Familieportret met boek en matrozenpak

De familie van moeders kant speelde met verve de rol van aristo- craten van de moderne tijd. Zijn vaders verwanten waren ambachts- lieden. Binnen de eigen zuil leidde men een dubbel- leven dat het moeizame bestaan van alledag in een ander, hoger licht zette. Portret de voorvaderen van Geert Mak, een familie op de rand van een nieuwe eeuw.

Van haar vele merkwaardige eigenschappen wist mijn moeder er één tot haar dood toe verborgen te houden: ze was een fervent bewaarster van prentbriefkaarten. Als iemand haar een groet of gelukwens stuurde, een tekening van een hertje bij een kerk of een foto van de Boschweg te Nunspeet, dan bleef ze die kaart koesteren als de afzender zelf, met de Friese standvastigheid die haar eigen was. Dozen vol vonden we na haar overlijden, alle kaarten, nooit had ze er één kunnen weggooien. En nu liggen ze om me heen.

Sommige kaarten dateren al uit haar kinderjaren – `Je hebt netjes geschreven, hoor, ik kan wel zien dat je al groot begint te worden' (1909) –, op andere brengen stoomtreinen grote manden bloemen en rijden gezelschappen in prehistorische automobielen de jarige lachend tegemoet. Op een kaart heeft een aanbidder - een zekere Bertus - zijn knip- en plaklust botgevierd, en al meer dan tachtig jaar springt een boeket rode rozen uit het opengevouwen karton. Weer andere kaarten laten bijzondere gebeurtenissen zien: `Marken, De Groote Watersnood van 1916, Omgeslagen visscherswoningen,' `Engelsche Kruiser, gestrand te Camperduin', `Groeten uit Harskamp, Wachtparade'. Maar de meeste kaarten tonen niets anders dan het kalme, rustige Nederland zelf: de hoek op het Raadhuisplein te Bodegraven, de dorpsstraat van Lunteren, de nieuwe – Hollands Glorie! – brug over het Hollands Diep, prinses Juliana aan haar speeltafel.

Het is een onbekend land dat ik zie. Het Nederland zoals we dat nu kennen moest nog helemaal vorm krijgen. De Kolenhaven met spoorbrug te Weert, maar het schip op de voorgrond heeft enkel een zeil, en op de kade zie je de schippersfamilie zwoegen met kruiwagens. Op de Zijlweg te Overveen nadert een eerste auto, en op het trottoir kijkt een dienstbode als verstijfd toe.

Wie goed naar de kaarten luistert, hoort de voetstappen van de passanten op de brug van Goedereede, het suizen van de wind in een zeil bij Hoek van Holland, het piepen van lijn 3 op de Haagse Bezuidenhoutseweg. En door die geluiden klinken stemmen, honderden stemmen die me vanaf de achterzijde toespreken, vaak in een enkele zin, honderden telefoontjes uit de tijd dat er nog nauwelijks telefoon was, een kakofonie van ooit uiterst nuttige mededelingen.

`Er was te weinig saus, maar verder was het eten heerlijk.'

`Morgen, zaterdag, naar Rijperkerk, lijkt me zo leuk!'

`Heel prettige dagen. De pensionprijs (ƒ6.- per dag) is alleen stijf-hoog.'

`'t Loopt hier over van militairen in het grijs. Ikzelf word zo bruin als een melkster.'

En op 13-7-1913: `Heden hoorden we van Jeanne dat ge geslaagd zijt voor het toelatingsexamen HBS.'

Mijn grootouders van moederskant, de Van der Molens, waren Friezen van eenvoudige komaf. Mijn grootmoeder was de dochter van een veldwachter die in Indië had leren drinken en daarna nooit verder was gekomen dan het plaatsje Balk. Mijn grootvader kwam uit een bakkersgezin uit de Drachtster Compagnie waarmee het tijdens de landbouwcrisis van 1893 slecht was afgelopen. De oude Van der Molen had zijn klanten geen honger kunnen zien lijden, hij ging op de fles en daarna sjouwde hij als knecht achter een bakkerskar zijn verdere leven door, tot hij in de zeventig was.

