Gemankeerde helden

Dertig jaar Doonesbury. Elke ochtend lachen de lezers van meer dan 1400 Amerikaanse kranten om vier kleine stripplaatjes. Dertig jaar geleden schiep de Yale-student Garry Trudeau de helden van Doonesbury. Ze groeiden mee met Amerika. En zijn het levende bewijs dat de Amerikaanse humor minder platvloers is dan doorgaans wordt aangenomen.

Met de vette lach zit het altijd wel goed in Amerika. Hollywood verdient er miljarden mee, geen buurtbarbecue kan er buiten, en in alle sociale lagen is hartelijk geschater de beste manier om het ijs te breken. Ook de besmuikte gniffel floreert. Let maar eens op de olijke terzijdes in Amerikaanse televisieprogramma's, of op de spitse grapjes die in geen politieke toespraak meer mogen ontbreken. Applaus is mooi, maar gelach is beter.

Amerika lacht graag en veel - om slapstick, om oneliners, om beroemde humoristen die zelf dubbel liggen om hun eigen vondsten. Dankzij de televisie is het gebulder over de hele wereld te horen. Maar hoe staat het met complexere vormen van humor? Houden Amerikanen wel van galgenhumor, van melancholieke grappen of van ironie en zelfspot - lachen Amerikanen wel genoeg om zichzelf?

Misschien kan alleen een ernstige buitenlander die zich ten doel heeft gesteld het land te begrijpen, zich druk maken over zulke vragen. De antwoorden liggen op straat, het kan alleen even duren voor je dat ziet.

Amerika is een land van uitroeptekens en grote woorden, van emoties op megafoonsterkte en amusement als industrie. Zelfs als je er al een paar jaar woont is het moeilijk om je zo nu en dan af te sluiten voor de alledaagse luidruchtigheid, in de cultuur, in de media, in de humor. Want leuk vraagt om leuker, hard vraagt om harder en alles moet sneller en meer dan de vorige keer. Met gevoel voor understatement bouw je geen wolkenkrabbers, met stille ironie maak je niet de meest winstgevende film aller tijden.

En toch blijkt iedere ochtend weer hoeveel Amerika van onderkoelde grappen en ingenieuze humor houdt. Voor miljoenen Amerikanen gaat er geen dag voorbij zonder Doonesbury, de satirische strip die politici het bloed onder de nagels vandaan haalt, complete bedrijfstakken op stang jaagt en lezers inspireert tot diepe ontroering en grote verontwaardiging. De strip is - al bijna dertig jaar lang - een compacte kroniek van de tijdgeest in Amerika. En vaak leveren de kleine getekende verhaaltjes ook nog een scherp politiek commentaar waarin niets of niemand wordt ontzien. Maar de toon is zelden opgewonden, het tempo is veelal traag en alleen bij uitzondering is de punch line een knock-out.

Zwevende wafel

De schepper van Doonesbury is Garry Trudeau (geboren in 1948), die in 1970, toen hij nog studeerde aan Yale, de eerste afleveringen publiceerde. Sindsdien is de strip, die dagelijks verschijnt in meer dan 1.400 Amerikaanse kranten waaronder de International Herald Tribune, een massaal politiek en cultureel fenomeen geworden. Het kost weinig moeite om Amerikanen te vinden die al twintig jaar of langer trouwe lezers zijn, en grif toegeven dat ze hun favoriete personages beter kennen dan sommige van hun eigen familieleden. Want Amerika mag dol zijn op helden, het land kan ook verknocht raken aan het soort gemankeerde helden waar Doonesbury van wemelt.

Makkelijk toegankelijk is de strip niet. Soms bestaat één aflevering uit vier bijna identieke plaatjes: alleen een televisie op een aanrecht, soms zelfs en profile, waaruit een stem komt; of vier keer de fa‡ade van het Witte Huis, slechts verluchtigd met wat overvolle tekstregeltjes. Vaak is bij Trudeau de tekst nu eenmaal belangrijker dan het beeld, net als bij de tekeningen van Jules Feiffer, een van zijn grote voorbeelden.

Regelmatig figureren er ook nog hoogst eigenaardige personages in de mini-verhaaltjes: een ouderwetse, ronde bom bijvoorbeeld die met zijn sissende lont op ontploffen lijkt te staan; een warme, zwevende wafel die druipt van boter en stroop; een donzig veertje; en een wandelende sigaret. Wie voor het eerst op al deze pratende objecten stuit kan Doonesbury gemakkelijk aanzien voor één grote, onbegrijpelijke inside joke.

