Chantal

Gaat u zitten, zei de neuroloog. Het was vijf uur, een grijze zondagmiddag in januari. Een ambulance had ons eerder op de dag met zwaailichten en sirene naar het ziekenhuis gebracht. De uitkomst van het neurologisch onderzoek was binnen. 'Het lijkt wel een slecht-nieuwsgesprek', zei ik. 'Dat is het ook', zei de neuroloog.

Chantal was de dinsdag ervoor eerder van haar werk gekomen. Hoofdpijn. Woensdag meldde ze zich ziek. Ze dacht aanvankelijk aan een whip-lash. Een onverwacht sterke brandingsgolf had haar twee weken tevoren een buiteling laten maken over een keienstrand. Dat was, of all places, bij Paradise Beach aan de zuidkust van Sri Lanka.

Donderdag ging ze naar de huisarts. Ze wilde een verwijzing voor de neuroloog. Haar arts was er niet. Zijn invalster wist klaarblijkelijk niet dat Chantal nooit hoofdpijn had. Ze deed een paar testen en verwees haar naar de fysiotherapeut. Die avond moest Chantal plotseling overgeven. De volgende morgen kreeg ze last van evenwichtsstoornissen. Ik moest haar ondersteunen bij het lopen.

Als verpleegkundige was ze haar carrière ooit begonnen op de aids-afdeling van een groot ziekenhuis. Daar leerde ze neurologische ziektebeelden herkennen. De enige zinvolle actie leek haar nu een hersenonderzoek. Ik belde de dokter en zei dat we bang waren voor een neurologisch defect. Hij raadpleegde het dossier, zei dat we ons niet ongerust hoefden te maken en schreef zetpillen voor tegen de misselijkheid.

Zaterdag kreeg Chantal meer last van duizelingen. Ze kon zonder mijn steun niet meer uit bed komen. Aan het eind van de middag begon ze met een dikke tong te praten en 's avonds werd ze plotseling incontinent.

Nadat de dokter haar telefonisch had gesproken, begon ook hij nu een neurologische oorzaak te vermoeden. Maar het leek hem geen goed idee haar meteen naar het ziekenhuis te laten brengen. 'Ze houden er niet van om iemand 's avonds laat nog op te nemen.'

De volgende ochtend kwam hij langs, constateerde 'een positieve Babinski-reactie op rechts' en belde het ziekenhuis. Pas het derde ziekenhuis had plaats. De ambulance liet een uur op zich wachten en als ik de doktersdienst niet nog eens had gebeld, was hij niet gekomen. De huisarts vermoedde dat Chantal een 'subduraal hematoom' had. Ik wist dat zo'n bloeduitstorting in de hersenen tot de dood kon leiden.

Chantal zakte steeds verder weg.

Terwijl ik op de ambulance wachtte, belde een hartsvriendin op. De angst moet in mijn stem hebben doorgeklonken, want ze pakte meteen de auto naar Amsterdam. Zonder dat ik er erg in had, werd het vangnet van onze vrienden in gereedheid gebracht.

Op de eerste hulp-afdeling van het ziekenhuis werd Chantal van de ambulancestretcher in een bed gerold. Het was zondagmiddag kwart over een. Tien dagen geleden had ze voor het eerst over hoofdpijn geklaagd.

Ze lag in een kleine ruimte, afgeschermd door gordijnen. Mensen werden in- en uitgereden, artsen, verpleegkundigen en co-assistenten liepen af en aan. Om half drie werd ons verhaal opgeschreven.

Een co-assistent streek met een houten spatel over haar armen en benen en gaf eenvoudige opdrachten. 'Kan je je been buigen? Kan je in mijn hand knijpen?', vroeg ze. Dat kon ze niet. Haar linkerarm en -been waren verlamd. Na vieren werd ze weggereden voor een hersenscan. Het onderzoek waarop ze sinds donderdag had gewacht.

