaat. Wij zijn er in getraind om van elke tuin de speciale eigenschappen te ontdekken en daarmee rust en schoonheid te creëren. Zodat de eigenaar van de tuin het gevoel krijgt: deze tuin is van mij, hier voel ik me thuis.'

Een tuinarchitect moet wel iets van planten weten, zegt Van Veelen, maar het is niet de hoofdzaak. 'Een architect weet ook wat van baksteen en beton, maar het gaat om de vorm, de meerwaarde.' Daarom ergert hij zich aan al die tuinprogramma's op de televisie die de kijker de indruk geven dat je binnen een uur een tuin kunt maken. 'Je gaat naar een tuincentrum, koopt flink wat planten, zet ze in de grond en dan is het klaar. Zo kun je elke tuin in no time omtoveren in een Westfriese Flora. Maar je ontkent dan waar het in een tuin om gaat: het beleven van de natuur, het gestage proces van veranderingen binnen een afgewogen vormgeving.' Het is het verschil tussen een Appel aan de muur of een zigeunerinnetje, vindt Van Veelen. Tussen de tuin van Bijhouwer bij het Kroller-Muller Museum of een willekeurige voorbeeldtuin. Want die voorbeeldtuinen, die jaarlijks drommen bezoekers trekken, zijn in zijn ogen toonkamers van planten en anders niet. De stapels 'groenboeken' waarmee tuinierend Nederland wordt overladen, zijn van hetzelfde laken een pak: 'Het draait meestal puur om de plantjes.'

Bij het ontwerp en de aanleg van zijn eigen tuin duurde het vier jaar voor hij aan de borderbeplanting toekwam. Eerst moest de structuur worden bedacht. Van Veelen: 'Om in huis-termen te spreken: het plaatsen van de wanden en deuren, het kiezen van de vloerbedekking. Dan komen de details, het meubilair, de decoratie. In de tuin zijn dat de bloemen in de border. Als je daarmee begint, wordt het nooit wat.'

Wie een nieuw huis heeft en serieus werk wil maken van de 'buitenkamer' - of dat nu een bestaande tuin is of een kale vlakte - moet volgens Van Veelen eerst de tijd nemen: 'Kijken waar de zon vandaan komt, waar het tocht. Je afvragen op welke plek je je prettig voelt, wat je mooi vindt en wat lelijk. Of je een ochtend- of avondmens bent en hoe je de tuin wilt gebruiken. Pas dan wordt het tijd om een tuinarchitect in de arm te nemen.'

Maar meestal gebeurt dat niet. Van Veelen: 'In Nederland bestaat geen buitencultuur. Mensen besteden tonnen aan hun woning, de tuin is een sluitpost. Maar als je een goede tuin om een huis laat ontwerpen, zal dat het huis misschien wel twintig procent meer waard maken. Dat beseft men niet.'

Met lede ogen ziet hij aan hoe in de nieuwe Vinex-wijken, zodra de woningen zijn opgeleverd, de tuincentra en hoveniersbedrijven zich aandienen. Het lijkt zo handig: die bedrijven zorgen zowel voor het ontwerp als voor de aanleg van een tuin. Maar het zijn wel ontwerpen van dertien in een dozijn. Confectietuinen die zijn af-gestemd op het plantenassortiment van het bedrijf. Een tuinarchitect hoeft met zo'n assortiment geen rekening te houden. Sterker nog: hij m g het niet: 'Een tuinarchitect mag geen zakelijke band hebben met een hoveniersbedrijf. Dat is streng verboden. Hij moet onafhankelijk zijn. Hij is de adviseur van de opdrachtgever en geen projectontwikkelaar. Als het goed is, vraagt een tuinarchitect voor de uitvoering van een ontwerp offertes aan bij drie hoveniers en de opdrachtgever kan dan zelf kiezen.'

Jhon van Veelen is sinds vorig jaar voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Tuin- en Landschapsarchitectuur (nvtl) die 700 leden heeft. Daarvan mogen er 514 de titel tuin- en landschapsarchitect voeren. Sinds 1988 is het een beschermde titel, net als die van architect.

