Zelf kunnen ze het niet meer

Steeds meer schrijvers kiezen het verval van hun ouders tot onderwerp.

Een moeder wordt oud en sterft, de vader gaat dood. Dat laatste woord, `dood', is kortaangebonden. Het klinkt als een onverhoedse gebeurtenis. Maar dat is niet zo. Doodgaan is meestal niet een verkeersongeluk van met honderdtwintig kilometer tegen een boom rijden of een fatale valpartij van een hoge berg. Het is het slotakkoord van een trage en geleidelijke ontwikkeling.

Dat proces heet verouderen, het verlies van geestelijke en lichamelijke vermogens. Het kan jaren duren. Dementie, zegt men, aderverkalking, Alzheimer, verval. De mens verliest alles; herinneringen vervagen, gisteren of tien jaar geleden bestaan niet of lopen door elkaar heen. De bodem valt weg. De ziekte van veroudering is een spons die de letters wegwist van het schoolbord en een zwart vlak achterlaat. Een moeder of vader herkent het eigen kind niet. Het vertrouwde huis wordt noodgedwongen verlaten voor een verzorgingstehuis. Ouders zijn hulpbehoevend geworden, de kinderen kunnen hen niet langer bijstaan.

De laatste jaren zijn opmerkelijk veel boeken en toneelstukken geschreven door auteurs, die met erbarmen en ook verbijstering berichten over de lotgevallen van de aftakelende mens. Veelal betreft het hun eigen ouders. De toon ervan is er een vol mededogen over het slopende proces, dat zich in het hoofd van de bejaarde afspeelt. Niet de rebellie van de opstandige jeugd tegen de sterke vader of heerszuchtige moeder overheerst, maar begrip; kinderen beseffen op pijnlijke wijze hun machteloosheid. Telkens staat de schrijver tegenover zijn ouders als een vreemde. Is die man in zijn rolstoel mijn vader? Is die vrouw in die zaal tussen andere halfdode kamerplanten mijn moeder? De titels van deze veel gelezen boeken geven die vervreemding aan, zoals De moeder van Nicolien (1999) van J.J. Voskuil of Mevrouw mijn moeder (1999) door Yvonne Keuls.

Een van de treffendste en aangrijpendste toneelstukken over ouderdom is de monoloog U bent mijn moeder van Joop Admiraal uit 1982. Admiraal schreef en speelde, in een dubbelrol, zelf het stuk. Hierin gaat een jongeman op bezoek bij zijn moeder; ik herinner me een hekje waar de acteur overheen springt als hij de moederrol vertolkt. De oude vrouw vat dood en leven kort en bondig samen: `Je bent een blad aan de boom en dat is alles.' En meteen daarop wijst ze verrukt op de schoonheid van de bomen om haar heen, denkt hardop: `Ik heb nooit geweten dat het zo mooi was.' Zij is haar vorige zin alweer vergeten.

Het toneelstuk van Admiraal verwoordt de kern van veroudering; de wanhopige zoon kan zijn moeder niet bereiken, ze is een `U' geworden, een ander, verdoold in het ijsveld der dementie. Haar wereld is voor iedereen ontoegankelijk. Ouderdom eist tal van slachtoffers; niet alleen de oude mens zelf, ook de verwanten.

Honderd jaar geleden haalde slechts een fractie van de mensheid de leeftijd van 65 jaar. Grootouders woonden bij hun kinderen in, al was dat ook niet altijd even plezierig. Verzorgingstehuizen waren er niet of heetten gesticht of gekkenhuis. In het na-oorlogse Nederland laten kinderen, vaak na moeizaam familieberaad, hun ouders opnemen in verpleeginrichtingen. Het is het eerste onheilspellende teken van het naderende afscheid. Kinderen, inmiddels volwassen en zelf ouder, kunnen de zorg niet aan; ze zijn niet in staat hun dementerende vader of moeder te wassen, te helpen. Bovendien kan geestelijke aftakeling gevaarlijk zijn. Was de keuken voor de gezonde, jonge moeder een vertrouwde plaats, de oude vrouw doet kaas in de centrifuge, draait de gaskraan van de oven open maar vergeet een lucifer aan te strijken; de oude vader smeert scheerzeep niet op zijn wangen of kin maar op de muur en gaat vervolgens met het mesje over zijn keel of verwart Nivea met broodbeleg. Een vrouw die haar leven lang coupeuse was, staat ineens radeloos met een schaar in handen.

De roman Vroeger is dood (1976) van Inez van Dullemen is het authentieke relaas van de wanhoop en vertwijfeling van een dochter, die getuige is van de aftakeling van haar ouders. Deze roman is een voorloper van Mevrouw mijn moeder, De moeder van Nicolien en U bent mijn moeder. Ook het boek De vader, de moeder & de tijd (1999) van Marijke Hilhorst, aangekondigd als `Familiekroniek', beschrijft nauwgezet de teloorgang van de ouders. In al deze boeken komen we kinderen tegen die beslissingen moeten nemen over hun ouders; zelf kunnen die niets meer. De rollen zijn omgedraaid, de wereld staat op zijn kop: de krachtige vader en de mooie moeder zijn kinds geworden. Een wurgend schuldgevoel is het gevolg.

