BEWUSTZIJN 3

In het uitstekende artikel `Zinloos bewustzijn' van Harm Visser in W&O van 11 september wordt de vraag behandeld: veroorzaakt ons bewuste denken onze handelingen, of is ons bewuste denken slechts een begeleidend – epifenomenaal – verschijnsel? Het is wel jammer dat enkel psychologen aan het woord worden gelaten over de gesignaleerde filosofische vraag; de behandeling van de vraagstelling had kunnen profiteren van enkele filosofische kanttekeningen.

De hoofdvraag wordt door de meeste filosofen, mijns inziens ten onrechte, als vrijwel absurd afgedaan: natuurlijk zijn bewuste gedachten geen epifenomenen! Dit dogma leidt echter tot een conceptueel probleem. Want volgens wijdverbreide opvattingen onder dezelfde filosofen is het tevens zo dat het verband tussen gedachten en hersentoestanden niet wetmatig is, maar dat tussen hersentoestanden en gedragingen wel. Er is dus geen plaats voor een wetmatig (oorzakelijk) verband tussen gedachten en gedragingen.

Deze laatste uitspraak nu wordt in de filosofie gezien als een vervelend conceptueel probleem, een uitspraak die op een of andere manier moet worden `wegverklaard'. De suggestie die men uit Vissers artikel zou kunnen halen is dat deze bestempeling de plank misslaat, gezien het empirisch bewijsmateriaal uit de psychologie dat dezelfde uitspraak lijkt te steunen. De suggestie is verleidelijk, des te meer omdat het empirisch onderzoek waaraan gerefereerd wordt onder filosofen vrijwel onbekend is, maar zij is niet gerechtvaardigd. In de beschreven experimenten wordt namelijk slechts de afwezigheid aannemelijk gemaakt van een oorzakelijk verband tussen de rapportage van bewuste gedachten en de gedragingen waarvan we aannemen dat die door de gedachten worden veroorzaakt.

De hypothese dat beide door de bewuste gedachte worden veroorzaakt – waarbij de causale keten tot de rapportage wat langer duurt dan die tot de (andere) gedraging – wordt hiermee geen strobreed in de weg gelegd. Dit komt doordat we in het conceptuele duister tasten over wat `bewuste gedachten' nu eigenlijk zijn; kennelijk wordt de aanname gehanteerd dat het bijvoeglijk naamwoord `bewuste' impliceert dat de gedachte identiek is met de rapportage ervan. Deze aanname is niet plausibel: het indrukken van een knop is niet identiek met de bewuste gedachte `ik wil nu de knop indrukken', net zo min als mijn poneren van de stelling `De VN moeten in Oost-Timor ingrijpen' identiek is aan mijn bewuste gedachte met die inhoud.

In dit licht bezien komt uit de beschreven experimenten een heel andere suggestie bovendrijven. De vraag is niet zozeer of wij nu wel of niet door ons brein worden gefopt wanneer we menen dat ons gedrag door onze gedachten wordt veroorzaakt, maar eerder: bestaan er eigenlijk wel dingen waarvan alles waar is wat wij denken dat waar is van `bewuste gedachten', en zo niet, welke van die `waarheden' kunnen we het beste laten varen als we zoveel mogelijk intuïties over het gehanteerde begrip intact willen laten? Zoals vaker blijkt het buitengewoon lastig filosofische conclusies te trekken op grond van empirisch onderzoek.