Een tuin- en landschapsarchitect heeft in Wageningen gestudeerd of aan de Academie voor Bouwkunst in Amsterdam die hiervoor een avondopleiding heeft. Er is ook nog de hogeschool Larenstein in Velp, maar wie die voltooid heeft moet eerst tien jaar praktijkervaring opdoen en een staatsexamen afleggen voor hij de titel mag voeren. Wie geen van deze opleidingen heeft gevolgd mag zich geen tuin- en landschapsarchitect noemen, maar bijvoorbeeld wel tuinontwerper.

Van Veelen legt uit dat geen onderscheid wordt gemaakt tussen tuinarchitecten en landschapsarchitecten. Er is maar één titel. Hij schat dat zo'n 70 procent van zijn vakgenoten gespecialiseerd is in landschapsarchitectuur. Slechts 30 procent is gericht op kleinscha-lige projecten als parkjes, bedrijfs- en priv‚-tuinen. Door de concurrentie van hoveniersbedrijven kunnen maar weinig tuin- en landschapsarchitecten leven van alleen het ontwerpen van priv‚-tuinen.

Zelf ontwerpt Van Veelen nog maar heel incidenteel een tuin. Hij is adjunct-directeur van een adviesbureau voor ruimtelijke ordening dat zich vooral bezighoudt met grote ingrepen in het landschap zoals snelwegen, nieuwbouwwijken en waterlopen. Toch ziet hij de tuinarchitectuur als het belangrijkste onderdeel van zijn vak: 'Eigenlijk moet elke landschapsarchitect af en toe een tuin ontwerpen, anders verliest hij het gevoel voor de menselijke maat. Het is de basis van ons vak. Daarom heeft de nvtl het jaar 2000 uitgeroepen tot het Jaar van de Tuinen. We gaan al onze activiteiten volgend jaar richten op de tuinarchitectuur.'

Een 'natuurlijk stukje'

Ank Bleeker (54) verontschuldigt zich voor haar tuin. Ze ontvangt me in haar buitenhuis aan de oever van het meer De Fluessen in Friesland. Aan de ene kant golft het water, aan de andere kant liggen tot aan de horizon weilanden. Het gras van de weilanden loopt door in de tuin. Er is een terras met drie bloempotten. Daarnaast staat een jonge struikwilg die voor beschutting moet zorgen. 'Je kunt dit nauwelijks een tuin noemen', zegt ze. 'Ik heb er weinig aan gedaan omdat de omgeving zo mooi is. En het klimaat is hier meedogenloos, er staat vaak een harde wind. Ik wil nog wel een paar bomen planten, want bomen om huizen horen bij dit landschap.' Ze vertelt dat de tuin bij haar huis in Bennekom een mooie border op het zuiden heeft, een vijver en dwarsgeplaatste beukenhagen die compartimenten vormen waarin fluitekruid, hosta's en dahlia's groeien.

Ank Bleeker wilde als tiener medicijnen studeren, maar omdat ze gymnasium alfa had kon dat niet en koos ze voor de Universiteit in Wageningen. Als kind hield ze al van tuinieren: 'We hadden een tuinman die elk voorjaar eenjarigen plantte die hij er in het najaar weer uitrukte. Ik kon dat niet aanzien en toen mijn ouders een keer met vakantie waren, heb ik de hele achtertuin omgespit en er van alles ingezaaid.'

Na haar studie richtte ze een bureau voor tuin- en landschaps-architectuur op, ze doceerde ontwerpleer in Wageningen en sinds 1993 werkt ze als zelfstandig adviseur. Ze is betrokken bij verschillende stadsvernieuwingen en parkrenovaties, ze ontwierp net een grote tuin bij een nieuwe buitenplaats in Drenthe en ze werkt ook aan kleinere tuinen.

'Toen ik werd opgeleid, in de jaren zestig, werd door de meeste tuinarchitecten nog voortgeborduurd op de romantische Engelse landschapsstijl. Wij leerden functioneler te denken, meer in de trant van het strakke modernisme.' Ze was nooit bang voor rechte lijnen en bij de aanleg van nieuwe wijken probeerde ze altijd doorzichten te creëren, suggesties van ruimte. 'Ik zette me af tegen het beslotene, de hofjes, het buurtgevoel. Dat woekert nog steeds en ik strijd er ook nog altijd tegen - het enige verschil is dat er nu beter naar me wordt geluisterd omdat ik grijs haar heb.'