Mijn grootvader was, samen met zijn broer Petrus, tijdig aan deze treurdans ontsprongen. Ze werden onderwijzer. Petrus begon les te geven aan een armenschool en trouwde met Maaike Zandstra, de dochter van een van de oudste voorlieden van de SDAP. Mijn grootvader koos voor de weg van aanpassing. In 1897 was hij een van de eersten die in Wageningen een landbouwakte haalde, waarna hij overal op het platteland cursussen gaf over het gebruik van kunstmest, het inkuilen van gras en andere nieuwerwetsigheden. Hij abonneerde zich op de liberale Nieuwe Rotterdamsche Courant, en hij zou die krant daarna meer dan een halve eeuw lezen, dag na dag. Rond 1915 liet hij een stadsvilla bouwen in de nieuwe, lommerrijke uitleg van Vlaardingen, met een erker en een voortuintje met grint, en daaromheen een gesmeed hek met ijzeren punten.

Geboortedata zeggen niet alles over de sfeer waarin mensen leven. Als ik mijn grootvader Mak - een zeilmaker, geboren in 1860 - zou durven typeren, dan zou ik hem zien als een man van 1820, iemand die een levenswijze vertegenwoordigde die toen de boventoon voerde. Mijn grootvader Van der Molen - geboren in 1869 -was daarentegen typisch een man van 1890, en dat is hij ook altijd gebleven.

Mijn twee grootvaders konden het op een of andere manier buitengewoon goed met elkaar vinden. Het waren vrome mannen die een vrije geloofsrichting aanhingen, hetgeen hen samen kan hebben gebracht. Maar misschien werd die band vooral gevormd door het feit dat beiden echte negentiende-eeuwers waren en dat mijn `deftige' grootvader Van der Molen bij mijn `ambachtelijke' grootvader Mak veel herkende uit zijn eigen jeugd. Alleen: waar de laatste ophield, begon de eerste.

Het verschil tussen de familiecultuur van de Makken en de Van der Molens had alles te maken met de periode tussen 1820 en 1890, de zeven decennia die de negentiende eeuw bepaalden. Zoals de Makken hun bedrijf voerden, zo was ook hun familieleven: nuchter, vroom, patriarchaal, open en volledig gericht op arbeid en bedrijf. De Van der Molens waren moderner, burgerlijker ook.

Godsdienst speelde, althans bij de meeste gezinsleden, slechts een marginale rol. In het gezinsleven bestond al een scherpe scheiding tussen arbeid en vrije tijd en tussen publiek en privé. Typerend voor de geslotenheid waren de interne koosnaampjes die ik op talloze briefkaarten terugvond: `Pa', `Moe', `Hampie' (de oudste zoon Hattem, die later een hoge employé bij Philips zou worden), `Zus' (Geertje, mijn moeder), `Broer' (Ludzer, het nakomertje, de lieveling van mijn moeder).

Ik heb een foto voor me van de familie rond 1911. Mijn moeder zit helemaal rechts, gekleed als een meisje uit een Engelse kostuumfilm, met loshangend haar en een klokkend lijfje. Ludzer, een jaar of drie, zit in een matrozenpakje verveeld met zijn vingers te spelen. Mijn grootvader, een stevige man met een mooie donkere baard, leest voor uit een groot boek. Hattem,bijna twintig, leunt op zijn schouder. Mijn grootmoeder houdt de ogen bijna gesloten. Haar gezicht dikt al wat aan, maar nog steeds zijn de trekken zichtbaar van het knappe donkerblonde meisje dat ze ooit was. Allen luisteren, allen zijn gericht op het Boek.

Een andere foto, in een tuin. Opnieuw heeft mijn grootvader een boek, maar nu heeft mijn grootmoeder een net handwerkje bij zich, oom Hattem heeft een viool en mijn moeder heeft ook iets om handen.

Zoals zestiende- en zeventiende-eeuwse familieschilderijen altijd hondjes, schedels, zandlopers en andere tekens van deugd en vergankelijkheid bevatten, zo omringden de Van der Molens zich op deze foto's met symbolen van cultuur en hoogstaand leven. Want al waren ze nieuwkomers, ze speelden met verve de rol van aristocraten van de moderne tijd.

