Bedrieglijk rimpelloos

Geopolitiek in de Pamir-vallei n Als de dam van het Sarez-meer in Tadzjikistan breekt, lopen miljoenen mensen gevaar. Het is niet de enige ramp die de bewoners van de Pamir boven het hoofd hangt. In deze regio van botsende beschavingen bedreigen de Talibaan de vrede. Ondertussen betwisten Russische en Amerikaanse geologen elkaars wetenschappelijke bevindingen. Een expeditie langs een notoire breuklijn.

Aanvankelijk klonk het als onschuldig geklepper, van castagnetten bij een flamencovoorstelling, zoiets. Maar het zwol aan als naderend hoefgetrappel.

De voorste jeep stopte, zodat het hele konvooi tot stilstand kwam op de oever van de Panzj. De razende Panzj - waar we dagen naar hadden uitgekeken. De rivier die we die ochtend vanaf de bergpas onder aah's en ooh's gefotografeerd hadden, omdat hij een kloof zo diep als een sabelhouw heeft uitgesleten. En omdat aan de overkant Afghanistan ligt.

'Stel je voor', zei Pamela. 'Op deze oever lezen de kinderen Poesjkin op school. Aan de andere kant hebben ze niet eens scholen.'

Pamela was onze konvooileidster. Een Amerikaanse in een harembroek die al twintig jaar over de wereld zwerft voor het Peace Corps, voor Save The Children en nu dan voor de Verenigde Naties.

Shakar, de Tadzjiekse filmer, overtroefde haar: 'Wij vragen aan een kind: schrijf je met links of rechts? Aan de andere kant heb je de mujahedeen, en die vraagt: schiet je met links of rechts?'

Shakar wist meteen dat we door vallend gesteente werden achtervolgd. Hij wees op een bijna loodrechte gruiswand die met een lichte glooiing op de weg uitkwam. Er brokkelde leisteen af dat klepperend naar beneden roetsjte. Her en der ketsten ook grotere keien omlaag. Toch voelden we ons veilig omdat de afstand groot genoeg leek. Maar Shakar, turend door het oculair van zijn camera, wilde betere shots en liep vijftig, honderd meter het glooiende veld op. Aardbevingen, lawines en breuklijnen - daar was het ons per slot van rekening om te doen.

In stilte keken we naar het afbrokkelen van de berg, totdat iemand 'Kijk! Kijk!' riep. Een enorm rotsblok kwam als een dobbelsteen naar beneden rollen. In een reflex doken we achter de auto's, maar Shakar in het veld kon nergens heen. Hij deed nog een poging om opzij te duiken; zijn camera gleed van zijn schouder, als in slow motion. Het rotsblok stuiterde, scheerde langs hem heen en kwam vlak voor ons tussen de distels tot stilstand.

De hanger om Shakars nek, een dollarteken, was de meeste expeditieleden meteen al bij de kennismaking opgevallen. Net als de buitenlanders had ook hij - al was hij een local - de security briefing bijgewoond die verplicht is voor wie Tadzjikistan onder vn-vlag wil bereizen. Die werd gehouden op de patio van het zwaarbewaakte vn-hoofdkwartier in de Tadzjiekse hoofdstad Doesjanbe. Buiten, achter het gietijzeren hek, heerste de bazaar-achtige drukte van een land dat bijkomt van een burgeroorlog.

Net als Shakar waren de Siberische fotograaf Oleg en ik in gedeeld bij de kwartiermakers. Pamela, die de logistiek verzorgde, noemde ons 'de grondtroepen', om het contrast aan te geven met de duurbetaalde experts die per helikopter zouden reizen. Ons aller doel: het Sarez-meer in het Pamir-gebergte van Oost-Tadzjikistan, niet ver van de grens met China.

Aardwetenschappers zijn ervan overtuigd dat zich in dat meer zoveel potentiële ellende heeft opgehoopt dat de recente oorlog in Tadzjikistan erbij in het niet zou kunnen vallen. Ze noemen Sarez 'de Tadzjiekse Tijdbom'. Al in de Sovjet-tijd waarschuwden Russische geologen dat het meer op dezelfde manier kon verdwijnen als het was ontstaan: door een Big Bang.

De oorsprong van deze watermassa op 3.265 meter boven zee niveau was een aardbeving van 7,2 op de schaal van Richter, in februari 1911. Russische grenssoldaten aan de Panzj, toen nog kozakken in dienst van de tsaar, waren van schrik uit hun posten gerend. Pas dagen later kwamen er alarmberichten uit de ingesneeuwde dalen, waar het dorp Usoi met 180 inwoners en al bedolven lag onder zeshonderd meter puin. Een verkenningsmissie onder leiding van een Russische kapitein rapporteerde later dat er een berg was ingestort die een zijrivier van de Panzj blokkeerde. 'Achter deze puinbarrière vormt zich een meer dat het hogerop gelegen gehucht Sarez bedreigt', schreef de kapitein. 'Wij hebben de dorpelingen geadviseerd dit jaar hun velden niet in te zaaien, omdat die toch ruim voor de oogst onder water zullen verdwijnen.'