Bleeker ontwierp zo'n veertig priv‚-tuinen. Ze vindt het jammer dat in nieuwe wijken veel opdrachten naar hoveniersbedrijven gaan. 'Mensen die voor het eerst een tuin hebben, willen daar vaak alles in - een speelplek voor de kinderen, een terras, gras, een vijver, bomen, zon en schaduw, een bloemperk en een ''natuurlijk stukje''. Een hovenier zal al gauw aan al die wensen tegemoetkomen en je ziet dan tuinen vol met alle mogelijke hoekjes en materialen en met honderd soorten hekjes en schuttingen. Mijn reactie is: het kan niet allemaal. Ik houd rekening met de omgeving, de grondsoort. Als iemand me zou vragen om hier in Friesland een heidetuin aan te leggen, zou ik dat weigeren. En ik zou ook geen blauwspar zetten waar die misplaatst is. Ik plant niks wat ten dode is opgeschreven. Ik heb respect voor de natuur.'

Ze beschrijft hoe ze bij het ontwerpen van een tuin te werk gaat: 'Ik praat met de opdrachtgever over zijn wensen, maak een tekening van de bestaande situatie en een schetsontwerp voor de nieuwe tuin. Dan gaan we weer praten en zo nodig stel ik wat bij of ik begin opnieuw. Daarna begint het detailleren, ik maak een beplantingsplan en er wordt nog eens gepraat. Vervolgens worden er offertes gevraagd bij hoveniers en dan moet ik nog toezicht houden op de uitvoering. Voor een gemiddelde tuin ben je aan tijd al snel tienduizend gulden kwijt, maar dat vraag ik niet. Ik geneer me vaak als ik de rekening indien, ik durf al gauw niet meer dan 2.500 gulden te vragen, of het moet een kapitaalkrachtige opdrachtgever zijn, maar die heb ik niet vaak. Ik word ook wel door tuinliefhebbers in-gehuurd om alleen de grove structuur te bedenken. Dat is leuk en dat hoeft niet zoveel tijd te kosten.'

Ze vindt het niet erg als een tuineigenaar later iets aan haar ontwerp wijzigt: 'Een tuinarchitect moet er tegen kunnen dat hij niet alles in de hand heeft, een tuin groeit en kan ook makkelijk worden veranderd. Architecten die boos worden als ergens iets wordt aan-gebouwd, of Bonnema die zegt dat zijn bejaardenhuis in Emmel-oord niet gesloopt mag worden hoewel het niet meer voldoet, dat vinden wij arrogant.'

De tuinrage die de laatste jaren in Nederland woedt, heeft volgens Bleeker niet alleen met de welvaart te maken maar ook met de overbevolking en het aangelegde karakter van ons land. Juist omdat de mensen hier dicht op elkaar wonen en alles zo aangeharkt is, vindt ze de belangstelling voor de natuur wel logisch. Vaak gaat die belangstelling vooral uit naar bijzondere planten en weelderige borders. Ook voor Bleeker is dat geen hoofdzaak bij het tuinontwerpen: 'Het gaat mij meer om de ruimtelijke creatie, de structuur, het verband met de omgeving. Als mij gevraagd wordt een mooie border te maken, dan kom ik daar wel uit, maar ik heb geen fabuleuze plantenkennis. Ik heb een paar keer tuinen ontworpen voor mensen die meer wisten van planten dan ik, zodat ik de borders aan hen kon overlaten. Er zijn overigens ook prachtige tuinen zonder bloemborders. De tuinarchitect Pieter Buys uit Vught heeft een tuin met alleen wat bloemen in potten. Als mensen weinig aan hun tuin willen doen - al die tweeverdieners - laat ik de borders weg en kies ik voor gras, hagen, bomen en bodembedekkers.'

Krabbescheer en kikkerbeet

Henk Gerritsen (50) kreeg tweemaal een brief van de nvtl met een waarschuwing dat hij zich geen tuin- en landschapsarchitect mocht noemen. Voor Gerritsen was het geen probleem: 'Ik noem mij tuinontwerper.' In de ogen van sommige tuinarchitecten is hij een typische 'plantjesman'. Daarover haalt hij zijn schouders op. 'Ik weet veel van planten, maar ook van vormgeving. Vaak hebben tuin-architecten juist te weinig plantenkennis. Dat zie je aan al die ontwerpen met veel beton en glas waar nauwelijks nog een plant aan te pas komt.'