Maar dat is het niet. Het kost enige tijd om de wereld van Doonesbury te leren waarderen. Maar geduld wordt beloond. Niet voor niets won Trudeau als eerste politieke striptekenaar in 1975 de Pulitzer-prijs. Niet voor niets zei oud-president Ford eens dat er maar drie manieren zijn om er achter te komen wat er werkelijk in Washington speelt: de schrijvende media, de elektronische media en Doonesbury. En niet voor niets prijzen aids- en Alzheimerpatiënten de gevoelige en tegelijk humoristische manier waarop Trudeau personages met aids en Alzheimer in zijn strip opvoert.

Doonesbury drijft de spot met politici of andere beroemdheden, van president Clinton en Ken Starr tot O.J. Simpson, Frank Sinatra en Donald Trump. De twijfel over de verstandelijke vermogens van Ronald Reagan leidde eens tot een serie over een gedreven onderzoeksjournalist van een televisiestation, die een expeditie uitrustte naar 'de mysterieuze wereld van Reagans brein'. Het werd een gevaarlijke tocht door een oerwoud van dichtgeslibde aderen, duistere hersenkwabben en verkalkte zenuwbanen. Veel informatie leverde de zoekactie door het bejaarde presidentiële hoofd niet op, behalve wat honkbaluitslagen uit de jaren dertig.

Walmende wafel

Ook George Bush was een geliefd doelwit van Trudeau. Hij vond Bush zo nietszeggend dat hij hem steevast afbeeldde als een lege plek, alsof de president net in het niets was opgelost. Bush slaagde er niet in om zijn ergernis over de strip te verbergen. Meer dan eens liet hij zijn woede de vrije loop in tirades tegen Trudeau die regelrecht van een stripfiguur afkomstig leken. 'I wanted to go up and kick the hell out of him, frankly', zou hij eens gezegd hebben, en: 'Hij vertegenwoordigt een zootje Brie-proevende, Chardonnay-drinkende elitaire figuren'. Betere reclame dan de machteloze verontwaardiging van de president kon Trudeau zich niet wensen.

Vice-president Dan Quayle, volgens Trudeau alleen maar naar Washington gehaald zodat president Bush als een zwaargewicht bij hem zou afsteken, verscheen in Doonesbury altijd als een veertje. De stokebrand Newt Gingrich was de ouderwetse bom. En Clinton is de kleffe, walmende wafel, een beeld dat niet alleen verwijst naar de befaamde onstilbare eetlust van de president, maar dat ook zinspeelt op de onbetrouwbaarheid van zijn woorden - waffle betekent behalve wafel ook geklets.

Maar politici zijn niet het voornaamste onderwerp van Doonesbury. De echte hoofdrolspelers zijn de verzonnen personages, zoals de tobberige reclameschrijver en marketingman Mike Doonesbury, de ex-football-speler b.d., de radiopresentator Mark Slackmeyer, de onverbeterlijke nietsnut Zonker Harris en de juriste Joanie Caucus.

Lachwekkend en dierbaar

In de loop der jaren heeft Amerika hun twijfels en hun dromen leren kennen, hun alledaagse belevenissen op het werk en in de liefde meegemaakt, hun kinderen geboren zien worden en hun verdriet gedeeld als er een echtscheiding of een sterfgeval in de familie- of vriendenkring was. Zij waren al volkshelden toen nog vrijwel niemand buiten Arkansas ooit van Bill Clinton had gehoord. In deze ongewone stervelingen van drukinkt en papier, lachwekkend en dierbaar tegelijk, herkent Amerika zichzelf.

Neem Joanie Caucus, een keurige, serieuze vrouw die in de jaren zeventig het feminisme ontdekte en wegliep van haar man en kinderen om zichzelf te bevrijden. Ze kwam terecht bij de chaotische commune van halve en hele studenten waar de strip zich in de eerste jaren grotendeels afspeelde. Onzeker en verscheurd door schuldgevoelens bouwde ze een nieuw leven op, beginnend als peuterleidster bij een kinder - dagverblijf. 'Niet zo heel erg anders dan het dagelijkse gesloof van een moeder', mijmert ze somber op haar eerste werkdag. Tot ze met een triomfantelijke lach in het laatste plaatje van die dag beseft: 'Maar ik word ervoor betaald!' In een hoekje roept een van de peuters bijdehand: 'Hoeveel?'