Er is een ander interessant aspect aan deze foto's, en dat is de houding van mijn grootvader. Veertig jaar later zou hij er namelijk nog precies zo bij zitten. Niet omdat hij zo lang jong bleef - al was hij een zeer vitale man -, maar omdat hij in 1912 al zo oud leek. Zowel mijn oom Petrus als mijn grootvader zouden in de halve eeuw tussen 1905 en 1955 nauwelijks meer veranderen. Hun huid zou gaan rimpelen, hun haar zou grijs worden, maar hun pakken, hun hoeden, hun schoenen, hun manier van lopen, zitten en staan zouden allemaal hetzelfde blijven. Rond hun vijfendertigste waren het, zoals alle mannen van hun stand, waardige en liefst al enigszins gezette heren die afgemeten praatten en nooit holden of zich haastten.

Het was zoals Stefan Zweig in zijn memoires schreef: de levenscategorieën hadden een totaal andere waarde dan vandaag. Zoals later, in tijden van grote veranderingen, `jong en flitsend' de norm werd, zo was dat in die jaren `oud en degelijk'. Als er voor een product al reclame werd gemaakt, dan gold `nieuw' niet als aanbeveling, maar juist het feit dat de maker `van ouds bekend' was. Stefan Zweig: `Zo gebeurde er iets dat tegenwoordig bijna onbegrijpelijk is: jeugd werd voor elke carrière een belemmering, ouder zijn een voordeel.'

Van de jeugd van mijn moeder weet ik niet veel. Van haar hele schooltijd is niets anders bewaard gebleven dan een uiteengevallen schrift met drieëneenhalf opstel. Het meest opvallende verhaal, `Een avontuur', beschrijft hoe zij met vijf vriendinnen per abuis op de trein naar Delft stapt in plaats van die naar Vlaardingen. Van de Delftse stationschef krijgen ze een kaartje voor de terugweg, ze brengen een uurtje door in Delft, bellen naar huis bij een familielid, drinken daar een glaasje ranja, en anderhalf uur later zijn ze weer thuis. Dat is het hele avontuur.

Wat opvalt aan het verhaal is echter de milde verwarring waaraan deze zeventienjarigen voortdurend ten prooi zijn. Het lijkt erop alsof ze niet alleen op die namiddag, maar permanent in de foute trein zitten. Ze blozen, stamelen in het openbaar, fluisteren onderling en kunnen zich voortdurend `bijna niet goed houden'. Het grappige is dat mijn moeder dat gelach in haar dialogen nauwkeurig weergeeft, zodat het hele opstel druipt van het gegiechel. Zo kun je ook nu nog wel meisjes tegenkomen, maar toen was deze gekunsteldheid,die dubbelheid, dat gevoel van de foute trein precies de houding die men van opgroeiende meisjes verwachtte. Ze behoorden dwaas, wereldvreemd en nietsvermoedend te zijn, terwijl ze tegelijkertijd natuurlijk van alles vermoedden.

Mijn moeder en haar vriendinnen groeiden nog op in een tijd en in een milieu waarin, zoals de bejaarde Franse schrijfster Marguerite Yourcenar het zo fraai uitdrukte, ,,alles wat op het middelpunt van het lichaam betrekking had (slechts) een aangelegenheid was van echtgenoten, vroedvrouwen en artsen''. Op het platteland en bij de zogeheten lagere standen waren de opvattingen vaak wat ruimer, maar bij de stedelijke burgerij diende de plaats van de seksualiteit zo klein mogelijk te zijn. De afschuw van `het vlees' vertaalde zich in honderd geboden. Nooit zou een jong meisje haar hemd uittrekken in het bijzijn van een vriendin of zelfs een zuster; zoiets was even strijdig met de goede smaak als de meest ongewenste intimiteit. Voor de jeugdige baadster thuis bestond er poudre du pudeur, dat het badwater troebel maakte en het lichaam onzichtbaar. Het beste voor een jonge vrouw was om te vergeten dat ze onder haar hals nog iets als een lichaam had.