Gerritsen geldt als een expert in het 'natuurlijk tuinieren'. In het Overijsselse dorpje Schuinesloot legde hij in de jaren tachtig met zijn vriend Anton Schlepers de Priona-tuinen aan, die 's zomers voor het publiek zijn opengesteld. Kunstmest en bestrijdingsmiddelen zijn hier taboe. 'Ik bestrijd niks', zegt hij. 'Ik stoor me niet aan luizen, slakken of muizen. Bij natuurlijk tuinieren moet je leren dat misgaan niet misgaan is: genieten van het vraatpatroon van slakken. En er zijn ook mooie rupsen die van de planten eten.'

De Priona-tuinen zijn misschien wel de meest onconventionele tuinen van Nederland. Ze demonstreren Gerritsens afkeer van 'die gelikte tuinen zoals je ze bij nieuwe villa's ziet'. 'Zo'n tuin met een gazon en borders en conifeertjes. Etalages van: kijk eens hoe netjes ik ben.'

Al zijn ze goed onderhouden, de Priona-tuinen zijn alles behalve 'netjes'. De vlindertuin, de groentetuin waarin alle groenten mogen doorschieten en tot bloei komen, de papavertuin, de 'All American garden' met wilde, Noord-Amerikaanse planten, de watertuin, maar ook de gazons en de in vormen geschoren hagen die als beelden staan gegroepeerd - alles maakt een overweldigende indruk. Gerritsen laat hop welig tieren tussen bomen en struiken, een stuk bos mag verwilderen tot het eiken-hulstbos dat hier in de oertijd groeide, balsemien kreeg de status van borderplant en een grote brandnetel staat subtiel te pronken in een Spaanse pot.

Gerritsen: 'Als hij niet zou prikken en uit China kwam, zou de brandnetel een heel gewilde plant zijn.' Terwijl we langs de vijver lopen, vertelt hij hoe die 'langzaam verandert in trilveen met krabbescheer en kikkerbeet.' Dat wil zeggen, verduidelijkt hij, dat de vijverbeplanting bezig is een mat op het water te vormen.

Niet alle bezoekers zijn even ontvankelijk voor de schoonheid van de Priona-tuinen. 'Sommige mensen begrijpen er niets van. Ze hollen over de paden, worden kwaad en gaan schreeuwen. Ze vinden het een puinhoop, roepen: dat staat bij mij in het weiland ook, dat is onkruid.'

Henk Gerritsen ging zich voor planten interesseren toen hij veertien was en voor school een herbarium moest maken. Hij begon wilde planten te verzamelen en werd lid van een plantensociologische werkgroep van de Nederlandse Jeugd Natuurbond. 'We bestudeerden welke planten samen groeien in kwelder, bos of weiland.

Ik leerde rijtjes plantennamen, ik zag die planten voor me en in mijn verbeelding zette ik ze bij mekaar. In gedachten was ik dus al aan het tuinieren.'

Na een paar afgebroken studies werd hij beeldend kunstenaar. Een jaar lang schilderde hij zijn achtertuintje in de Amsterdamse Pijp. Dit werk exposeerde hij in 1977 in de Prinsenkamer, de galerie van de Amsterdamse tuinarchitect Arend Jan van der Horst. Door Van der Horst, die toen op het bureau van Mien Ruys werkte, kwam Gerritsen in aanraking met de tuinarchitectuur. Hij maakte vogelvluchttekeningen van tuinen die Van der Horst had ontworpen en te hooi en te gras kreeg hij ook zelf de opdracht voor een ontwerp.

Begin jaren tachtig begon hij met het in cultuur brengen van het braakliggende terrein bij het huis in Schuinesloot waar toen nog de moeder van zijn vriend woonde. Eerst werkten ze er alleen in de weekeinden, maar in 1983 veranderde alles: 'Anton en ik zagen de eerste tv-uitzending over aids. We raakten in paniek, dachten: we trekken ons terug uit Amsterdam en we gaan nooit meer vreemd. We wilden het niet weten, maar angst was de drijfveer om het hier in Schuinesloot serieus te gaan aanpakken. Op deze anderhalve hectare maakten we ons eigen paradijsje. Maar Anton werd steeds

banger. In 1991 werd hij ineens dement. Ik kreeg huiduitslag. Toen konden we er niet meer omheen.'