`Liquidatie' noemt Van Dullemen dit verval van een leven. Evenals bij Voskuil, Keuls en Hilhorst schuilt de overtuigingskracht van deze boeken, die puur autobiografisch zijn, in de waarneming van die steeds kleiner wordende wereld van de oude mens. Het huis, waarin de kinderen opgroeiden, moet achtergelaten worden en daarvoor komt een kamer in een vreemd, kil gebouw in de plaats; de bezittingen passen tenslotte in een ladenkast. Sieraden mogen niet mee, die kunnen gestolen worden; koken kan evenmin, te gevaarlijk. Een vader plast in zijn bed, een moeder draagt luiers. `Ouderdom,' schrijft Van Dullemen, is dat `ergens in dat hoofd er een controlepost (moet) zijn uitgevallen, een seinwachter heeft de boel erbij neergegooid en nu opereren de spieren op eigen houtje. Er is niet veel voor nodig, het kan iedereen overkomen.'

Geestelijke aftakeling is, meer dan welke ziekte ook, het schrikbeeld van de tweede helft van deze eeuw. Uiteindelijk krijgt iedereen, hoe kerngezond ook, ermee te maken. `Als we maar lang genoeg leven, verliezen we allemaal ons verstand,' schreef een Duitse onderzoeker over Alzheimer. Omdat het een verborgen ziekte is die zich geleidelijk manifesteert, is zij niet meteen te herkennen.

Het is niet verwonderlijk dat zoveel schrijvers dit verval tot onderwerp kiezen, want, hoe wreed het ook moge klinken, het wemelt in de oudedagsouder van de thema's, ja, hun woorden klinken als poëzie en hun verbeelding volgt grillige wegen. De moeder van Yvonne Keuls is er, ondanks dat in haar hoofd alles is gesprongen, nog steeds van overtuigd dat zijzelf, als Indische vrouw, kan redderen en doen, oerossen zoals vroeger. Het is pijnlijk, en tegelijk charmant, lief, roerend. In Vroeger is dood bezoekt de schrijvende ik-figuur, die Inez van Dullemen heet, haar vader: ,,`Dag vader,' zeg ik. Zo blauw herinner ik me niet dat zijn ogen waren; of komt dat door die lege blik? `Weet je wie ik ben?'''

De ouder is een raadsel geworden, een cryptogram waarvan de oplossing onvindbaar is.

J.J. Voskuil in De moeder van Nicolien kiest voor de dialoog als uitbeelding van de geestelijke ontworteling van de schoonmoeder. Keuls, Hilhorst en Van Dullemen zijn auteurs die in het verhaal over de laatste moeilijke jaren van hun ouders vooral ook over zichzelf en de eigen verwondering en pijn schrijven, Voskuil stelt zich op als waarnemer en vooral luisteraar. Hartbrekend zijn de gesprekken waarin van alles scheef gaat, waarin de zinnen nooit op elkaar aansluiten alsof op een station alle wissels zijn omgegooid. Op 24 februari 1997 noteert de auteur, alsof zijn boek een dagboek is: `Om half drie ging de telefoon. `O, dag Maarten. Met moeder. (-) Ik bel je maar even, maar ik weet eigenlijk niet waarom.' Pas aan het slot, wanneer de moeder is overleden, maakt de dialoog plaats voor een monoloog. Het gesprek is niet langer mogelijk. Voskuils troef is dat het minutieuze verslag van de achteruitgang van de schoonmoeder iets monters heeft, alsof het boek een pleidooi is dat ondanks aftakeling het gesprek, de woorden en zinnen tussen mensen, voort moet blijven gaan.

Ondanks alle mededogen spreekt uit deze boeken ook fascinatie: wat gaat er om in het hoofd van een dementerende man of vrouw? Hoe begrijpelijk is hun onbegrijpelijkheid? De auteur als nauw verwante kan verschillende perspectieven voor zijn verhaal kiezen: als waarnemer, zoals Voskuil, als betrokkene, zoals in de boeken van Hilhorst, Keuls en Van Dullemen. Jan Wolkers schreef in 1980 een van zijn meest woedende, geladen en explosieve boeken: De perzik van onsterfelijkheid. Daarin verzorgt een man zijn aftakelende vrouw. Wolkers: `De vulkaan is uitgewerkt. Ze laat het gewoon lopen (-). Zo eindigt een heldin. Schone lakens? We hebben er bergen van. Een straatbrede borstwering. Genoeg om de hele buurt te laten spoken. De vlekken zijn er niet meer uit te krijgen. Het is geestelijk. De mens is toch een geestelijk wezen.' Woede bij Wolkers, mildheid, mededogen en verlangen naar begrip bij Van Dullemen.