Drie dagen eerder kon Chantal nog lopen en praten. Nu doemden de contouren op van een ramp. Ons hele leven zou veranderen. Ik zag opeens een gehandicapte vriendin voor me die maanden zou moeten revalideren, misschien wel in de wao terecht zou komen. Op dat moment besefte ik niet dat ik nog geen uur later zou bidden dat de toekomst er zo uit zou mogen zien.

Onze vriendin was inmiddels gearriveerd. 'Wacht nou eerst de resultaten af van het onderzoek', zei ze. 'Misschien valt het mee.' De neuroloog liet ons in een kamertje. Er stonden vier stoelen. Het viel niet mee.

Chantal was 42 jaar. Ze werkte bij een riagg als sociaal-psychiatrisch verpleegkundige. Voor de anwb haalde ze in de weekeinden Nederlanders op die in het buitenland in psychische nood waren geraakt. Met veel plezier deed ze een studie geestelijke gezondheidszorg in Maastricht. Ze liep hard, ging naar een fitness-club, rookte niet, was niet te zwaar en nooit ziek. We zijn wandelaars, wildkampeerders, bergsporters. Kwalen of lichamelijke kwellingen kenden we niet. Maar de scan toonde een ,,agressieve en snel groeiende tumor'' in haar hoofd. In het gunstigste geval zou de groei van de tumor geremd kunnen worden. Maar de deur naar haar dood stond open. Ons leven lag in maanden voor ons, niet meer in jaren.

'Op dit moment', zei de arts, 'is uw partner aanspreekbaar. Wilt u haar vertellen wat er met haar aan de hand is of zal ik dat doen?' We gingen naar haar kamertje. 'Wat vreselijk', fluisterde ze toen ik het vertelde. Daarna zakte ze weer weg.

Ik belde Benedikt, haar jongste zusje. Ze slaakte een kreet van wanhoop. Op de achtergrond hoorde ik haar man de kinderen tot stilte manen.

Met onze vriendin stond ik bij Chantals bed toen ze licht begon te schokken. Haar ogen draaiden weg en er kwam wat schuim uit haar mondhoeken. In het kamertje hing opeens een lichte geur van urine. Een verpleegkundige kwam, schoof een tube in haar mond en sloeg alarm. 'Een epileptische aanval', zei de toegesnelde arts. Opeens was de situatie levensbedreigend. Donderdag bij de huisarts, vrijdag misselijk en nu bijna dood.

Benedikt en haar man stormden de kamer binnen waar Chantal aan steeds meer slangen werd vastgeklonken. Ze werd weggereden. We belden vrienden en familieleden.

Een half uur later: een nieuwe arts, de neuro-chirurg. Hij legde uit dat de hersenschors door het oedeem rond de tumor bekneld dreigde te raken. Als daaraan niets werd gedaan zou Chantal sterven. We stonden op de gang en ik probeerde te bevatten wat hij zei.

Dat een operatie haar zou redden stond niet vast, zei de chirurg. Ze kon onder het scalpel doodgaan en mocht de operatie slagen, dan was het de vraag hoe ze daar uit zou komen. Mogelijk zou ze niet meer kunnen praten. Misschien zou ze niemand meer herkennen. Verdere verlammingen waren niet uitgesloten.

Het was net een uur geleden dat het doodvonnis over Chantal was uitgesproken. De klap had me verdwaasd achtergelaten. Dat de terechtstelling nu al voor de deur stond, daarop was ik nog niet voorbereid.

'Wat wilt u? Opereren of niet?' Chantal en ik hadden een euthanasiepaspoort. We hadden lang geleden besloten dat we niet gereanimeerd wilden worden bij hart- of longfalen. We dragen een donorcodicil op zak. We hechten niet koste wat het kost aan het leven, dacht ik. Maar ik kon ook niet overzien wat de consequenties waren van de beslissing die ik nu in een paar seconden moest nemen.

'Opereren', zei ik.

We kregen een wachtkamer toegewezen. Er werd koffie en thee gebracht. Langzaam verstreken de uren. Om twaalf uur 's nachts kwam de chirurg vertellen dat de operatie 'technisch geslaagd' was. Hij had een deel van de tumor kunnen weghalen. Misschien de helft, misschien meer. Hij waarschuwde voor optimistische verwachtingen. Het was afwachten hoe ze zou ontwaken.