Anton Schlepers overleed in 1993. Gerritsen vertelt dat hij zelf nog niet ziek is geworden. 'Ik neem mijn pillen en probeer er niet aan te denken.'

De laatste tien jaar ontwierp hij ongeveer honderd tuinen, vaak voor mensen die de Priona-tuinen hadden gezien. 'Het liefst verander ik een bestaande tuin waar al van alles in staat. Ik ontwerp altijd vanuit het huis, omdat het vaak regent en het uitzicht uit het huis cruciaal is. Ik probeer het landschap erbij te betrekken en een vanzelfsprekende, rustige vorm te vinden zodat het niet te kunstmatig wordt.'

Samen met de tuinontwerpers Michael King en Piet Oudolf publiceerde hij in 1997 het boek Nieuwe bloemen, nieuwe tuinen. Een nieuwe beweging in de tuinarchitectuur. Op mijn vraag wat die 'nieuwe beweging' inhoudt, vertelt hij hoe zo'n vijftien jaar geleden ontwerpers als Ton ter Linden, Oudolf en hijzelf een grotere vrijheid in het aanleggen van tuinen introduceerden. 'Oudolf en ook de kweker Coen Jansen vulden met een nieuw plantenassortiment het gat op tussen de conventionele tuinplanten en heemplanten die in een tuin vaak niet voldoen. Ze ontwikkelden sterke soorten die een beetje verwildering aankunnen. De ouderwetse, stijve borders vervingen wij door vrijere composities. In het buitenland werd het tot een beweging uitgeroepen. In Frankrijk zijn we een begrip. Eigenlijk zijn we een stelletje tuinanarchisten. Maar de beweging is gestokt - in Nederland is wel een tuinrage ontstaan, maar die is vercommercialiseerd. Met natuurlijk tuinieren heeft het weinig meer te maken.'

Hij vertelt over het deze maand verschenen boek Meer droomplanten, dat hij met Piet Oudolf schreef. 'We wilden het boek Wild van planten noemen, met als ondertitel Betrouwbare planten voor de natuurlijke tuin. Maar wild en natuurlijk mocht van de uitgeverij niet in de titel. Kennelijk verkoopt dat niet.'

Anti-pot

Op de dag dat ik hem bezoek in het Zeeuwse Baarsdorp heeft Arend Jan van der Horst net een oranje-rode border ontworpen voor een tuin in Wassenaar. 'Ja, oranje-rood', zegt hij. 'Ik ben uitgekeken op de weke tinten die de laatste jaren en vogue waren voor de bloemenborder. Ik denk dat we teruggaan naar warme kleuren. Ik laat me nu inspireren door Indiase zijde; daarin zie je glanzend gifgroen contrasteren met blauw, en rood met oranje.'

Arend Jan van der Horst (56) heeft de afgelopen dertig jaar duizenden tuinen ontworpen, van grote bedrijfstuinen tot besloten stadstuintjes. Hij publiceerde 26 boeken over tuinarchitectuur. Hij richtte de Nederlandse Tuinenstichting op - die streeft naar het behoud van waardevolle tuinen - en ook de Stichting Amsterdamse Grachtentuinen.

Voordat hij een eigen bureau voor tuin- en landschapsarchitectuur begon, werkte Van der Horst vijftien jaar bij Mien Ruys, de Grande Dame van de Nederlandse tuinarchitectuur die begin dit jaar overleed. Hij onderging niet alleen de invloed van de strakke, modernistische ontwerpen die kenmerkend waren voor Mien Ruys, maar hij verdiepte zich ook in historische tuinen, zoals de traditionele Italiaanse tuin die door hagen in 'kamers' is verdeeld, de Moorse tuinen van het Alhambra, de Engelse tuinen met hun zwierige borders en de ingetogen Oosterse tuinen. Alleen de formele Franse tuin staat hem tegen: die straalt hem te veel heerszucht uit.

Op mijn vraag wat het meest karakteristiek is voor zijn tuin-

ontwerpen, noemt Van der Horst als eerste een strak symmetrische aanleg met weelderige beplanting. Maar hij ontwierp ook semi-natuurlijke tuinen met ronde lijnen en een wildere beplanting.