De inwoners van Sarez waren geëvacueerd en voor twee jaar vrijgesteld van belasting. Het geblokkeerde dal was vervolgens tot de rand toe volgelopen met een watermassa van 500 meter diep en zeventig kilometer lang. En nu stond de 88-jarige dam op instorten.

Volgens een computersimulatie van Moskouse academici zou een doorbraak van de Sarez-dam dertigduizend bewoners van de Panzj-vallei meesleuren in een vloedgolf van zeventig meter (of beter: een muur van water). Verder stroomafwaarts, langs de oevers van de woestijnrivier Amoe Darja, zouden in totaal vijf miljoen mensen door de overstroming worden getroffen. Een ramp van Bijbelse proporties. 'Mogelijk de grootste uit de geschiedenis', naar het oordeel van de vn. Vandaar de taak van de expeditie: vaststellen hoe acuut het gevaar is, en wat er aan gedaan kan worden.

Niemandsland

Op de binnenplaats van het vn-kantoor in Doesjanbe verzamelden zich een dozijn mannen op bergschoenen: Italiaanse hydrologen, een Duitse geoloog uit Hannover, Canadese bodemkundigen met grondboren, en vijf Tadzjiekse konvooirijders. Maar waar waren de Russen? Waar was Mamajev, die te voet alle breukvlakken langs de kustlijn in kaart had gebracht? Waar was Kazakov - die in de Gorbatsjov-jaren leiding gaf aan het Sarez-observatorium? Bij de voorbereiding van onze reis waren Oleg en ik in de Moskouse Lenin-bibliotheek op een schat aan publicaties gestuit. We hadden Mamajev gebeld met de vraag of hij meeging.

'Mee?' zei hij verbaasd. 'Waarheen?' Hij was niet op de hoogte van welke Sarez-expeditie dan ook. 'Kennelijk zijn wij Russen tegenwoordig persona non grata in de Pamir', was zijn commentaar. Ik vroeg me af wat hij daarmee wilde zeggen. Zo'n wetenschappelijke onderneming als de onze, het kon toch niet anders of die bouwde voort op de bestaande expertise, ook al was die in handen van Russen? Of was hier behalve geologie ook geopolitiek in het spel?

Toegegeven, ook Oleg en ik wilden meer dan verslag doen van de expeditie. We wilden er ook achter zien te komen wie zich met welke belangen in dit bijna ondoordringbare grensgebied waagde. Tadzjikistan was in 1991 tegen wil en dank een land geworden, louter omdat de Sovjet-Unie op een dag uiteenviel. Het land bleek niet opgewassen tegen de onafhankelijkheid, en binnen een jaar brak er een burgeroorlog uit die pas in 1997 eindigde in een gewapende vrede. Onbeslist.

Communisten hebben met steun van Moskou nog altijd de overhand, al moeten ze het landsbestuur delen met islamitische krijgsheren, die ieder hun eigen priv‚-legertje bezitten. Zo is de huidige president van Tadzjikistan een Moskou-gezinde communist, terwijl zijn minister van Defensie het liefst morgen de shari'a - de islamitische wetgeving - wil invoeren. Tadzjikistan is de facto een niemandsland. Een nog niet ingekleurde vlek op de wereldkaart. Het ligt op een notoire breuklijn, waar de instabiliteit van de aardkorst - hier komen de zwaarste aardbevingen voor - wordt verhevigd door man-made rampen als narcotica-oorlogjes, etnisch en religieus geïnspireerde pogroms, struikroverij.

The Great Game

Honderd jaar geleden was deze grensstreek al het decor van een bloedstollende spionage-oorlog, door Rudyard Kipling vereeuwigd als The Great Game. Geheim agenten van de tsaar en het Brits-koloniale imperium troffen elkaar in oasestadjes langs de zijderoute en op winderige passen in de Pamir - totdat beide rijken uiteindelijk in 1895 de Panzj als grens erkenden. Nu, een eeuw later, wijst de politicoloog Samuel Huntington in zijn boek The Clash of Civilizations dit schemergebied tussen de Slavisch-orthodoxe invloedssfeer van de Russen en de islamitische wereld van de ayatollah's opnieuw aan als een explosieve conflictzone.

Klopt dat? Wat is daar van te merken? Hoe voltrekt zich zo'n 'botsing der beschavingen' in de praktijk?

Ik vroeg aan expeditielid Jorg Hanisch uit Hannover, die mij een no-nonsense aardwetenschapper leek, of hij de Sarez-literatuur had bestudeerd. 'Ja', zei hij. 'Maar er is maar heel weinig. Een paar pagina's op Internet, dat is alles.'

En de Sovjet-verslagen dan?

'Die zijn in het Russisch', riep hij uit. 'In de Engelstalige vakbladen is nog niets verschenen. Ik hoop tenminste als eerste te publiceren.' Hoe pijnlijk. Moskou raakt niet alleen zijn greep op de wereld kwijt, zelfs zijn academisch werk telt niet meer mee. De Sarez-expeditie van juni 1999 is in elk geval een Noord-Atlantisch onderonsje. Voertaal: Engels. Regie: Amerikaans.

