De leugens van een non in Timor

Zuster Marlene had tot twee weken geleden nooit echte angst gevoeld in Oost-Timor. Maar toen kwamen de milities aan bij het klooster waar vluchtelingen en rebellenleiders zich schuilhielden.

Vier keer kwamen leden van de gewapende milities het klooster van de Dochters van Maria Hulp der Christenen in Oost-Timor doorzoeken op leiders van de onafhankelijkheidsbeweging. Vier keer hield zuster Marlene Bautista vol: ,,Er zijn hier alleen vrouwen en kinderen.'' Dat was een leugen. Zuster Marlene en de andere nonnen van het klooster huisvestten niet alleen 106 doodsbange vluchtelingen maar hielden ook vooraanstaande leden van de Oost-Timorese onafhankelijkheidsbeweging verborgen. Waren deze laatsten ontdekt, dan waren ze vrijwel zeker gedood, en wellicht de nonnen ook. Achttien dagen lang, terwijl buiten de kloostermuren het eiland brandde, behoedden de nonnen hun onderduikers met list en koelbloedigheid. Een keer toen een razziaploeg van de milities kwam, plensden de zusters water over de vloer en sloegen ze aan het dweilen in de hoop dat een achterkamertje, waar de `speciale gasten' zich verstopt hadden, zou worden overgeslagen.

Zodra de militie weg was en de vloer weer droog, kwam het Indonesische leger onverwachts op bezoek.

,,We hadden alles net opgedweild, maar we gooiden de vloer weer nat en grepen de dweilen'', vertelt Marlene giechelend.

Zuster Marlene (38), geboren in de Filippijnen en opgegroeid in Californië, viert deze maandag de komst van een internationale vredesmacht in Oost-Timor, door samen met andere nonnen hun eerste verse voedsel sinds weken te gaan halen. ,,We komen groente plunderen'', lacht ze. Als het eerste konvooi VN-trucks arriveert, juichen en applaudisseren de nonnen.

Zuster Marlene, sinds 1988 als missiezuster in Oost-Timor, wil de namen van de activisten die in het klooster schuilen niet noemen, omdat dat nog te gevaarlijk voor hen zou zijn. Het klooster zit nog vol vrouwen en kinderen die hun toevlucht hebben gezocht bij de nonnen toen hun wereld op zijn kop werd gezet.

Het geweld begon op 4 september, toen bekend werd dat bij het referendum op 30 augustus een overweldigende meerderheid voor de onafhankelijkheid had gestemd. Die dag stroomden zo'n vierhonderd angstige Oost-Timorezen naar de nonnenschool nabij het vliegveld. Zuster Marlene dacht aanvankelijk dat hun angst overdreven was. ,,We verwachtten serieuze problemen, maar dit beslist niet'', vertelt ze. ,,Deze mensen leven al 24 jaar onder Indonesisch bewind. Ze weten wat doodsangst is. Ik had tot voor twee weken nog nooit echte angst gevoeld.''

Na zonsondergang verzamelden zich leden van de anti-onafhankelijkheidsgezinde milities die door het Indonesische leger worden gesteund, zich bij de school en riepen tegen de vluchtelingen: ,,Aanhangers van de onafhankelijkheid, laat je gezicht eens zien!'' De vluchtelingen doken ineen van angst. De nonnen deden het licht in de school uit en zagen rondom hen het vuur oplaaien.

,,Ik zag hoe de militie van deur tot deur ging'', vertelt zuster Marlene. ,,Eerst sloegen en trapten ze ramen en deuren in. Toen roofden ze alles – banken, tafels, stoelen, kleding. En toen staken ze het huis in brand.''

De volgende dag, terwijl het schieten voortduurde, brachten ze de vluchtelingen over naar het mannenklooster naast de school, dat hogere muren heeft. Onderweg werd zuster Marlene aangesproken door Elvis Gusmao, een neef van Xanana Gusmao, de leider van de Oost-Timorese onafhankelijkheidsbeweging.

,,Hij zei: `Ze zoeken me om me te vermoorden. Ik heb mijn vrouw en mijn zoontje van vijf maanden al naar het leger gebracht en ze gevraagd om hen te beschermen. Toen ben ik weggerend''', herinnert zuster Marlene zich. ,,En hij zei: `Wilt u me naar het VN-hoofdkwartier brengen?'''

Hij was echt in paniek. Hij ging achterin de auto zitten. Ik vond het maar raar'', vertelt ze. Maar toen kregen militieleden op een motor haar passagier in het oog en gebaarden naar een vrachtwagen vol met hun kameraden dat die hen moesten tegenhouden. ,,Gusmao zei: `Zuster, u moet gas geven.' Ik reed zoals ik nog nooit gereden had'', zegt ze. ,,Ze schoten op me. Ik wist niet wat me overkwam. Het was voor het eerst van mijn leven dat er iemand op me schoot. Het is maar goed dat ze zo slecht schieten.''

Die dag verhuisde ze naar het klooster, in de overtuiging dat het maar een paar dagen zou duren. ,,Ik nam voor twee dagen kleren mee.'' Maar naarmate het schieten voortduurde en steeds meer huizen in vlammen opgingen, meldden zich nog eens 400 vluchtelingen bij het klooster.

,,We baden veel. Als het schieten begon, gingen wij bidden'', vertelt ze. Ze sliepen op de vloer uit vrees voor rondvliegende kogels. Om de milities van zich af te houden, moest ze soms glashard zijn. Een gewapende razziaploeg wilde de kloosterauto vorderen. ,,Ik zei: Nee, dat gebeurt niet'', herinnert ze zich. Ze had gezegd dat ze dat eerst maar eens met hun plaatselijke legercommandant moesten bespreken. De militiejongens dropen af.

Na vier dagen in het klooster vluchtten de meeste gezinnen uit wanhoop de nabijgelegen bergen in. Enkele mannen probeerden 's nachts in de stad nog wat te fourageren. De Indonesische militairen, die stellingen hadden betrokken in huizen rondom het klooster, vuurden de hele nacht op elke schim die ze zagen.

Zo doodden ze ten minste twee mensen, zegt zuster Marlene. Voordat de militairen de huizen woensdag ontruimden, hebben ze een lijk in een zak gestopt en meegenomen, vervolgt ze. Het andere lieten ze liggen, en enkele uren nadat de soldaten waren vertrokken, bracht zuster Marlene een journalist 200 meter de steile heuvel op. Daar lag in een rotsspleet het lijk van een man – aangetast door honden en de tropische hitte, nog gekleed in een Nike sweatshirt en sportschoenen. ,,Het is echt een wonder dat we nog leven'', zegt zuster Marlene. ,,We waren zo bang. De kinderen waren zo bang dat ze geen woord zeiden. Pas nu beginnen ze weer rumoer te maken. De kinderen waren fantastisch. Het is of ze een zesde zintuig hebben. Ze huilden als de Indonesische soldaten kwamen, maar toen kwamen de VN-soldaten en de kinderen strekten hun handen naar hen uit.''

Maandag vroeg ze de kinderen iets te tekenen waarvoor ze dankbaar waren. Alle tekeningen tonen, vol kinderlijk optimisme, een kleurig huis met een gele zon. En op bijna allemaal staat iets geschreven, zoals: ,,Ik ben dankbaar omdat ik nog leef. Ik ben dankbaar dat ik niet dood ben gegaan.''