En Japanse tuinen: 'Ik ben gefascineerd door het sobere van de Japanse tuin. Die tuinen hebben mij geleerd om alleen met groen

te werken en niet meteen naar kleuren, bloemen te grijpen. Een Japanse tuin moet er natuurlijk uitzien, niet te bedacht, maar wel verzorgd en met een goede compositie. De laatste tijd wordt me weer vaak gevraagd een Japanse tuin te ontwerpen, vooral bij nieuwbouw. Dat heeft met het terugkerende minimalisme te maken - veel jonge mensen willen geen bloemen meer, dat vinden ze tuttig.'

Volgens Van der Horst moet elke tuinarchitect een stuk grond hebben om te kunnen experimenteren. Toen hij nog in Amsterdam woonde, deed hij dat in zijn volkstuin. In 1994 verhuisde hij naar de Hofstede Heuvelhof in Baarsdorp en sinds 1997 is hier ook zijn bureau voor tuinarchitectuur gevestigd. Heuvelhof is een 16-de eeuwse boerderij omringd door tweeëneenhalve hectare grond. In de Middeleeuwen stond hier in de verlatenheid van het Zeeuwse land een klooster met een Mariabron waar van heinde en verre bedevaartgangers naartoe kwamen om genezing te vinden. Volgens een legende zou het water zijn wondere werking danken aan een Mariabeeldje dat ooit uit de hemel in de bron was gevallen. De bezoekers die nu naar het afgelegen Baarsdorp reizen, komen voor de tuinen van Arend Jan van der Horst.

In zijn laatste boek, Villatuinen, schrijft hij dat een tuinarchitect in zijn ontwerpen rust moet nastreven. Maar voor een 'boeiende tuin' zijn ook verrassingen onontbeerlijk: 'doorkijkjes, hoogteverschillen en sfeerwisselingen'. In zijn Baarsdorpse tuinen zijn beide uitgangspunten terug te vinden. Van der Horst schiep een schitterende aaneenschakeling van bijzondere tuinen, afgewisseld door stukken weiland met daaromheen lange notenlanen.

Een stenen trap, waarvan de treden zijn afgebiesd met buxushaagjes, voert naar een Middeleeuwse tuin vol symbolische bloemen. Middeleeuws is ook het Mariabankje van opeengestapelde gras-zoden dat hier in een prieel van leilinden staat. Er is een geel-witte boerinnetuin, een 17 meter lange vijver met aan weerszijden giftige planten, een labyrint van beukenhagen waarin allerlei kleuren-

tuinen opdoemen en een 'knopentuin' waarin lage heggetjes sier-lijke knopen vormen volgens een patroon van de 17de-eeuwse Nederlandse hovenier Jan van der Groen.

De tuinen van Van der Horst zijn van een geacheveerde bekoorlijkheid, een deftige nonchalance die wel wat onkruid verdraagt. Zijn tuinen kennen weinig taboes, al verklaart Van der Horst dat hij 'anti-pot' is: 'Al die potten met bloemen zijn mij veel te decoratief en Nederland is toch al over-decorated. Hij heeft ook een hekel aan rozentuinen en rozenhofjes: 'Omdat het de roos isoleert en er een stijf, opgeprikt ding van maakt. Ik meng rozen altijd met andere planten.'

Hoewel Van der Horst 'heel goed tuinen kan ontwerpen waar geen bloem aan te pas komt', heeft hij toch meer belangstelling gekregen voor bloeiende planten: 'De tuinarchitectuur was een beetje van die basis vervreemd en te veel gericht op vorm en structuur.' Hij heeft niets tegen tuinontwerpers die gespecialiseerd zijn in planten en borders. 'Maar een kunstenaar die alleen bloemetjes kan schilderen en geen landschap, is in mijn ogen geen kunstenaar.'

Toen hij jong was, wilde hij schilder worden, maar dat leek hem toch een te solitair beroep. Tuinen, zegt hij, zijn ook schilderijen. 'Je creëert ze met lanen, met licht, bloemen en ruimtes. Maar je kunt er in wandelen en er is groei. Je moet rekening houden met komende jaren, zorgen dat een tuin dan ook nog mooi is. Dat is het moeilijkste.'