De spanningen die dat gaf, zijn hier en daar nog terug te vinden in het kleine pakje brieven dat ik bij de briefkaarten vond. De correspondentie gaat over boeken, afspraken, ontmoetingen, en soms zijn het maar korte, emotionele krabbeltjes: `We hebben 't zoo heel moeilijk gehad en nog: onze verloving is verbroken, en niet om thuis, tenminste niet direct. 't Is hard en onbegrijpelijk voor onszelf, maar 't is zoo en 't moést zoo.' Een andere vriendin bekent dat ze heeft geflirt, een zomer lang, in het Kurhaus, en dat daardoor twee Delftse studenten verliefd op haar werden. Uiteindelijk moest ze kiezen. `Maar toen heb ik 't ook aan dien ander moeten zeggen. Als ik er nog aan denk, die wanhoop, dat groote verdriet...'

Met een derde vriendin ontwikkelt ze een innig religieuze correspondentie. `Hoe was 't met de Pinksterdagen, erg fijn? Saampjes in Amsterdam en mooie preken?' Mijn vader dacht, vermoed ik, ook nog weleens aan heel andere dingen.

Toen mijn vader in 1919 aan de VU ging studeren, bevond de gereformeerde wereld zich op een keerpunt. De twee grote leiders en pioniers, Abraham Kuyper en de theoloog Herman Bavinck, waren respectievelijk in 1920 en 1921 overleden en daarmee was op allerlei terreinen een gezagsvacuüm ontstaan. Hun `kleine luyden' waren, net als de katholieken en de socialistische arbeiders, uitgegroeid tot een volwaardige integratie- en emancipatiebeweging. Men wilde volop meebeslissen over de ontwikkeling van staat en samenleving, men wilde profiteren van alle moderne overheidsvoorzieningen, maar tegelijk diende - evenals bij de katholieken - de eigen identiteit zoveel mogelijk gehandhaafd te blijven. Die tegenstrijdigheid loste men op door een systeem van `open aan de top, gesloten aan de voet'.

Politici, bestuurders, dominees, priesters, vakbondsleiders en andersoortige voorlieden kregen daardoor een buitengewoon machtige positie. Zij bepaalden gezamenlijk in Den Haag en elders het beleid, terwijl het voetvolk strikt gescheiden optrok. Zo ontstond in de eerste decennia van deze eeuw een typisch Nederlands verschijnsel, een soort nationalisme zonder fysieke grenzen, een systeem van vier zuilen met daarboven een gezamenlijk dak. Iedere groep had eigen scholen, universiteiten, ziekenhuizen, uitgeverijen, vakbonden, kranten en politieke partijen, iedere groep bestreed de andere groepen en beschouwde zichzelf als het centrum van de aarde.

De zomers waren vol toogdagen en meetings, de lucht trilde van de massakoren, muziekkorpsen en gierende harmoniums en nooit wapperden in dit land zoveel vaandels en banieren. 's Winters vergaderde men, over teksten, amendementen of resoluties, men las de eigen bladen, men zwoegde op preken en inleidingen, en zo leidde men binnen de eigen zuil een dubbelleven dat het moeizame bestaan van alledag in een ander, hoger licht zette. Andersdenkenden werden met een zeker respect bejegend, maar melk werd als vanzelfsprekend betrokken bij een melkboer uit eigen kring en grutterswaren bij de eigen kruidenier. Zelfs nam bij de Schiedamse Makken ooit een dienstmeisje ontslag, omdat ze niet wilde werken in een huis waar het goddeloze `Rotterdamsch Nieuwsblad' werd gelezen.

Iedereen had de eigen waarheid in pacht, en die waarheid was totaal. Toen VU-studenten in het voorjaar van 1924 het treurspel `Saul en David' van Israël Querido wilden opvoeren was de wereld te klein. `Schriftgegevens zijn op ergerlijke wijze misbruikt', schreven de dominees van de synode, `terwijl reeds op zichzelf genomen aan een Jood, en aan een Jood als Querido, dit heilige niet kon worden toevertrouwd.' De Utrechtsche Kerkbode meende zelfs dat een jood nu eenmaal nooit `de ontzettende tragiek der tegenstelling tussen Saul en David kan gevoelen.'