Ik ging met Benedikt naar boven. Na lang zoeken vonden we Chantal op de intensive care. Ik herkende haar niet. De verpleegkundige moest haar aanwijzen. Ze was onderdeel geworden van een stellage. Met tubes, draden en buizen was ze vastgekoppeld aan glimmende apparaten. Haar gezicht ging verborgen achter een plastic kapje. Uit het verband om haar hoofd stak een drain. Gebiologeerd keek ik naar het scherm van een monitor, waarover de groene sinus van haar hartslag golfde. Zo nu en dan flitste een lampje aan en klonk er snerpend gepiep; dan moest een infuus vervangen of een zakje vocht geleegd. Mijn vriendin leefde, maar ze lag ingeklemd tussen allerlei geheime tekens die ik niet kon lezen.

Na de intensive care ging ze naar de special care. Het verband werd weggehaald. Je zag de winkelhaak met de metalen krammetjes. Ik vond het moeilijk om naar die wond te kijken. Het was makkelijker om naar de slapende jongen te staren die tegenover Chantal lag.

Een jongen van een jaar of negentien. Hij was van de fiets gevallen en op zijn hoofd terechtgekomen. Snurkend haalde hij adem. Al die dagen dat ik op bezoek kwam, heeft hij gesproken noch bewogen. Zijn moeder was bij hem en las hem kaarten en brieven voor die ze uit haar tas haalde en na voorlezing op de vensterbank zette.

'Ja, je tante Dinie heeft ook geschreven. Leuk hè? Je zal je haar niet meer zo goed kunnen herinneren, want je was pas vier toen ze met oom Cor trouwde en wegging. Maar evengoed leuk dat ze schrijft, niet?' En dan volgde weer de in vele vormen uitgesproken hoop dat het spoedig beter zou gaan, waarna het moedertje naar de vensterbank slofte en haar zoon bewegingloos doorsnurkte. Chantal en ik hielden elkaars hand vast en luisterden glimlachend naar de liefdevolle, moederlijke monologen.

Intussen was de carrousel van steun en bijstand op gang gekomen. Er zaten altijd vrienden en familieleden in de 'conversatieruimte'. Eerst mochten ze aan Chantals bed zitten. Nadat ik had verteld dat ze in mijn vinger had geknepen toen ik vroeg of ze me had verstaan, wilde iedereen in de vinger worden geknepen. Maar op de special care werd het bezoek aan banden gelegd.

Chantal was vergeten dat ze doodging. Ze wist alleen dat ze was geopereerd. Omdat ze halfzijdig verlamd was, wist ze ook dat er veel was beschadigd, maar ik moest haar opnieuw vertellen hoe het er voorstond.

De neurochirurg bood aan het voor mij te doen, maar dat wees ik af. Hij mocht er bij zijn, zei ik. Graag zelfs, voor het geval dat Chantal vragen van medische aard zou stellen. Maar net als na de opname wilde ik haar de onheilstijding zelf brengen. Hij stemde in, maar vroeg me nog even te wachten. Chantal was aan het herstellen. De mededeling zou een zware belasting zijn en ze werd al voortdurend door emoties overmand bij de binnenstromende blijken van medeleven.

Elke dag vertelde ik wie er had geschreven en las brieven en briefkaarten voor. Soms werd ze zo door een tekst geraakt dat haar hele lichaam schokte van het huilen. Zoals bij de briefkaart van iemand die ons het liefst naar de rust en de stilte van de bergen had willen meenemen. Ik schrok van haar reactie en probeerde haar te kalmeren. Soms las ik met verstikte stem iets voor en merkte pas aan het eind van de brief dat Chantal weer was weggezakt. Ik was net het moedertje met de bewegingloze zoon.