Op de patio van het vn-kantoor verscheen een zwaargebouwde New-Yorker met een walkietalkie op zijn heup, type gevangen bewaarder. Het was zijn taak ons in te lichten over de avondklok van tien uur en de sporadische vuurgevechten. 'The war is over', zei hij. 'But there are still many guns around.'

Losgeslagen krijgsheren konden van de bergen afdalen op zoek naar buitenlandse gijzelaars, die miljoenen aan losgeld opbrachten. Om dat gevaar te bezweren kregen we een politie-escorte mee. Bovendien zouden we de grens volgen langs de rivier de Panzj, de enige route die gegarandeerd in handen was van regeringstroepen 'dankzij een legermacht van zo'n 23.000 Russische grenswachters.' Met hun tanks, mortieren en Krokodil-gevechtshelikopters vormen de Russen een ondoordringbaar scherm tegen het religieuze fanatisme van de Talibaan.

Het was dus volgens de Amerikaan een misverstand te denken dat de Russische rol in de onderbuik van het oude Sovjet-rijk is uitgespeeld. Hun hegemonie is gebroken, dat wel. De grenstroepen onder Moskous bevel moeten tegenwoordig een vn-leger van militaire waarnemers naast zich dulden, blauwe baretten die toezicht houden op de breekbare vrede.

De meeste indruk die middag op het vn-kantoor maakten de in memoriams op het prikbord in de hal. Daar hingen fotootjes van de besnorde Adolfo Scharpegge, 38 jaar, uit Uruguay, van de Poolse majoor Swerszczyk, van de Japanner Yatuka Akino, in innige omhelzing met zijn tolk, elk met de datum van hun gewelddadige dood. 'Gestorven in dienst van de vrede.'

Sluipweggetje

Pas veel later, aan de oever van de Panzj, realiseer ik me dat niemand ons heeft gewaarschuwd voor lawinegevaar. Shakar is on gedeerd, maar kan van schrik niets uitbrengen. Steunend op de motorkap van een van de jeeps veegt hij het stof van zijn broek.

Ook zijn camera blijkt niet te zijn geraakt door het vallend gesteente. Op Pamela's vraag of hij in orde is en of we verder kunnen, antwoordt Shakar met een flauw knikje.

Het is de derde reisdag van onze expeditie. We hebben veel vertraging opgelopen bij de checkpoints van onderbetaalde, maar tot de tanden bewapende soldaten. De route langs de Panzj is honderden kilometers lang, en over een paar uur al worden onze 'luchtlandingstroepen', de geologen, per helikopter aan het Sarez-meer gedropt, en wij, de kwartiermakers, zijn nog niet eens halverwege.

In de laadbakken van de pick-ups liggen canvas tenten, primussen en gasflessen, vlees- en visconserven, gevriesdroogde groenten, honderd kilo ui. 'Er is daar niets te eten', zegt Pamela. 'De bevolking leeft al zes jaar op voedselhulp.' De konvooileidster heeft pasta ingeslagen voor de Italianen, shortbread voor de Britten, cornflakes voor de Canadezen. 'Ik moet toch rekening houden met de nationale voorkeuren?' Het basiskamp dat we gaan opzetten - op 22 kilometer lopen van het meer - lijkt een vijfsterrenhotel te worden ter ondersteuning van de experts in de bergen.

Nog geen uur later worden we tegengehouden door Russische grenswachters. De doorgang is versperd. Met de loop van zijn kalasjnikov wijst een sergeant op het bivak van gestrande vrachtauto's bij de rivier. Er is een nederzetting van wachtenden ontstaan, compleet met geïmproviseerde stalletjes met biscuits, wc-papier en scheermesjes. Onder elke vijgenboom blijkt een familie te wonen. Hoe lang al? 'Vier dagen', zegt een zigeunerin, spelend met haar ketting van bloedkoraal. 'Zes', roept een man die het waterpistool van zijn zoontje aan het vullen is.

Pamela heeft met de genietroepen gesproken en brengt verslag uit. De weg is niet versperd, er is geen weg. We staan voor een kilometerslange kloof waarachter de eigenlijke Pamir pas begint. De doorgang raakt elk voorjaar bedolven onder lawines, zo moeten we begrijpen, en bij het puinruimen is een ongeluk gebeurd. De dynamietploeg wilde een rots opblazen, maar daarbij is een hele bergwand, met weg en al, in de Panzj gestort. De bulldozermachinisten denken nog 24 uur nodig te hebben om een noodweg te banen.

Wat te doen? Pamela klapt haar telefoon uit in het gras, en belt met het vn-hoofdkwartier. Omdat we in een kring staan mee te luis teren, krijgen we het bevel ('onmiddellijk terugkeren') pets! als een natte lap in het gezicht gesmeten. De enige andere route naar de Pamir loopt met een boog door Oezbekistan en Kirgizië, een omweg van duizenden kilometers. Het wil niet tot ons doordringen dat we, met de gletsjers van het Pamir-gebergte in zicht, rechtsomkeert moeten maken. Maar het vn-hoofdkantoor is onverbiddellijk: het konvooi krijgt geen toestemming om aan de grens te overnachten. Te gevaarlijk - wegens de nachtelijke infiltratiepogingen van opiumsmokkelaars en jihad-strijders.