Al veel langer geleden, in 1953, verscheen van Jacoba van Velde, de vertaalster van Samuel Beckett, De grote zaal, over het laatste levensjaar en de dood van een vrouw. De schrijfster koos een dubbel perspectief: afwisselend de innerlijke monoloog van de vrouw en die van de dochter Helena, die op bezoek komt. In de openingszinnen ligt het hele drama besloten; de vrouw vraagt zich af: `Waar ben ik eigenlijk? Hoe ben ik hier gekomen? Ik kan het me niet herinneren. Het lijkt wel een ziekenhuis, want het was zeker een verpleegster die bij mijn bed stond. Ik deed of ik sliep.' Deze gedachte is het toonbeeld van dementie, want het slachtoffer zelf heeft er geen weet van, voor hem of haar is de omgeving nog steeds een geordend geheel. Dan komt de dochter aan het woord die haar moeder niet langer in huis kon houden, en haar dus achterliet in de grote zaal. Zij vindt dat haar moeder er goed uitziet; de lezer weet intussen dat de oude vrouw zelf een diepe angst heeft voor de zwarte tunnel van de dood: `Laat me niet alleen dwalen in die duisternis waar ik geen weg weet en die voor mij onbegrijpelijk is.' Het is haar laatste gedachte, eerder een smeekbede om hulp en aandacht vlak voor haar dood. Moeder en dochter zijn volstrekte onbekenden voor elkaar; de afstand is nooit meer te overbruggen.

In de eerste scène van De vader, de moeder & de tijd van Marijke Hilhorst is de moeder vergeten hoeveel kinderen zij heeft, waar ze bijna een elftal op de wereld heeft gezet. Toch beantwoordt zij de vragen van de arts met opmerkelijke helderheid en logica – maar het is háár logica, die door de buitenwereld als irrationeel wordt ervaren. De vader of moeder vindt dat het in hun hoofd nog kraakhelder is, de verwanten echter beseffen wat voor een stokebrand er aan het werk is in die versleten hersenen. Voordat de dood werkelijk komt, is hij overal geweest, hij vergeet niets, cel na cel wordt vernietigd tot het hoofd een lege ruimte is.

Angst voor die lege ruimte komt in de Nederlandse literatuur het sterkst tot uiting in Levensnevel (1999) van Kees van Kooten. Het titelverhaal mag bij eerste lezing lijken op een vermakelijk gesprek vol misverstanden tussen een vader en dochter, kijken we dieper dan is het een onthullend relaas over hoe een vader zijn dochter werkelijk niet begrijpt omdat hij in een andere wereld leeft. Bovendien laat zijn geheugen het afweten; de dochter verwijt hem dat hij hetzelfde een paar keer heeft gezegd. Met dit boek wilde Van Kooten een poging doen, zoals hij schrijft, `het krimpende leven en de uitdijende dood' met elkaar te verzoenen. Dat is scherp uitgedrukt; de dood groeit in hoofd en lichaam, de wereld wordt kleiner.

Boeken over oude en tot slot gestorven ouders zijn een requiem, een rouwbetoon zoals A.F.Th. van der Heijden zijn roman Asbestemming (1994) over de dood van zijn vader noemt. De dood van een ouder genereert herinneringen; dat gebeurt in Vroeger is dood, Mevrouw mijn moeder en De vader, de moeder & de tijd. Het is alsof met de dood iemand pas helemaal levend wordt. Zolang iemand nog leeft, verandert er voortdurend van alles; met de dood is het afscheid voorgoed en komen de herinneringen als vanzelf. Ook in Gesloten huis (1995) van Nicolaas Matsier is de dood van de moeder de krachtbron om haar voorbije leven en dat van de zoon, de schrijver zelf, op te roepen.

De vader is verbrand tot as, het huis van vroeger is gesloten – en de inspiratie laait bij de schrijvers op om die voorbije jaren tegen de vergetelheid te behoeden. Het motto van Nietzsche dat Matsier aan zijn boek meegeeft is veelzeggend: `Welches Kind hatte nicht Grund über seine Eltern zu weinen?'

Inez van Dullemen: Vroeger is dood. Uitg. Querido, 127 blz. Prijs ƒ32,50.

Marijke Hilhorst: De vader, de moeder & de tijd. Uitg. Meulenhoff, 221 blz. Prijs ƒ29,90.

A.F.Th. van der Heijden: Asbestemming. Een requiem. Uitg. Querido, 307 blz. Prijs ƒ49,90.

Yvonne Keuls: Mevrouw mijn moeder. Uitg. Ambo, 264 blz. Prijs ƒ29,90.

Kees van Kooten: Levensnevel. Uitg. De Bezige Bij, 190 blz. Prijs ƒ29,90.

Nicolaas Matsier: Gesloten huis. Uitg. De Bezige Bij, 264 blz. Prijs ƒ39,50.

J.J. Voskuil: De moeder van Nicolien. Uitg. G.A. van Oorschot, 187 blz. Prijs ƒ24,90.

De woorden van de oude ouders klinken als poëzie en hun verbeelding volgt grillige wegen

De ouder is een cryptogram geworden, waarvan de oplossing onvindbaar is