Hoop gaf Jessica, de fysiotherapeut. Haar komst was een feestje. Ze bracht de belofte mee dat ik thuis iets voor Chantal kon doen. Ik leerde hoe ik haar moest laten zitten en lopen. Zij leerde langzaam haar linkerarm en -been weer bewegen. Jessica gaf me het vertrouwen dat ik Chantal kon verzorgen tot haar dood.

Wat me dwars zat, zei ik tegen de chirurg, was dat Chantal de enige was die niet wist hoe het zat. Ik wilde geen deel uitmaken van een medisch complot. Zo had ons leven niet in elkaar gezeten. Daar kon hij inkomen. Maar hij vroeg me te wachten tot na het weekeinde. 'Zeg dat de definitieve resultaten van het onderzoek dan bekend zijn. Mocht ze er eerder aan toe zijn, neem dan contact op met mijn assistente.'

Een paar dagen later zat ik naast het bed, toen die assistente binnenkwam. Ze begon te praten. Opeens besefte ik dat ze op het punt stond te vertellen hoe Chantal eraan toe was. Ik onderbrak haar. Ik zei dat de neurochirurg mij had verteld dat de definitieve resultaten pas de volgende week bekend zouden zijn en dat ik die dan zelf aan Chantal zou vertellen. Onverstoorbaar vervolgde de assistente haar verhaal over de agressief groeiende hersentumor. Genezing was niet mogelijk, bestralen zou het ziekteproces kunnen vertragen.

Ik kon mijn oren niet geloven. Ik had het gevoel dat me iets kostbaars werd ontstolen. Ik was razend. Op de gang bood de assistente me halfhartig haar verontschuldigingen aan. Als excuus voerde ze aan dat ze gewoon snel wilde weten of we tot bestraling over wilden gaan of niet. Op mijn vraag waarom ze me niet even apart had genomen bleef ze het antwoord schuldig.

Even later werd ik op de gang aangeschoten door een verpleegkundige, die mij verbaasd vroeg waarom ik het zo belangrijk vond om Chantal het nieuws persoonlijk te vertellen. 'Wij zijn al twintig jaar bij elkaar', zei ik. 'In ons leven is een ramp gebeurd. Met alle respect voor de vaardigheden van verpleegkundigen en artsen: jullie zijn in ons leven buitenstaanders.' Stikkend van woede liep ik de ziekenkamer weer in.

'Ik was zo graag tachtig met je geworden', zei Chantal. Ze huilde. Meteen daarna brak weer een glimlach door: 'Nu hoef ik tenminste dat kleretentamen statistiek niet te doen'. En toen ze 's avonds haar toetje at, chocolademousse met ziekenhuisslagroom: 'Hm, lekker, een anti-tumortoetje.'

De week na de operatie begon hoopvol. Maar aan het eind van die week zei ze dat het wolliger werd in haar hoofd. Ze was misselijk, had hoofdpijn en pijn in haar nek, ze zag dubbel, kon zich niet concentreren, was apathisch en incontinent. Volgens de chirurg pasten die verschijnselen bij haar ziekte. 'Ze kan niet langer koken en praten tegelijk', legde hij uit. Thuis moest een regime heersen van prikkeldemping, van rust en regelmaat.

Aan het eind van de week kwam er een mij onbekende, besnorde arts binnen, samen met de gehate assistente. Hij ging bij het voeteneinde van het bed staan praten met de assistente. Mij negeerde hij. Hij vroeg Chantal hoe ze zich voelde. 'Ik ga dood', zei ze.

'Ach mevrouw, iedereen gaat dood. U moet nu de positieve dingen in uw leven benadrukken. U moet niet bij de pakken neer gaan zitten. Het gaat steeds beter met u, daaraan moet u proberen kracht te ontlenen. Goed oefenen, dan kunt u thuis straks weer van alles zelf doen.' Ik dacht: weg uit dit gekkenhuis en wel zo snel mogelijk.

