GEBREK AAN VISIE 2

In antwoord op de ingezonden brief van dr. W. Derks (W&O, 18 september) het volgende. Ik ben alleen bang dat ik dr. Derks nog verder zal moeten teleurstellen. Ik ben het namelijk helemaal niet met hem eens dat `het wezenlijk probleem' voor aio's wordt gevormd door `het vrijwel totale gebrek aan perspectief voor jonge wetenschappers'. De universiteit, als een instelling van hoger onderwijs, bestaat bij de gratie van de gedachte dat de opleiding die zij verzorgt nuttig is voor een loopbaan buiten de instelling waar men de opleiding heeft genoten. Het uitgangspunt moet zijn dat aio's en postdocs geen (of slechts bij hoge uitzondering een) aansluitende aanstelling krijgen bij de instelling waar ze gepromoveerd zijn of hun postdoconderzoek hebben verricht. Die volgende aanstelling kan een aanstelling zijn bij een andere universitaire instelling in binnen- of buitenland, dan wel een aanstelling buiten het academisch bedrijf. Ik weiger in te zien waarom een baan bij overheid of bedrijfsleven een jonge doctor reduceert tot paria. Elke goede universiteit zal altijd veel meer onderzoekers opleiden dan nodig zijn om de vacatures bij de eigen instelling op te vullen.

In wezen een heel ander probleem wordt gevormd door de zeer onevenwichtige leeftijdsopbouw van de universitaire docenten. Iedereen weet dat over enkele jaren de grote uitstroom van universitair personeel zal beginnen. Het is van het grootste belang dat er dan niet alleen pas gepromoveerden beschikbaar zullen zijn voor de (hopelijk) vele vacatures, maar ook oudere docenten met een ruime ervaring op het terrein van onderzoek en onderwijs. Persoonlijk zou ik arbeidservaring bij een buitenlandse universiteit of buiten de universiteit een pre vinden bij de selectie van kandidaten. Mijn klacht over het opheffen van het SIR-programma is dan ook ingegeven door de angst dat het de buitenlandse ervaring van aio's en postdocs zal beperken en daarmee de animo om ook buiten Nederland hun geluk te beproeven.