Hebben we ons daarvoor al die inspanning getroost? Oleg en ik klampen in het wilde weg gestrande passagiers aan met de vraag of er niet toch een kortere omweg of een sluipweggetje is. 'Als je te voet gaat wel', zegt een man met een bodywarmer van schapenvacht. 'Er is een geitenpaadje langs de rivier.' Hij heet Hussein en is hierheen komen lopen op zoek naar iets te eten. Zijn auto, een Kommandir-jeep van Sovjet-makelij, staat aan de andere kant van de kloof geparkeerd.

'Wacht', zeggen we. Het is nu of nooit. Pamela staat op het punt met het konvooi te vertrekken. Maar als we een verklaring tekenen dat we de Verenigde Naties nergens voor aansprakelijk houden, dan mogen we gaan. We tekenen grif en nemen afscheid van haar en Shakar. Met Hussein als gids lopen we even later het Pamir-gebergte binnen. Achter ons rijdt een lint van witte pick-ups, elk met blauw vn-vlaggetje, terug naar af.

Pamiroloog

De avond voor het vertrek uit Doesjanbe hadden Oleg en ik een bezoek gebracht aan Dodichudo Karamsjoejev, professor in de Pamirologie. Een man met een gelooide huid, 70 jaar oud, de eerste Pamir-deskundige afkomstig uit de Pamir.

Hij somde op: 'Gotier. Geiger en Lenz. Morgenstern. Zaroebin.' Befaamde kenners van de Pamir-talen. 'Allemaal buitenlanders!' Zelf was hij opgeleid door Ivan Zaroebin, oriëntalist in Leningrad. Al pratend leidde Dodichudo ons naar zijn bovenhuis, waar een tafel stond met in het midden een schaal plov. Rijst in katoenzaadolie, bedekt met dampend schapenvlees.

Zijn leermeester, Zaroebin, had in 1914 deelgenomen aan de eerste etnolinguïstische Pamir-expeditie, en had het dorp Sarez nog gezien voordat het was verzwolgen. Alleen de daken en de abrikozenbomen staken nog boven het water uit. Op zijn sterfbed, een halve eeuw later, had hij Dodichudo opgedragen het unieke Sarez-dialect te redden voordat het zou uitsterven. 'Dat heb ik gedaan',

zei de professor. 'Het is alleen nooit gepubliceerd.'

Hij pakte een uitpuilende map uit een lade, en liet ons door de getypte vellen bladeren. Ooggetuige No. 1: Daftari, luidt de aanhef. Het gebeurde om elf uur 's avonds. Iedereen sliep. We werden wakker van een schok, en een donder die maar niet ophield. Pas toen het licht werd, bleek dat het dal was gevuld met modder en steen, ter hoogte van Usoi.

Er was een schrift vol legenden. En eentje met 'de woordenlijst van de Sarez-taal.' Tussen de papieren lag ook een foto van Dodichudo in jaren-vijftig-tenue. Met een handbrede stropdas voor en een Tiroler jagershoedje op interviewt hij een overlevende van Sarez.

'Taal is de sleutel tot onze geschiedenis', zei Dodichudo. Het door Moskou veroverde deel van Centraal-Azië was overwegend Turkstalig, alleen de Tadzjieken spraken Perzisch. 'En wij in de Pamir: Sjoegni, Roesjani, Bartangi, Waxi', zei onze gastheer. 'Elke vallei een eigen taal.'

Dodichudo vertelde dat de bolsjewieken in de jaren dertig het Sjoegni, min of meer de lingua franca, op schrift hadden gesteld om de Boodschap van de Revolutie te verbreiden. Maar de deelnemers aan dat taalproject waren allemaal door Stalin geliquideerd nadat de Waxi-sprekers ('En wij, waarom krijgen wij geen geschreven taal?') hun onvrede hadden geuit. Voor Stalin waren deze linguïs-ten huurlingen die namens de Britten verdeeldheid zaaiden aan de randen van het Sovjet-rijk. Hij overwoog de Pamir-volken te deporteren. Dat had hij gedaan met de Krim-Tataren, de Wolga-Duitsers, de Tsjetsjenen en de Koreanen.

'Maar wij ontsprongen de dans', vertelde Dodichudo, 'omdat het grensgebied met Afghanistan, eenmaal ontvolkt, nog moeilijker te verdedigen zou zijn.'

Strijders van Allah

Voorbij de tunnelachtige kloof voelt het alsof we in een sprookje uit duizend-en-een-nacht zijn beland. We reizen verder in de jeep van Hussein. Elk dorp in de Panzj-vallei staat in bloei. Kleine oases zijn het van moerbei en abrikoos, waar de bloesem door de autoraampjes naar binnen waait. Op de Afghaanse oever trekken jagers voorbij met muilezels en paarden. Ze voeren een vrouw mee die is gehuld in een piranzja, een sluier van top tot teen. Wordt ze uitgehuwelijkt? Verkocht? Aan onze kant van de rivier staan telegraaf palen en op de rotsen zijn mitrailleurnesten gebouwd waaruit de vuurmonden steken van Russisch veldgeschut. Tot zover de vooruitgang.