Een 'transferverpleegkundige' stelde een lijst van voorzieningen op die we nodig hadden. Een vrachtwagen leverde een elektrisch bed, rollator en andere hulpmiddelen af. 'Je kunt beter thuis liggen dan in het ziekenhuis', vond de chauffeur. Vrijwel iedereen stierf in het bed dat hij afleverde, zei hij ook nog. 'Maar je kunt ook beter thuis doodgaan dan in het ziekenhuis.'

Het ging niet beter. Woensdag was Chantal opeens weer even halfzijdig verlamd geraakt. Ze was bijna gevallen tijdens de oefeningen met de rollator. De chirurg vermoedde dat de dosis medicijnen te snel was teruggebracht.

Toen ik haar kwam ophalen om naar huis te gaan, lag ze met een wit weggetrokken gezicht in bed. Ze was weer gevallen, zei ze, in de doucheruimte. Daar had ze een kwartier op hulp moeten wachten. De verpleegkundigen hadden haar alleen naar de douche laten gaan.

Na uren wachten werd ze in een wagentje gezet, met een riem vastgemaakt en naar buiten gereden. Ze hield een nierbakje voor haar mond, want ze was misselijk. Het was koud, niet alleen buiten, maar ook in de auto. Thuis hielpen de mannen haar in het klaarstaande bed en vertrokken. Ze was te ziek om te praten.

's Avonds lag ik in het logeerbed in de voor kamer, naast Chantal. We sliepen weinig, zij van de pijn en ik door haar gewoel.

De volgende dag kocht ik de dingen die ze lekker vond: spaghetti, vis, vanillevla en muesli. Pas laat op de avond wilde ze iets eten. In de spaghetti had ze geen trek. Ik voerde haar de pillen bij de muesli met vanillevla. Na het laatste hapje zei ze: 'Lekker'. Het was haar laatste woord.

Om tien uur deed ik haar een luier om. Ze was in zo'n diepe slaap dat ze wel bewusteloos leek. Even kwam de gedachte bij me op een arts te bellen, maar wat zou hij kunnen doen?

Het is raar dat je sterven herkent, zonder het ooit te hebben meegemaakt. Ik luisterde naar het onregelmatige gesnurk en probeerde met haar mee te ademen. Maar de tussenpozen waren veel te lang voor mij. Het water waarmee ik haar lippen bevochtigde, likte ze niet meer op. Haar gezicht veranderde. De vredige rust die ze slapend in het ziekenhuis nog kon uitstralen, was verdwenen. Nu zag je alleen de moeheid van het zwoegen. Doodgaan is hard werk.

Ik zat op de bank toen ik een nieuw geluid hoorde. Ik wist meteen wat het was: de doodsrochel.

Ik belde de dokter. De vriendin die bij ons was blijven slapen, kwam bij het bed staan.

'Ze gaat dood, ze gaat dood', zei zij. En even later: 'Ik geloof dat ze dood is.'

De dokter kwam, voelde haar pols, luisterde met de stethoscoop en stelde de dood vast.

De strijd was voorbij. Die doodsstrijd die twee weken geleden was begonnen, die avond in bed toen ze opeens, tegen me aan hangend op bed, over mijn voeten had geplast. Twee weken van schrik, angst en verdriet. Sinds ik toestemming had gegeven voor de operatie, had ik me steeds verantwoordelijk gevoeld voor haar lijden. Staande naast haar dode lichaam voelde ik een onverwachte opluchting.

De dokter vroeg wat ik wilde. Wilde ik haar laten ophalen of moest ze thuis blijven? Maar wat hier in bed lag was Chantal niet meer. Dit was niet de vrouw met wie ik twintig jaar lief en leed had gedeeld. Het was een vreemd wezen met een wit weggetrokken, muisachtig gezichtje.

'We hebben een donorcodicil', zei ik, 'maakt dat nog wat uit?' Dat maakte zeker wat uit. Een half uur dood was al te lang om haar organen nog te kunnen gebruiken, maar haar hoornvlies was nog goed.

Twee mannen kwamen Chantal ophalen, ze wikkelden haar in een plastic zak en ritsten hem dicht. Om half twaalf 's nachts dood, een uur later verdwenen.