Vrijwel alle zuilen hadden een eigen jargon - voor een lezer van vandaag grotendeels vervuld van raadsels - met als meest opvallende kenmerk het schijnbaar ontbreken van ieder spoor van twijfel. Zeker de gereformeerden hadden last van die eigenschap. Hun ARP was dan ook een bijzonder gezelschap: aan de ene kant principieel en helder, aan de andere kant weinig creatief in gecompliceerde situaties. Alles werd vastgebeiteld op `de wil Gods' of `de beginselen', alles werd teruggebracht op de normen `goed' of `fout'. De mannenbroeders waren in wezen pure fundamentalisten.

Toen Duitsland in 1914 België binnenviel werd dit door Kuyper goedgepraat in een verbluffende goochelpartij met bijbelteksten. God had zo ook beslist dat er op zondag niet gefietst mocht worden en dat de dienstbode niet mee mocht eten aan de familietafel - althans volgens de bijbeluitleg van het christelijke etiquetteboek `Vormen en Manieren'. De slanke lijn was al helemaal taboe: `Zouden wij `t reservevoedsel dat God ons in ons vleesch gaf opzettelijk opteeren, en ons zoo schuldig maken aan `t gebod: Gij zult niet doodslaan!?'

Maar, zoals gezegd, die starheid en stelligheid waren verschijnselen die zich overal voordeden. Ook de socialisten en de katholieken meenden de wereld in hun zak te hebben, zodat bijvoorbeeld de opkomst van het nationaal-socialisme, de verzwakking van Europa, de draagwijdte van het Indonesisch nationalisme, het succes van het Keynes-model en de gevolgen van de snelle technische veranderingen slechts traag en vervormd tot hen doordrongen.

Was dit alles typisch Nederlands? In bepaalde opzichten wel. Er bestond namelijk één immens verschil tussen Nederland en de rest van Europa: de Nederlanders hadden de oorlog niet meegemaakt. De miljoenen Duitsers, Fransen, Engelsen, Oostenrijkers, Belgen, Russen, Polen en Italianen die in 1914 ten strijde waren getrokken alsof ze naar een picknick gingen, ze waren in 1918 als totaal andere mensen uit de loopgraven gekomen. Hun fraaie uniformen lagen in rafels, ze herkenden alle geluiden van de hel, ze wisten alles van gas, lijkenlucht en idiote generaals, hen verbaasde niets meer.

Toen in 1929 de oud-frontsoldaat Erich Maria Remarque het boek Im Westen nichts Neues publiceerde, werden er binnen een jaar anderhalf miljoen exemplaren verkocht, en alle Europese jongeren die in de loopgraven hadden liggen creperen, zeiden: `Ja, zo is het geweest.' Alleen in Nederland wist men het beter. Het antirevolutionaire blad De Houten Pomp meende zelfs dat de schrijver niets van de oorlog wist: `Er duiken tegenwoordig ook Nederlandsche `dichters' op die de gruwelen van den oorlog zeer realistisch bezingen. En toch fantaseren die lui maar. Ze weten er niets van. (..) `Van het Westenlijk Front geen nieuws' leert ons de verdierlijking van een generatie.'

De Nederlanders hadden, met andere woorden, een allesbepalende Europese ervaring gemist. Daardoor ontbraken bij hen een bepaalde gedrevenheid, een bepaalde angst, maar ook een bepaalde wijsheid. Dat gold ook voor de Nederlandse politiek. De immense vernedering en onvrede van leger en middenklasse, die elders de basis zouden vormen voor de twee belangrijkste volksbewegingen van de jaren twintig en dertig, het fascisme en het nationaal-socialisme, waren in Nederland onbekend.

Doordat de Eerste Wereldoorlog aan Nederland voorbij was gegaan, miste ons land, in de woorden van de historicus M.C. Brands, ,,een cruciale wissel van de moderne geschiedenis van ons continent''. Het gevolg daarvan was dat allerlei lijnen van de negentiende eeuw die in 1918 in de rest van Europa rigoureus waren afgebroken - de keizer, het gezag, de zekerheden -, in Nederland nog lange tijd ononderbroken konden doorlopen. En dit alles maakte dat de toch al korte twintigste eeuw hier wel heel kort werd.

Dit is een voorpublicatie uit het nieuwe boek van Geert Mak, `De eeuw van mijn vader', dat volgende week verschijnt bij Uitgeverij Atlas.

    • Geert Mak