Als we uitstappen op zoek naar benzine voor Husseins jeep stuiven de dorpskinderen uiteen. De kleinsten slaan hun knuistjes voor de ogen en zetten het op een huilen als Oleg zijn lens op hen richt.

Volgens Hussein hebben ze nog nooit een fotograaf gezien, maar wel gewapende lieden die dood en verderf zaaien. 'Ze kennen het verschil nog niet', zegt hij.

Onze chauffeur is een gelovig moslim, een soenniet met een fluwelen bidkleedje in het handschoenenvak. Hij rijdt uitsluitend op de grensroute - onder dekking van Russische geweerlopen - omdat het binnenland hem te onveilig is. In februari wilde hij een kortere weg naar Doesjanbe nemen, en was prompt in handen van wahabieten gevallen, moslimmannen verwant aan de Talibaan die zich nimmer scheren. 'Ze zetten hinderlagen op. Ik reed zo in de val.' Vier dagen hielden ze hem in gijzeling, terwijl ze rondreden in zijn jeep. 'Wij zijn strijders van Allah', zeiden ze. 'Als we een wod-kafles in je auto hadden gevonden, of zelfs maar een bierblikje, dan was je er geweest. Maar jij bidt, jij bent een van ons.'

Ze hadden hem laten gaan, maar sindsdien is Hussein op zijn hoede. Voor zonsondergang moeten we het garnizoensstadje Kalaikoem bereiken, verzekert hij ons, want als het donker wordt schieten de Russen op alles wat beweegt. Er gaat geen week voorbij of er worden drugskoeriers neergeschoten. 'Ze gooien of schieten een harpoen naar de overkant met daaraan een kabel, waarlangs ze hun vlot of rubberboot over de rivier trekken', zegt Hussein. Sommige Russische wachtlopers, die zelden soldij ontvangen, turen nachten aaneen de verkeerde kant uit in ruil voor een deel van de opbrengst.

'En toch', zegt onze chauffeur, 'kun je beter drugssmokkelaars tegenkomen dan studenten'. Studenten - dat is een eufemisme voor het ergste kwaad, de Talibaan, die als leerlingen aan de koranscholen in Pakistan hun heilige oorlog hadden uitgebroed. 'Iedereen is bang voor de studenten', zegt Hussein. 'Ze controleren het grootste deel van Afghanistan en rukken langzaam op naar de oude Sovjet-grens.'

Kalaikoem, dat we nog voor de avondklok bereiken, draagt de lit tekens van de in 1997 beëindigde oorlog. De kabelbrug naar Afghanistan is verwoest, het filiaal van de Agrobank uitgebrand.

De Russische troepen hebben een zekere mate van normaliteit gebracht, maar geen voedsel. Ze hebben de stroomvoorziening hersteld, zodat wij thuis bij de benzinehandelaar Fahid als door een wonder naar het Tadzjiekse tv-nieuws kunnen kijken.

'Goedenavond Tadzjikistan' bericht zowaar over de Sarez-expeditie. Er is een verslag van de dropping van de andere expeditieleden aan het meer. We zien de contouren van een motorbootje, en een man die een monster neemt of de diepte probeert te peilen. 'Dat is Jorg', zeg ik wijzend naar het scherm. 'Jorg Hanisch. Ik herken hem aan zijn hoedje.'

De nieuwslezer meldt: 'Iedere buitenlandse expert werkt samen met een Tadzjiekse collega van gelijk academisch niveau.' Over de terugkeer van ons konvooi met de tenten, de kookstellen en het voedsel: geen woord. Weten ze wel dat hun bevoorrading over land is mislukt? Hoe denken ze zich daarboven in leven te houden, verstoken van shortbread, cornflakes en pasta?

Oleg en ik realiseren ons hoe weinig proviand we bij ons hebben. Al is het aanbod op de bazaar van Kalaikoem mager, de volgende morgen kopen we stapels koekjes, snickers en blikjes tonijn, zoveel als we de berg op kunnen tillen. Uit voorzorg onderwerpen we de zware spullen in onze bagage aan een extra inspectie: de vijf fototoestellen van Oleg (onmisbaar), mijn notitieblok (idem) en een zaklantaarn (nuttig).

Ontwikkelingscircus

Voorbij het dorp Roesjan, waar we de Panzj verlaten en het zijdal naar het Sarez-meer inrijden, zijn geen levensmiddelen meer te koop. Wel zijn er op deze laatste honderd kilometer sporen van de Internationale Hulp. Geen brug, schooltje, irrigatiepomp of er staat een bord bij. 'usaid'. 'Sponsored by gtz, Germany'. 'Novib, The Netherlands.' De Pamiri's zijn ontdekt door het ontwikkelings circus. Hier geen kinderen die schrikken van een camera, integendeel, ze doen enthousiast voor hoe ze voedselhulpje spelen met zelfgemaakte vrachtwagens. Het is simpel, iedereen kan meedoen. Neem een leeg blik zonnebloemolie ('from the friendly people of the usa'), buig het om tot een laadbak en een cabine, bevestig er houten schijfjes onder, en hup, rij mee in het vrolijke voedselkonvooi.