De volgende ochtend installeerde de begrafenisonderneemster zich aan tafel en vuurde vragen op me af waarover ik nog nooit had nagedacht. Dubbelgraf? Een graf voor twintig jaar? Hoeveel volgauto's, alles kon. 'U moet het zeggen, want het is uw begrafenis.'

En had ik al over de rouwkaartjes gedacht? 'Deze vind ikzelf erg mooi, dat is Oudhollands, zo heet dat papier. Kijk, er zit een watermerkje in.' Het kaartje ging onder zwijgend afgrijzen rond.

Had ik al een kerkhof uitgezocht? Wilde ik een gedichtje of een paar regels op de rouwkaart? Ze opende een grote aktetas met plastic opbergmappen. Ik maakte een afwerend gebaar toen ze aanstalten maakte de map met rouwvriendelijke gedichtjes te pakken. 'Aha', zei ze, 'u wilt iets bijzonders.'

Ik zei dat ik het wel een mooi idee vond om Chantal naar haar graf te laten dragen door acht vrouwen. Toen mijn vader ooit in de aula lag opgebaard, kwamen er opeens mannen in het zwart binnen. Ze zetten de doodskist op een soort wagentje en namen hem mee. Pikken we dit? dacht ik toen. Vreemde handen aan mijn vader. Dat zou me met Chantal niet overkomen.

Nu keek de begrafenisonderneemster bedenkelijk. 'Ik heb dat nog niet eerder meegemaakt, maar ik zal het vragen.'

Iemand vroeg of ze Chantal nog kon zien. Dat kon, zei de begrafenisonderneemster, want ze ging in de koeling. 'Het klinkt misschien een beetje oneerbiedig, maar zo gaat dat nu eenmaal.' Dat is toch beter dan wanneer ze in de magnetron zou gaan, zei ik. Het gezicht van de begrafenis onderneemster betrok.

Het was dezelfde chauffeur die de volgende ochtend het bed en alle overbodige spullen weer kwam ophalen. 'Dat is snel', zei hij, en vertrok.

Ik kocht een fotoalbum en maakte een collage. Chantal in Sri Lanka, genietend van een kopje thee terwijl ze op een trein wachtte. Lachend tussen de jongens die ons naar een waterval hadden gebracht. Somber kijkend in het ziekenhuis, moe en mager in de auto naar huis. En de laatste, een etmaal voor haar dood.

Dat boekje nam ik mee naar het mortuarium. Tientallen bloemstukken lagen om haar heen. De begrafenisonderneemster had gevraagd waar het bloemstuk van meneer was. Maar meneer was dat vergeten. Chantal zou het wel begrijpen. Ik had voor haar een jade hangertje gekocht bij de Chinees om de hoek. Dat deed ik in de kist.

De avond voor de begrafenis hadden onze vrienden thuis een etentje georganiseerd. We zaten aan een lange tafel. Er werden herinneringen opgehaald, er werd gelachen en gehuild.

De volgende ochtend droegen we de kist het uitvaartcentrum uit. Het was net als toen we elkaar in onze studententijd hielpen met verhuizen. Hetzelfde gestuntel, vingers die bekneld dreigden te raken, het onregelmatige geschuifel van de voeten.

In de aula konden we nog net op tijd iemand van het begrafenispersoneel van een bankje voorin de zaal verwijderen. 'Het is uw begrafenis, meneer', klonk het nu bijna knarsetandend. Terwijl Amalia Rodrigues zong, liep de aula vol.

Ik vertelde iets over het ziekbed van Chantal. Dat ze zo graag tachtig met me was geworden. Dat ze het erg vond om de kinderen van haar zussen en onze vrienden niet te zien opgroeien. Dat ik 'ga maar' tegen haar zei op haar sterfbed, terwijl ik had willen zeggen 'blijf alsjeblieft bij mij'.