Joanie ging rechten studeren, vond als linkse jurist werk op Capitol Hill en overwon langzamerhand haar minderwaardigheidscomplex. Ze begon zelfs een verhouding met een journalist van The Washington Post, een ontroerende en subtiel vertelde episode die uitmondde in een woordeloos plaatje van de twee geliefden die samen in bed wakker worden. Die dag, in 1976, weigerden dertig kranten de strip met dit aanstootgevende tafereel te plaatsen. Er was weliswaar nauwelijks bloot op te zien, maar het feit dat de twee niet getrouwd waren was destijds schokkend genoeg. In Boston demonstreerde een groepje studenten tegen de zelfcensuur van de kranten, met borden 'Joanie, we vergeven het je'.

Het is niet nodig om de complete persoonlijke achtergrond van de personages te kennen om de verhaaltjes waarin ze optreden leuk te vinden. Wel helpt het om hun karakters aan te voelen, want Trudeau maakt meestal geen grappen met een clou, maar situaties die grappig zijn dankzij de persoonlijke eigenaardigheden van de mensen die erin verzeild raken.

Radiopresentator Mark Slackmeyer was aanvankelijk de typisch linkse actievoerder, die als student tijdens de vakantie in de bouw ging werken om arbeiders politiek bewust te maken. Altijd had hij ruzie met zijn aartsconservatieve vader, zo'n beetje als in Vader en Zoon van Peter van Straaten. Die situatie kreeg een hele nieuwe dynamiek toen Mark een paar jaar geleden opeens ontdekte dat hij homo was, en toen zijn grote liefde - o ironie - een man bleek te zijn met dezelfde rechtse ideeën als zijn vader.

Deze zomer besloot het stel op een tropisch eiland in het huwelijk te treden, een wending in het Doonesbury-verhaal die sommige delen van Amerika voor het eerst met de neus op de kwestie van het homo huwelijk gedrukt moet hebben, en nog wel aan de hand van een oude bekende als Mark Slackmeyer. Na een lange reeks tegenslagen ontvluchten Mark en zijn vriend het eiland hals-over-kop, waarna de huwelijksplechtigheid tijdens de terugreis in het gangpad van het vliegtuig door een sympathiserende steward wordt voltrokken.

Doonesbury onderscheidt zich van de talloze andere strips die in Amerikaanse kranten verschijnen doordat de personages en het verhaal niet los staan van de geschiedenis. Actuele ontwikkelingen geven met enige regelmaat een dramatische wending aan de strip, die daarmee al snel een politieke en controversiële lading krijgt. Tijdens de Vietnamoorlog meldde B.D., zoals altijd met zijn football-helm op zijn hoofd, zich als vrijwilliger bij het leger (om zo onder een scriptie-opdracht uit te komen). Op een verkenningsmissie in het Vietnamese oerwoud sloot hij een onwaarschijnlijke vriendschap met een terrorist van de communistische Vietcong, een zekere Phred. 'Ik wist niet dat commies ook moeders hadden', realiseert B.D. zich als hij Phred wat beter leert kennen.

Dat Trudeau het waagde om de vijand een sympathiek of althans menselijk gezicht te geven, werd hem niet in dank afgenomen. Maar de cultuurhistoricus Gary Wills prees Trudeau later voor zijn 'werkelijk ongelooflijke prestatie: dat hij ons kon laten lachen over de Vietnamoorlog toen die het land verscheurde.' Zo'n twee decennia later reisde B.D. opnieuw af naar een oorlog (de snelheid waarmee de stripfiguren ouder worden varieert sterk), deze keer de Golfoorlog. Maandenlang speelde Doonesbury in de woestijn, waar de soldaten zich verveelden in de hitte en B.D. zijn jongere maten vermaakte met verhalen vol galgenhumor over Vietnam.

Een onvergetelijke aflevering verscheen kort nadat er in de Verenigde Staten grote ophef was ontstaan over een boek waarin beweerd werd dat Nancy Reagan en Frank Sinatra minnaars waren geweest. De ge allieerde troepen hadden juist hun mars naar Koeweit volbracht en B.D. bracht zijn maatje Ray twee plaatjes lang verslag uit over een vernietigende nachtelijke aanval op een kolonne Iraakse tanks. 'Het was fantastisch. Althans, voor even. Tot we van de genietroepen die terugkwamen hoorden over de duizenden lijken die ze met bulldozers aan het begraven waren. Duizenden, ik weet niet, daar werd ik wel misselijk van.'