Het is een onwerkelijke gedachte: hoe dichter we bij de dam komen, hoe kleiner de kans dat de dalbewoners de ramp-op-termijn overleven. Beeld je in, zeg ik tegen Oleg, dat de dam doorbreekt en dat daar, bij die bocht, een reusachtige golf aan komt, die alles wegspoelt, inclusief onze Kommandir-jeep. In het computermodel is voor elk dorp berekend hoeveel minuten na t=0 (het moment van de doorbraak) het water zal arriveren. Maar aangezien alleen Roesjan bij de ingang van de vallei over een radio beschikt, kan niemand op tijd gewaarschuwd worden.

We passeren de in wolken gehulde Piek van de Revolutie (6.940 meter), en aan het eind van de middag bereiken we de laatste nederzetting, Bartsjediev, dat gedoemd is er na drie minuten als eerste aan te gaan. Bij de ingang naar het dorp staat iemand op de uitkijk. Hij houdt onze jeep aan met de mededeling: 'Jullie zoeken mij.'

Mardonna is zijn naam. Hij is onze gids, zegt hij. Tevens reddingswerker in dienst van de Tadzjiekse overheid, en klaarblijkelijk geïnstrueerd over de expeditie, want hij vraagt: 'Waar is de rest van het konvooi?' De reddingswerker, een man met ravenzwarte wenkbrauwen, tilt onze spullen in zijn huis - een raamloze hut met een luchtgat in het dak. Zijn vrouw en kinderen zitten op houten banken die om de kookpot zijn gebouwd, waarboven een zuil van daglicht staat. We krijgen thee, en roggebrood zonder zout. Oleg vraagt om suiker, maar Mardonna verontschuldigt zich. Er is geen suiker en ook geen zout. Als hij ons later die avond een irrigatieslootje laat zien, waar we ons kunnen wassen, vraagt hij voorzichtig of dit goed genoeg is. 'We hebben helaas geen zeep.'

Opeens schamen we ons voor onze rijkdom. De blikjes tonijn, de uit Doesjanbe meegesleepte Spaanse chorizo. We willen delen wat we hebben, maar het huis is inmiddels volgestroomd met neven en nichten, nieuwsgierige buren. Er zou niets overblijven voor de voettocht naar het meer, en dus dopen we zwijgend onze broodkorsten in de thee. Net als iedereen. Wat valt er te zeggen?

'Zonder hulp van de buitenwereld waren de meesten van ons doodgegaan van de honger', zegt Mardonna.

Hoewel we steeds naar de broze dam hebben uitgekeken, laten we ons toch nog verrassen wanneer Mardonna een berg aanwijst die anders dan de andere bergen uit losliggend gesteente is opgebouwd. 'Deze wand is zeshonderd meter hoog', zegt hij als we aan de voet van de steenmassa staan. 'En hij kruipt.' Het is moeilijk voor te stellen dat er tegen de achterkant een waterkolom van een halve kilometer drukt: het Sarez-meer.

Een beangstigend idee? Mardonna zegt dat hij er geen moment van wakker ligt. 'Je gaat toch een keer dood.'

Oleg heeft een bandietensjaaltje om zijn kop gebonden tegen de straaltjes zweet die anders in zijn ogen stromen. Acht uur hebben we nu gelopen en de klim naar het Sarez-meer valt ons zwaar. Mardonna springt onvermoeibaar van steen tot steen. Hij en zijn broer Beg leggen deze 22 kilometer elke maand af, wanneer ze elkaar afwisselen in het waarnemingsstation. Beide broers bemannen om de beurt het radiohuisje aan het meer. Is er een aardbeving, een lawine, of stort het waterreservoir zich eindelijk in de diepte, dan seinen ze dat door aan Doesjanbe. 'Ik kan wel de president waarschuwen, maar niet mijn vrouw en kinderen', zo vat de reddingswerker zijn taak samen. Zijn loon is omgerekend vijf dollar per maand.

Oleg en ik zijn kapot, we kunnen amper nog denken. Maar Mardonna moedigt ons aan: Kom op, nog zeshonderd meter klimmen en we zullen Sarez zien. Op handen en voeten klauteren we tegen de rotsblokken omhoog. Ergens onder ons liggen de mannen, vrouwen en kinderen van Usoi. We grijpen in gips, brokken magnesium, koolstof, gele zwavelkristallen. Er ligt hier een berg binnenstebuiten en het hele periodiek systeem der elementen geeft zich bloot. Ik ben vergeten hoeveel water er volgens de metingen van de Rus Kazakov onder ons door sijpelt, en met welke snelheid, maar ik herinner me wel zijn conclusie: 'De dam is zo instabiel als wat.'