Onder de klanken van Boubacar Traor‚'s Mariama verlieten we de aula. De volgorde van de stoet was een logistieke mislukking, maar fil misch wel aardig. Het leek zo'n goed idee: achter de kist de beide moeders. Maar mijn moeder is achtenzeventig en geen hardloopster. Mijn schoonmoeder zit in een rolstoel. Het graf was helemaal achteraan de begraafplaats en we moesten over een grindpad lopen. Ik vreesde dat ik te laat zou komen en trok een beheerst sprintje naar het graf. Daar miste ik het neerzetten van de kist.

Als die handeling niet goed zou worden verricht, zo waren we gewaarschuwd, zou de kist het graf in donderen. Maar de kist stond goed. Bijna goed. Een meegekomen kraai rukte nog een paar keer aan een handvat. Ik kreeg van hem een metalen staf in handen gedrukt waarmee het lift mechaniek in werking kon worden gezet. Toen ik op het mechaniekje drukte, begon de kist meteen schokkend te zakken. Een violist begon te spelen.

We hadden om een schepje gevraagd om zand op haar kist te gooien, maar dat lag er niet. Ik graaide wat aarde bijeen en wierp dat naar beneden. Van een nichtje van Chantal kreeg ik Snoopy te leen. Die pakte zij ook altijd als zij moest huilen, fluisterde ze.

Even later nam de begrafenisonderneemster me terzijde. Het tempo lag te laag. Het zou veel te lang duren voor iedereen weer in de ontvangstruimte was. En of ik vooral de baar niet wilde vergeten.

Ik kreeg die dagen honderden brieven van vrienden, familieleden en kennissen. Tientallen collega's schreven, sommigen citeerden gedichten. Een collega schreef dat hij voor me zou bidden. Dat ontroerde me hevig.

Ik praatte de hele dag hardop tegen Chantal en zocht naar dingen van haar die ik kon dragen. Ik paste haar wandelbroek, keek in de spiegel en zei: 'die krijg je niet meer terug'. Van een kettinkje kreeg ik uitslag en een armband uit Zuid-Afrika kon ik alleen aandoen wanneer ik mijn hand met kokosvet insmeerde. Het waren goedaardige gektes.

Ik wist niet dat verdriet zoveel hinderlagen kon leggen. Was je even tot rust gekomen en deed je een lade open, dan viel daar opeens een briefje uit dat ik haar ooit had geschreven. Met die kattebelletjes was ik begonnen toen we pas samenwoonden en ruzie kregen over het huishouden. Chantal vond dat ik ook de pannen meteen moest afwassen. Ik vond dat je de tube tandpasta nooit in het midden mocht knijpen, maar moest oprollen. Ieder gesprek over dit soort onbenulligheden leidde tot zo'n ruzie dat ik links en rechts 'briefjes van ongenoegen' begon op te plakken. Zij antwoordde daarop. Die briefjes leidden tot veel plezier. Gaandeweg temden we elkaars eigenaardigheden. Ten slotte stond er op die briefjes alleen maar onzin: 'Ik keek in de spiegel vanochtend en lachte, want ik dacht aan jou'. Ook dat briefje had ze bewaard.

Vond ik zo'n briefje, dan raakte ik steeds dieper in de put. Plotseling lokte het balkon. Vier stappen en ik was bij haar. Radeloos belde ik een vriendin. Haar rustige stem bracht weer kalmte.

Een andere gekte was kopen. Chantal lag net twee weken onder de grond of ik had al voor duizend gulden nieuwe kleren gekocht. Eerst een zwarte winterjas en later een zwaar afgeprijsde triple point goretex jas. Goede koopjes waarop ze trots zou zijn geweest. De Australian wax cap had ze afgekeurd. Die deed me te veel op een Japanse kampbeul lijken, zeker nu ik mijn haar had gemillimeterd en was afgevallen.

Een maand na haar dood zou Chantal drieënveertig zijn geworden. Ik zat bij haar graf. Nog steeds had ik geen zerk uitgekozen. Er moest snel iets gebeuren, want de plek was er na een maand regen steeds troostelozer bij komen te liggen. Gehurkt voor de kale, natte aarde kon ik niets anders bedenken dan: 'Lang zal je leven, lang zal je leven.'