Op het derde plaatje staren de twee militairen zwijgend voor zich uit, terwijl hun donkere profielen somber afsteken tegen de avondlucht. 'Zeg, heb je gehoord over Nancy Reagan en Sinatra?', vraagt B.D. in het laatste plaatje ten slotte, om de stilte te doorbreken. 'Ja', zegt de ander, in een achteloze erkenning dat de global village in het cnn-tijdperk echt helemaal geen grenzen meer kent, 'een van de vluchtelingen vertelde me erover.'

De grote en aanhoudende populariteit van een subtiele strip als Doonesbury laat zien dat de Amerikaanse cultuur minder beheerst wordt door een hang naar simplisme, luidruchtigheid en lichtverteerbaarheid dan vaak wordt gedacht. Een land dat deze strip waardeert heeft meer zelfspot dan op het eerste gezicht lijkt, en is ook niet wars van kritiek. Want waar Trudeau ook allemaal de spot mee drijft, hij zet vooral de Amerikaanse samenleving en haar bewoners - zijn lezers - te kijk.

Politieke idealen

Een aantal kranten onderkent de uitgesproken politieke strekking van Doonesbury en plaatst de strip daarom op de opiniepagina, en niet tussen de andere funnies (waar Trudeau liever staat, omdat daar meer lezers te vinden zijn). Want ook al is Doonesbury niet pro-Democratisch of pro-Republikeins, vaak spreken uit de korte verhaaltjes politieke idealen, de linkse idealen waar ooit de Democraten voor op de bres stonden.

In de jaren dat zowel Republikeinse als Democratische regeringen de sociale voorzieningen terugsnoeiden, gaf Trudeau in zijn strip een glansrol aan twee bejaarde daklozen - een geestelijk gestoorde man en zijn geduldige vrouw die in de openbare bibliotheek de geneugten van Internet ontdekken (complete boeken downloaden en uitprinten bijvoorbeeld, om daarmee de tochtige dozen waarin ze wonen beter te kunnen isoleren). Duke, de eeuwige bad guy van Doonesbury, profiteert van het politieke klimaat door een louche weeshuis op te richten (genaamd Nothin' but Orphans), om daarmee een sloot subsidie in de wacht te slepen.

Trudeau neemt in Doonesbury ook het grote bedrijfsleven op de hak. Kim, een jonge software-deskundige en de geliefde van Mike Doonesbury, voerde de afgelopen jaren vele afleveringen lang actie tegen de slechte arbeidsomstandigheden in de Aziatische fabrieken van sportschoenen gigant Nike. Een wandelende en pratende sigarettenpeuk, Mr. Butts, belichaamt het cynisme van de tabaksindustrie die jongeren probeert te paaien voor haar dodelijke product. En een mannetje in de vorm van een kogel - Mr. Dum-Dum - vertolkt de koppigheid van de Amerikaanse vuur- wapenindustrie, die zich hardnekkig teweerstelt tegen iedere beperking op de aanschaf van revolvers en geweren.

Volgend jaar bestaat Doonesbury dertig jaar. De strip heeft een reeks verzamelbundels opgeleverd, een website (www.doonesbury.com), een cd-rom met een archief van 9.000 afleveringen, en een modieuze verzameling T-shirts, koffiebekers, posters en wenskaarten. Want maatschappijkritiek laat zich in de jaren negentig niet alleen combineren met humor, maar ook met zakelijkheid en verantwoorde bedrijfsvoering. Daar hoort ook bij dat de winst uit de verkoop van Doonesbury-prullaria ten goede komt aan alfabetiseringsprogramma's voor arme kinderen.

De generatie die Doonesbury heeft ge - inspireerd, die van de babyboomers, stevent langzamerhand af op de pensioengerechtigde leeftijd. Of de volgende generatie genoeg in de strip herkent om er ook door gegrepen te worden valt nog niet te zeggen. Maar de personages die Doonesbury-land bevolken, dat land dat zo lijkt op Amerika maar toch net even anders is, hebben nog lang niet afgedaan. Ze bestaan al zo veel jaar in het nationale bewustzijn dat Amerika hen niet zomaar zou kunnen missen. En de buitenstaander die zijn best doet Amerika te doorgronden al helemaal niet.