Fjord

Als we drie uur later de top bereiken, lijken alle gedachten uit mijn hoofd te vlieden. Ineens is daar de kalmte van het water. Wat een rust, wat veel kleuren blauw. Sarez is smal, maar lang en diep. Als een fjord. De basaltblokken aan de oever en de witbepoederde hellingen in de verte suggereren een bedrieglijke vrede.

Terwijl wij op adem komen in de ijle lucht, plukt Mardonna tijmstruikjes waarvan hij een vuurtje stookt. 'Als mijn broer Beg de rook ziet, komt hij ons halen met de motorboot.' Een uur later horen we het gepruttel van de Progres-II die ons naar het geologenkamp op de zuidoever van het Sarez-meer brengt.

Dr. Jorg Hanisch zit op een plastic tuinstoeltje voor zijn tent. Karl, een Zweedse stuwdamingenieur, is bezig zijn sokken aan een scheerlijn te hangen. Zodra ze de boot van Beg zien aankomen, kijken ze verbaasd op. 'H‚ daar! Waar komen jullie vandaan?'

De bewoners van het kamp, een man of tien, lopen allemaal uit om ons te begroeten. Twee dagen hebben ze uitgekeken naar de overige expeditieleden, maar er was niemand komen opdagen. De sloep wordt op het kiezelstrand getrokken, onze spullen worden aangepakt.

De Tadzjieken die hier bijna permanent bivakkeren zijn een taai ploegje overlevers. Op zichzelf aangewezen. Ze zeuren niet over de kou 's nachts of over het gebrek aan comfort. Het observatorium van Mardonna en Beg is een houten keet met zendapparatuur en een eenzame latrine. Speciaal voor de buitenlandse gasten staan er zes vluchtelingententen, een donatie van The Islamic Republic of Iran.

Beg leidt ons rond. In de veldkeuken, bestaande uit houten bankjes onder een legergroen zeil, stelt hij ons voor aan Barachat, een Pamir-meisje met een honkbalpet van de Dallas Cowboys. Ze staat vis schoon te maken voor het avondeten. 'We leven op vis en steenbok', merkt Beg op. Uit een teiltje tilt hij een paarsige lever: de buit van de afgelopen nacht. De andere delen van het bokje zijn aan de dakgoot van het huisje gespijkerd, zodat het vlees versterft en malser wordt.

De leider van de basis is ingenieur Sergej Baratov, een Tadzjiek met een scheut Russisch bloed in de aderen. Hij wijst ons een tent toe, en komt zelf het beddengoed brengen. 's Avonds in de veldkeuken blijken hij en Barachat te bedienen, zonder dat ze zelf aanschuiven.

'We worden als vorsten behandeld', beaamt Jorg. Als senior expert is hij verbonden aan het Bundesanstalt fur Geowissenschaften in Hannover, en is de helft van de tijd van huis. Van de modder- en lavastromen uit de Nevado del Ruiz in Colombia reist hij naar overstromingen in Nepal en vandaar naar aardverzakkingen in Patagonië. Een rampgeoloog. Primitieve omstandigheden deren hem niet. 'Weet je waar ik niet tegen kan? Van die dure hotels waar in de lift Fur Elise klinkt.'

Carl, de Zweed, is onder de indruk van het Sarez-meer. Maar Jorg schudt zijn hoofd, hij heeft het allemaal al eens gezien. 'In de Himalaya heb je ook zo'n meer dat het al tientallen jaren houdt.' Sarez is volgens hem alleen uniek in omvang. 'Maar moet je nu alarm slaan, omdat dit meer statistisch gezien al enkele decennia te lang bestaat? Je zou ook kunnen redeneren dat de dam kennelijk stabiel is.'

Als de Duitser en de Zweed zijn gaan slapen, vraag ik de Tadzjieken naar het nut van deze Sarez-expeditie.

'Tsja', zegt Sergej. 'Het meer wordt al sinds 1915 onderzocht en er zijn stapels publicaties over.' 'We weten alles al', vult Barachat aan. Zij blijkt helemaal geen kok te zijn, maar geoloog-ingenieur. Ineens herinner ik me de nieuwslezer van 'Goedenavond Tadzjikistan': Elke buitenlandse expert werkt samen met een Tadzjiekse collega van gelijk academisch niveau. Samenwerken betekent in dit geval: bedienen.

'Natuurlijk zijn we daar niet blij mee', zegt Sergej. 'Maar laten we wel wezen: als Jorg en Carl rapporteren dat het meer instabiel is, dan krijgen we geld. Ons oordeel doet er niet toe.'

Barachat rolt kaarten uit waarop de breuklijnen in het gebergte zijn ingetekend. 'We observeren die en meten de verzakkingen.' Ze vertelt dat de berg pal tegenover het kamp op instorten staat. Als die in het meer valt, bijvoorbeeld door een aardbeving, ontstaat er een huizenhoge golf die over de dam slaat. 'En dan komt het erop aan', zegt Sergej. 'Bezwijkt hij of niet.'

Piek van Stalin

Jorg en Carl werken niet met kaarten, zo blijkt de volgende ochtend, zij hebben foto's. 'Satellietopnamen', zegt de Duitser. 'Kijk hoe gedetailleerd ze zijn. Deze vlekjes hier, dat is ons tentenkamp.' Hij heeft ze besteld bij de Defense Mapping Agency van het Pentagon. Die beschikt over militaire satellieten, heel nauwkeurig. De hoogste berg van de Pamir staat erop, de Piek van Stalin (7.495 meter), die onder Chroesjtsjov de Piek van het Communisme werd genoemd en die dit jaar pas een nationale Tadzjiekse naam heeft gekregen. Zelfs de bergformaties nemen hier deel aan het politieke steekspel. De meeste namen zijn nog van de Sovjets, die hun annexatie van de Pamir via de aardrijkskundeles hebben willen inpeperen. Je hebt de toppen van Lenin, Marx en Majakovski, de dichter, en bergketens met de naam Academie der Wetenschappen of Bond der Sovjet-Officieren.

Maar nu, langzaam maar zeker, nemen Westerse pionnen subtiel bezit van deze bergen. Geologen als Jorg en Carl, uitgerust met hun spionagefoto's. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de aardwetenschappers een soort Game-in-een-Game spelen. Geopolitiek verpakt als geologie, daar lijkt het op. Het Amerikaan se ruimteoog toont de sporen van dat hedendaagse spel. Want behalve de witte vlekken van ons tentenkamp zijn ook de restanten te zien van het Sovjet-observatorium: twee rijen huisjes aan een verderop gelegen baai. Hier had de geoloog Kazakov in de jaren tachtig de leiding. En Mamajev gebruikte het station als uitvalsbasis voor zijn trektochten rond het meer.

Maar de Russen zijn uitgerangeerd in deze contreien, de dekolonisatie is in volle gang. Meteen na de onafhankelijkheid hebben de Tadzjieken hun eigen waarnemingsstation gebouwd, afwisselend bemand door Mardonna en Beg. Een primitieve maar geschikte basis, zo blijkt nu, om Westerse experts uit te nodigen die mogelijk toegang bieden tot kredieten van de Wereldbank en andere moderne, internationale instellingen. De Sovjet-basis is al weer jaren verlaten - op een Rus na die Viktor heet.

Jorg uit Hannover heeft Viktor in het ruïnedorpje ontmoet. 'Hij onthaalde ons op wodka', zegt hij. 'Toen hij hoorde dat ik uit Duitsland kwam, riep hij een paar keer Gutentag en begon toen over Goethe.' Terwijl ik hem aanhoor bedenk ik dat deze Rus, anders dan de drieste kozakken van destijds, bepaald geen grensverlegger is, eerder een restfiguur die is achtergebleven toen het rijk waar hij deel van uitmaakte verschrompelde. In de Sovjet-tijd, zo had Mardonna verteld, vlogen de Mi8-legerhelikopters af en aan met diesel, apparatuur, voorraden levensmiddelen en zelfs kranten en tijdschriften uit Moskou. Maar het Sarez-meer is de Russen ontnomen, zelfs als studieobject.

Alleen de 64-jarige Viktor wilde maar niet vertrekken. 'Hij praat met de vogeltjes', vertelt Barachat. Als meteoroloog houdt hij nog altijd zijn weerrapporten bij, die hij bij haar komt ruilen voor meel en tabak. 'Hij rolt sigaretten van een nummer van het weekblad Argoementy i Fakty uit 1991', zegt ze. 'Ik vraag me af of hij weet wat er sindsdien in de wereld is gebeurd.'

Sarez-overlevende No. 1, Daftari, destijds geïnterviewd door

professor Dodichudo, is in 1985 gestorven. 'We werden wakker van een schok, en een donder die maar niet ophield', vertelde hij de professor.

Op 11 juni 1999 om 06.10 uur krijgen we een flauw idee van de rilling die er in 1911 door Daftari heengegaan moet zijn. De zon is nog niet boven de bergen of er kaatst een alarmerende knal tussen de gletsjers, na een paar tellen culminerend in een aanhoudende donder. De grond onder onze slaapmatjes beeft, en iedereen is op slag wakker.

Barrevoets, in lange onderbroeken, schieten de wetenschappers uit hun tenten. Voor onze ogen - op een paar honderd meter afstand - stort een rotswand in het meer. 'Pas op! De golf!' roept Sergej. Terwijl wij naar de hap uit de berg kijken, wijst hij op het water. Het oppervlak begint te deinen en er ontstaan concentrische cirkels. 'De boot!' beveelt Sergej. 'Trek de boot op het strand!'

De Progres II slaat los, net voordat Mardonna en Beg rennend de vloedlijn bereiken. Het metalen kuipje tolt van links naar rechts, kapseist half maar komt weer overeind, als een speelgoedbal op de neus van een zeehond. Beg grijpt het ding bij de voorplecht, maar hij wordt meegesleurd en valt in het water. Bij de volgende golf spoelt hij samen met de boot op het strand aan.

De balans: hij heeft zijn been opengehaald, en er zijn twee dieseltankjes overboord geslagen.

Na een half uur is het meer weer rimpelloos. M